De Nederlandse stad Groningen (Gronings: Grunn, Grunnen, , Fries: Grins, ) is de hoofdstad van de provincie Groningen en de grootste kern in de gelijknamige gemeente. De plaats wordt in de provincie Groningen en delen van Drenthe kortweg aangeduid als Stad.Spreekt men in deze provincie van: de stad, of van: stad, dan bedoelt men Groningen (Grönen), want Winschoten en Appingedam worden niet voor steden gerekend. In: Molema, H. (1887/1985) Woordenboek der Groningsche volkstaal in de 19e eeuw, p. 398. Groningen: Wolters Noordhoff / Bouma's Boekhuis. /instituut voor de Nederlandse taal/ (1926/2007) WNT, lemma Stad.Ter Laan, K. (1980) Nieuw Groninger Woordenboek, p. 955, Groningen: Wolters-Noordhoff / Bouma's Boekhuis. Reker, Siemon (1995) Zakwoordenboek Gronings-Nederlands/Nederland-Gronings, p. 198, Veendam: Staalboek. In telde de stad Groningen inwoners. Het is de grootste stad van noordelijk Nederland.

Van Groningen zijn geen geschreven stadsrechten bekend. Door de relatief geïsoleerde ligging ten opzichte van de opeenvolgende feitelijke machtscentra – Utrecht, Den Haag, en Brussel – was de stad historisch gezien vooral op zichzelf en de directe omgeving aangewezen. Als Hanzestad maakte Groningen deel uit van het Noord-Duitse handelsnetwerk, maar het werd later vooral een regionaal marktcentrum. Hierna ontwikkelde Groningen zich geleidelijk tot een invloedrijk machtscentrum. De stad kon gedurende de 15e eeuw, op het hoogtepunt van zijn macht, feitelijk als een stadstaat worden beschouwd.Jan van de Broek, in het boek Groningen, een stad apart. Over het verleden van een eigenzinnige stad (1000–1600), Assen: Koninklijke Van Gorcum B.V. 2007, p.71:Meindert Schroor, Stadstaat Groningen, Regio-Projekt 1999De geschiedenis van Groningen – deel I, hoofdstuk IV, R.W.M. Van Schaik Sinds de Republiek hoorde Groningen nominaal bij Nederland, maar tot aan de Franse Tijd bleef Groningen feitelijk een autonome stad, die heer was in het grootste deel van de provincie. Na de Franse Tijd verloor de stad haar overheersende positie in de provincie, hoewel de stad tot ver in de twintigste eeuw juridisch (bloot) eigenaar bleef van een aanzienlijk deel van alle gronden in de provincie.

Groningen ontwikkelde zich van een gemeente met 23.000 inwoners in 1795 tot een gemeente met ongeveer 100.000 inwoners in 1930. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd er gevochten in Groningen, en bij de bevrijding in 1945 ging een groot deel van de binnenstad in vlammen op. Groningen is een stad met gevarieerde handel en industrie. Groningen is ook een studentenstad met ruim 60.000 studenten, van wie er bijna 35.000 in de stad wonen (2018).

Naam De oorsprong en betekenis van de naam Groningen en de oudere variant 'Groeningen' zijn niet zeker. Dichters probeerden het te koppelen aan een volksverhaal over ballingen uit Troje die onder leiding van een zekere mythische figuur Gruno (of Grunius, Gryns of Grunus) hier een nederzetting met Frygiërs uit Duitsland zou hebben gesticht in 453 v.Chr. (volgens een andere overlevering in 130 v.Chr.) en een kasteel hebben gebouwd aan de Hunze dat hij 'Grunoburg' noemde. Dat kasteel zou later weer door de Vikingen zijn verwoest en later zou mogelijk op de fundamenten hiervan de Sint-Walburgkerk zijn gebouwd. Er is echter geen enkel bewijs voor deze verhalen.A.J. van der Aa & J.W. Muller in De Navorscher, 1855, pp. 44–45

