De Buffalo Sabres is een Amerikaanse professionele ijshockeyorganisatie uit Buffalo in de staat New York. Sinds 1970 spelen ze in de National Hockey League.

Geschiedenis Eerste jaren In 1970 vond de eerste uitbreiding van de NHL plaats. De Buffalo Sabres werden samen met de Vancouver Canucks toegevoegd aan de NHL in seizoen 1970-71.

De eerste eigenaren van de Sabres waren Seymour H. Knox en Northrop Knox. De Knox familie was een prominente familie in het Westen van de staat New York. Ze baseerden de teamnaam op het zwaard dat een Amerikaanse legerleider altijd bij zich droeg, namelijk een sabel. Ook heeft een sabel de kenmerken "sterk in verdediging en aanval". De familie Knox had al eerder geprobeerd een NHL team te krijgen, tijdens de uitbreiding van de NHL in 1967. Toen zagen zij hun kans om de Oakland Seals te kopen en die te verhuizen naar Buffalo stranden.

Buffalo is altijd al een stad geweest met goede minor-league hockeyteams. De Buffalo Bisons waren een sterk team in de American Hockey League (AHL).

Vanaf seizoen 1970-71 tot en met seizoen 1995-96 waren de teamkleuren blauw en goud.

The French Connection De Sabres begonnen in hun eerste seizoen te spelen in het Buffalo Memorial Auditorium, bijgenaamd "Aud". Hun start was meteen goed met het aantrekken van toekomstige Hall of Fame center Gilbert Perreault. Ze verkregen hem in de 1970 NHL Amateur Draft. Perreault scoorde 38 goals in zijn eerste seizoen in 1970-71. Dat was meteen een record. Nog nooit had een rookie zoveel gescoord in zijn eerste seizoen in de NHL. Daarvoor kreeg Perreault de Calder Memorial Trophy als Rookie of the Year. Ondanks Perreault zijn geweldige prestatie, konden de Sabres de play-offs dat seizoen niet bereiken.

In het 2e seizoen in 1971-72, verkreeg Buffalo Sabres de volgende spelers: Rick Martin (via de draft) en Rene Robert (via een transactie met de Pittsburgh Penguins). Deze twee spelers speelden met Gilbert Perreault op 1 aanvalslijn die later bekend zou komen te staan als een van de beste aanvalslinies in de jaren 70. Martin brak het record van Perreault van seizoen 1970-71 door 44 keer te scoren. De aanvalslijn kreeg als bijnaam "The French Connection". In die tijd was er een politiefilm met Gene Hackman met die titel. En het was een hommage aan hun Frans-Canadese afkomst. De Sabres kwamen dat jaar wel in de play-offs. Ze verloren in de kwartfinale in 6 wedstrijden van de uiteindelijke Stanley Cup winnaar Montreal Canadiens.

De 6de wedstrijd in de "Aud" eindigde met het zingen van de fans van Buffalo: "Thank you Sabres! Thank you Sabres!". Iets wat veel fans en spelers nog steeds herinneren als een van de mooiste momenten in de geschiedenis van de Buffalo Sabres.

Finale in de mist Na een wat minder jaar in 1974 waarin Buffalo de play-offs opnieuw niet bereikte, eindigde de Sabres het seizoen in 1975 samen met een ander team als hoogste in het reguliere seizoen. Voor de eerste keer in de geschiedenis, stond Buffalo dat jaar in de Stanley Cup Finale. Daar speelden ze tegen het spijkerharde team van de Philadelphia Flyers (bijgenaamd de "Broad Street Bullies). De 3e wedstrijd van die serie, speelde zich voor een groot deel af in zware mist. Dat kwam door de ongebruikelijke hitte in mei 1975 in Buffalo. Spelers, scheidsrechters en de puck waren onzichtbaar voor een groot deel van het publiek. Tijdens een face-off zag Sabres center Jim Lorentz een vleermuis over het ijs vliegen. Hij sloeg de vleermuis dood met zijn stick. Dat was de enige keer ooit dat een dier kwam te overlijden tijdens een NHL wedstrijd. De Sabres wonnen die wedstrijd dankzij een goal van Rene Robert in overtime. Philadelphia won uiteindelijk de Stanley Cup in 6 wedstrijden.

De French Connection, vergezeld door 50 goal-scorer Danny Gare, bleef succesvol voor de Sabres in seizoen 1975-76, maar verloren in de kwartfinales tegen de New York Islanders. The Sabres bleven een sterk team eind jaren 70 met de French Connection Perreault, Martin, Robert en Gare, maar bleken niet in staat om terug te keren naar de Stanley Cup Finale. Hoewel ze kampioen werden van hun conference in de NHL in 1980 en als eerste ploeg wonnen van de olympische ijshockey ploeg van de Sovjet-Unie toen deze in de Verenigde Staten op tournee was.