Een andere theorie stelt dat de naam Groningen is afgeleid van de mansnaam 'Groni'. Hierbij wordt verwezen naar het voorkomen van de vroege spelwijzen 'Groningi' en 'Groninga' in de 11e eeuw en de oude naam 'Gronesbeke' voor een watertje nabij de Hunze – noordgrens van Everswolde (Zuidlaarderveen). De naam zou dan betekenen 'bij de lieden van Groni'."Groningen (stad)". In: A.H. Huussen et al. (1999), Nieuwe Groninger Encyclopedie. Dl. 1 A–G, p. 317

Een derde theorie over de oorsprong is dat de oude naam Groeningen is afgeleid van 'Groen-inge'; "groene velde(n)". 'groen' zou daarbij van 'cruon' komen en een inge (of enge) is een oude benaming voor een open veld, dat in het Saksische gedeelte van Nederland en Duitsland vaak heuvelachtig was. In het wapen van Groningen (en de vlag) zou dit terugkomen in de groene streep; een groene strook land; tussen de Lauwers, de Eems en de Waddenzee.

De Groningse dialectnaam Grunnen heeft dezelfde etymologie. Grun, van het oudere gruun en -inge werd vertaald naar -en of -ens, net zoals in de naam Kantens, dat vroeger waarschijnlijk Kantinge was en wat tegenwoordig nog steeds in het Gronings gebeurt, bijvoorbeeld Thesinge wordt Taisen. Zoals bij de meeste Groningse woorden die op -en eindigen, valt ook hier de -e weg, waardoor je de uitspraak grunn krijgt. Doordat het Groningen is, had het in het Gronings ook Grunnens kunnen zijn, zoals bij Kantens, wat de Friese naam Grins tevens verklaart (vergelijk ook Harlingen – Harns).

In de provincie Groningen wordt de plaats vanouds ook "Stad" genoemd.Molema, H. (1887/1985) Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19de eeuw. Groningen: Wolters-Noordhoff/Bouma's Boekhuis. Groningen is sinds eeuwen de grootste stad in de wijde omtrek. Daarbuiten wordt deze naam ook wel gebruikt, hoewel de meeste Friezen Grins zullen zeggen. Ook in de kop van Drenthe wordt Groningen aangeduid met 'Stad'. In de Middeleeuwen werd de Latijnse naam Groninga gebruikt op kaarten en munten. Ten tijde van de Franse bezetting heette Groningen Groningue. Zelf noemen de inwoners zich "Stadjers" of "Stadjeder". De stad wordt ook wel de "metropool van het Noorden" genoemd. Stadjers noemen haar liefkozend ook wel "Groot Loug", dat wil zeggen "Groot Dorp". Een andere bijnaam van Groningen is Martinistad, verwijzend naar de Martinitoren. Zelf hebben de stad-Groningers als bijnaam: mollebonen.

Geschiedenis

Groningen ontstond op de noordelijkste uitloper van de Hondsrug. De oudste schriftelijke vermelding die bekend is, villa Cruoninga, dateert uit 1040, maar het staat vast dat de huidige stad al ver daarvoor een bewoonde plaats was. De oudste archeologische vondsten binnen het gebied van de huidige stad zijn met behulp van de C14-methode gedateerd op circa 3950–3720 voor Chr. Vanaf 300 v. Chr. zijn drie of vier zwervende erven (raatakkers) aangetroffen langs de doorgaande route vanuit Drenthe naar het noorden: de Herestraat en Oude Boteringestraat. Een onafgebroken bewoning kan worden vastgesteld vanaf de derde eeuw. Groningen is waarschijnlijk ontstaan uit twee verschillende kernen die rond 700 zijn ontstaan; de ene lag rond het huidige Martinikerkhof en de andere tussen het Zuiderdiep en het Verbindingskanaal. De stad was van origine een esdorp met een brink (de Grote Markt) en aan noord- en zuidzijde twee essen.

Middeleeuwen De geschreven geschiedenis van Groningen begint in 1040 met de schenking door de Duitse keizer, Hendrik III, van goederen en rechten (de domeinen) aan de kerk van Utrecht. Eerder waren al delen van het koningsgoed geschonken aan het Klooster Werden. Vermoedelijk werd kort voor deze akte op instigatie van de bisschop al begonnen met de aanleg van een gedeeltelijke landweer rond zijn eigendommen, waarmee Groningen ook qua uitstraling een stad werd.Aan de Singelstraat is bij archeologische opgravingen een paaltje uit de palissade op deze landweer teruggevonden die gedateerd is op rond 1034. De bisschop was vermoedelijk ook verantwoordelijk voor veel planologische ontwikkelingen in de 11e en 12e eeuw, zoals de aanleg van een patroon van keienstraten met bermsloten dat naar de mode van die tijd lijkt te zijn gebaseerd op een Romeins castellum en de bouw van de Sint-Walburgkerk rond 1100 als eigen privékapel. thumb|Het Gotisch Huis aan de Brugstraat uit de 14e eeuw Groningen moet in 1040 al een zekere marktfunctie voor de directe omgeving hebben gehad. De oudste kerk, de Maartenskerk, is blijkens archeologisch onderzoek gesticht rond 800. Deel van de schenking was ook het muntrecht, waar de Utrechtse bisschop ook gebruik van heeft gemaakt. Rond het jaar 1000 werd de houten Maartenskerk mogelijk na verwoesting door de Noormannen vervangen door een tufstenen exemplaar en rond 1200 door de eerste fase van de huidige bakstenen kerk.

Het aanvankelijk Drentse esdorp werd in de middeleeuwen een belangrijke handelsplaats. De ligging, op de grens van Drenthe en Groter-Friesland, was daarbij van grote waarde.

Na 1040 volgt een lange periode waarover de bronnen zwijgen als het Groningen betreft. In de 12e eeuw werd de zuidelijke nederzetting vermoedelijk verlaten ten faveure van de noordelijke nederzetting. Vanaf 1227 is er in de geschreven bronnen sprake van heftige strijd tussen de bisschop en een deel van de inwoners van de stad. De bisschop beschouwde zichzelf als landsheer, maar de afstand tussen Groningen en Utrecht maakte het lastig voor de bisschop om daadwerkelijk macht in de stad uit te oefenen.

Bisschop Hartbert trachtte dat probleem op te lossen door de prefectuur (burggraafschap) op te dragen aan zijn broer. Door het ambt erfelijk te maken creëerde hij echter direct een probleem voor zijn opvolgers. De prefect ging zijn eigen koers varen, waardoor er zich in de stad naast de bisschop twee partijen ontwikkelden: de volgelingen van de prefect en de Stadjers die zichzelf in staat achtten hun eigen belangen te behartigen.

In de 13e eeuw had de prefect verschillende steunpunten buiten de stad aan doorgaande wegen over de Hunze, waar hij borgmannen of ministerialen op zette. Om hun macht te tonen vervingen de Stadjers in de dertiende eeuw op eigen gezag hun aarden landweer door een stenen omwalling, die overigens net als de voorganger waarschijnlijk aan de kant van de A niet was afgesloten. De macht van de bisschop, en diens prefect, werd ernstig aangetast in 1227 bij de Slag bij Ane toen bisschoppelijke troepen, die orde op zaken wilden stellen in Groningen, een smadelijke nederlaag leden. Groningen zou zich daarna weinig meer van de bisschop aantrekken. In de 14e eeuw werden alle steunpunten van de prefect verwoest of opgekocht en gesloopt.

thumb|left|Het Broerklooster op een oude stadskaart De groei van dorp tot stad in deze periode blijkt uit de stichting van een tweede parochie rond de Der Aa-kerk en de vestiging van twee kloosters, een van de Franciscanen en een van de Dominicanen. Ook het oudste gasthuis, het Pelstergasthuis, stamt uit deze periode; het wordt voor het eerst genoemd in een pauselijke bul uit 1267. Waar nu het Academiegebouw staat, werden in 1276 en 1284 twee begijnhofjes gesticht: het Vrouwe Menoldaconvent en het Vrouwe Sywen Convent.

De verstening van de stad kreeg ook vorm in woonhuizen, waarbij de verstening vaak tot doel had een huis weerbaar te maken. De oudste bewaard gebleven panden stammen uit de dertiende (Calmershuis, Hinckaertshuis) en veertiende eeuw. Deze woontorens rezen destijds op tot 25 meter hoog.

Hoewel van een formele verlening van stadsrecht geen sprake is, beschouwde de stad zich dan wel als stad. In het begin van de veertiende eeuw erkende bisschop Gwijde van Avesnes ook uitdrukkelijk de rechten van de stad.