Jaren 80 en 90 Robert kreeg een transfer naar de Colorado Rockies in 1980, Martin ging naar de Los Angeles Kings in 1981. Team captain Gilbert Perreault ging met pensioen in november 1986, na 16 seizoenen gespeeld te hebben voor de Sabres. Sterspelers in Buffalo in de jaren 80 waren Gilbert Perreault, winger Mike Foligno, verdediger Phil Housley, 1983-84 Vezina en Calder Trophy winnaar keeper Tom Barrasso en winger Dave Andreychuk.

De Sabres misten de play-offs slechts tweemaal, in 1986 en 1987. En slechts tweemaal wisten ze verder te komen dan de 1e ronde in de play-offs. Seizoen 1986-87 werd voor Buffalo een van de sportief gezien slechtste seizoenen. Ze eindigen met 28-44-8 (28 gewonnen, 44 verloren en 8 gelijk). Hierdoor kregen ze het volgende seizoen wel de 1ste keus in de 1e ronde bij de draft. Die keuze gebruikte ze om Pierre Turgeon te selecteren. Hij kwam van Granby Bisons in de QMJHL (Quebec Major Junior Hockey League). Turgeon had een goed rookieseizoen, eindigend met 42 punten. Hij zou later een sleutelrol spelen in de deal die de Sabres maakten met de New York Islanders om Pat Lafontaine aan te trekken.

Op 16 juni 1990 stuurt Buffalo Phil Housley samen met Darrin Shannon en een 1ste ronde draft pick in 1990 (dat werd uiteindelijk Keith Tkachuk) naar de Winnipeg Jets voor Dale Hawerchuk en een 1e rond draft pick in 1990 (dat werd uiteindelijk Brad May). Hawerchuk en May vormden de kern van de Sabres in het begin van de jaren 90.

De val van de Berlijnse Muur in 1989, stelden spelers uit de Sovjet-Unie in staat om in de Verenigde Staten spelen. Een van de eerste topspelers die dat deed was Aleksandr Mogilny. Hij tekende een contract met de Sabres. Hij speelde samen met center Pat LaFontaine en groeide uit tot een van de supertalenten uit de jaren 90. Samen met Teemu Selanne van de Winnipeg Jets won hij de Calder Memorial Trophy als rookie of the year. Hij scoorde 76 goals in 1993.

1993 was ook het seizoen waarin de Buffalo Sabres-keeper Grant Fuhr kregen van de Toronto Maple Leafs. De Sabres gingen eindelijke weer eens door na de 1ste ronde van de play-offs. Ze verloren uiteindelijk weer van de uiteindelijke Stanley Cup winnaars de Montreal Canadiens. Tijdens de vierde wedstrijd van de 1e ronde, tegen de Boston Bruins, maakte radioverslaggever Rick Jeanneret zich onsterfelijk in Buffalo. Hij schreeuwde zes keer achter elkaar "MAY DAY!" toen Brad May scoorde in overtime.

Tijdens het belangrijke 1992-93 NHL seizoen maakten de Sabres een deal die waarschijnlijk een van de belangrijkste werd in de geschiedenis van het team. Ze verkregen keeper Dominik Hašek van de Chicago Blackhawks. In ruil, gaven ze Stephane Beauregard en een 4de ronde draft keuze in 1993 (Dat werd uiteindelijk Eric Daze.) Hasek was de eerste 2 seizoenen in Chicago nog reserve keeper van Ed Belfour. Maar Dominik Hasek, bijgenaamd "The Dominator", werd bij de Sabres de 1e keeper in het volgende seizoen en groeide uit tot een van de beste keepers die de NHL ooit gezien heeft. Grant Fuhr, begenaamd "The Fury", en Hasek wonnen in 1994 de William M. Jennings Trophy voor de minste gepasseerde keeper. In het verkorte seizoen in 1995 werd Fuhr naar de Los Angeles Kings gestuurd.

Afscheid van de "Aud" Het seizoen 1995-96 was het 1e seizoen met coach Ted Nolan en het laatste voor de Sabres in het Memorial Auditorium. Coach Nolan bracht een spannende speelstijl naar Buffalo. Onder zijn hoede werden de Sabres vaak genoemd als "hardest-working team in hockey". Ondanks dat de Sabres faalden om succes te hebben en hun wedstrijden gemiddeld voor slechts voor 13.000 fans speelden, hadden de meeste fans toch een speciale band met het team. Brad May, Rob Ray en Matthew Barnaby kregen als bijnaam "The Hanson Brothers", karakters uit de hockeycomedy "Slap Shot" met onder andere Paul Newman. Het seizoen 1995-1996 had ook een debuut van de veteraan Randy Burridge. Nadat hij bij wijze van experiment toegevoegd werd aan het trainingskamp van de Sabres, kreeg hij een permanente plek in het team. Hij scoorde 25 goals dat seizoen en liet alleen Pat Lafontaine voor zich als team topscorer. Burridge won ook de Tim Horton Award voor "unsung hero" en werd gekozen als team Most Valuable Player.

1996-97 — 2005-06: Teamkleuren zijn zwart en rood

thumb|right|200px|Derek Roy met het toenmalige outfit

Nieuw stadion, nieuwe stijl Coach Nolan en de Sabres kwamen terug in seizoen 1996-97, het eerste seizoen in het nieuwe stadion: de Marine Midland Arena. Ze werden eerste in de Northeast Division, hun eerste divisie titel in 16 seizoenen. Coach Nolan won de Jack Adams Award voor de NHL beste coach, Dominik Hasek won de Hart en Vezina Trophy, Michael Peca won de Frank J. Selke Trophy als beste verdedigende aanvaller in de NHL en general manager John Muckler werd geëerd als Executive of the Year.

Maar het succes tijdens het reguliere seizoen werd overschaduwd door wat er gebeurde tijdens de play-offs. Spanningen tussen Nolan en Hasek waren tijdens het seizoen al aanwezig. Maar tijdens de 3e wedstrijd in de 1e ronde van de play-offs tegen de Ottawa Senators, verliet Dominik Hasek de wedstrijd. Hasek claimde dat hij iets voelde knappen in zijn knie. Jim Kelley, een columnist van het Buffalo News, beschreef in de krant de dag erna de ware achtergronden van deze gebeurtenis. Dit tot grote irritatie van Hasek. Nadat de Ottawa Senators de 5e wedstrijd wonnen, kwam Hasek uit de kleedkamer van de Sabres en viel Jim Kelley aan. Ondanks dat Hasek zijn verontschuldigingen had aangeboden, ging de zaak bergafwaarts. Reserve doelman Shields werd de grote held nadat de Sabres de Senators versloegen. In de 2e ronde moesten ze het opnemen tegen de Philadelphia Flyers, maar zonder de inmiddels geschorste Hasek.

De Buffalo Sabres verloren de eerste 3 wedstrijden in de 2e ronde. In de 4de wedstrijd zou Hasek weer kunnen spelen. Maar vlak voor de wedstrijd meldde hij zich af vanwege een knieblessure. Opnieuw speelde reserve-keeper Steve Shields een geweldige wedstrijd, die de Sabres wonnen. De 5e wedstrijd meldde Hasek zich opnieuw geblesseerd af en toen verloren de Sabres de wedstrijd en de ronde tegen de Flyers.

Nieuwe eigenaren Ondanks de ongeregeldheden binnen het team, was 1996-97 een passend afscheid voor eigenaar Seymour Knox. Hij stierf op 22 mei 1996. Tijdens het seizoen, verkocht zijn broer, Northrop Knox, het team aan Adelphia Communications.

Timothy Rigas, zoon van Adelphia oprichter John Rigas, werd de nieuwe Team President. Zijn eerste daad was het ontslaan van general manager John Muckler, die een openlijk strijd voerde tegen coach Ted Nolan. All-Star keeper Hasek, een fanatiek supporter van Muckler, vertelde de pers tijdens de NHL Awards Ceremony dat hij weinig respect had voor Ted Nolan. Een uitspraak die het vuur aan de schenen legde bij de nieuwe general manager Darcy Regier. Hij had namelijk coach Ted Nolan net een nieuw 1-jarig contract aangeboden. Nolan weigerde dit contract omdat zijn vorig contract een 2-jarig contract was, nog voordat hij werd gekozen als Coach of the Year. Regier trok zijn 1-jarig contract aanbod in en gaf Nolan geen nieuw aanbod. Het duurde tot juni 2006 voordat Ted Nolan weer begon als coach, deze keer voor de New York Islanders. Na Nolan werd voormalig Sabres captain Lindy Ruff de nieuwe coach. Hij kreeg een 3-jarig contract.

Met Dominik Hasek, winger Miroslav Satan (de topscorer), winger Donald Audette, center Michael Peca en een handvol belangrijke Free Agents waaronder enforcer Matthew Barnaby, bereikten de Sabres de Conference Final (3e ronde in de play-offs) in 1998. Deze verloren ze uiteindelijk tegen de Washington Capitals in zes wedstrijden.

thumb|right|140px|Lindy Ruff

No Goal!