thumb|Replica van de helm van Sutton Hoo; het origineel werd begraven met een Angelsaksische leider, waarschijnlijk koning Rædwald van East Anglia, circa 620., Early Medieval Art, (Oxford/New York 2002), 109-112. thumb|Het mausoleum van Theodorik in Ravenna. De stad Ravenna was een hoofdstad van het West-Romeinse Rijk en werd in de vroege middeleeuwen ook de hoofdstad van het Ostrogotische Rijk en het Byzantijnse exarchaat Ravenna.

De vroege middeleeuwen, die doorgaans gesitueerd worden van ruwweg het jaar 500 tot en met ruwweg het jaar 1000, vormen de eerste periode van de Europese middeleeuwen. Deze tijd werd vroeger ook wel aangeduid als de donkere middeleeuwen, maar die laatste term is onder historici vrijwel in onbruik geraakt.

De eerste helft van de vroege middeleeuwen, van het einde van de vierde tot aan het einde van de achtste eeuw, wordt volgens historici gekarakteriseerd door een groot, moeilijk te definiëren overgangsproces waarin de klassieke samenleving veranderde in de middeleeuwse samenleving., De volksverhuizingen: De geschiedenis van West-Europa, 375-800, vert. Ger Meesters (Utrecht 2020), 11. In de periode van 600 tot 1000 was er sprake van een langzaam maar gedurig herstel van West-Europa waarin de bevolking groeide en de handel zich herstelde.

De vroege middeleeuwen werden verder gekenmerkt door de overgang onder de Heracliden van het Oost-Romeinse Rijk uit de late oudheid naar het Griekse Byzantijnse Rijk en de opkomst van meerdere Barbaarse koninkrijken. Daarnaast ontwikkelde het Arabische Rijk zich in deze periode als een nieuwe machtige speler, die voet aan de grond kreeg op het Iberisch Schiereiland en op Sicilië. In 800 werd de titel van keizer in het westen opnieuw geïntroduceerd door Karel de Grote. Zijn rijk domineerde in deze tijd zowel politiek als cultureel gezien Europa. In diezelfde tijd kwamen de Vikingen op, die door middel van rooftochten hun sporen op het continent achterlieten. In het jaar 1000, omstreeks het einde van de vroege middeleeuwen, waren het Byzantijnse Rijk, het koninkrijk Engeland en het kalifaat Córdoba de meest solide staten van Europa.

Periodisering Om meer grip te krijgen op de lange en brede periode van de Europese middeleeuwen hebben negentiende-eeuwse Duitse historici getracht om dat tijdvak op te delen. Zij kwamen met de onderverdeling Früh-, Hoch- en Spätmittelalter, oftewel de vroege, hoge en late middeleeuwen. Britse collega's volgden hen hierin, maar de historici in de Romaanstalige landen maakten alleen een onderverdeling in vroege (Frans: haut) en late (bas) middeleeuwen., The Central Middle Ages: Europe 950-1320 (Oxford 2006), 4.

Over het precieze begin en einde van de vroege middeleeuwen bestaan verschillende opvattingen. Doorgaans wordt het begin gelegd bij de Val van het West-Romeinse Rijk, maar wanneer die precies plaatsvond en waar is niet altijd even duidelijk. Jennifer R. Davis en Michael McCormick vinden de vijfde of de zesde eeuw een goed startpunt voor de vroege middeleeuwen in het grootste deel van West-Europa., 'The Early Middle Ages: Europe's long morning', in: ibidem (red), The Long Morning of Medieval Europe: New Directions in Early Medieval Studies (Aldershot 2008), 6. De Nederlandse historici Wim Blockmans en Peter Hoppenbrouwers laten de vroege middeleeuwen ruwweg beginnen rond het jaar 500. & , Eeuwen des onderscheids: Een geschiedenis van middeleeuws Europa (8e druk; Amsterdam 2016), 10. De Zweedse mediëvist Dick Harrison laat de periode eveneens omstreeks 500 beginnen. Wel benadrukt hij dat het onmogelijk is om tijdsgrenzen aan te geven. Het jaar 500 wordt dan ook vaak als startpunt voor de vroege middeleeuwen gebruikt.

Als eindpunt voor de vroege middeleeuwen wordt vaak het jaar 1000 genomen of de elfde eeuw, onder anderen door de eerdergenoemde historici. De Amerikaanse historicus Charles Homer Haskins was in 1928 de eerste die dat jaar koos als breekpunt van de middeleeuwen. Hij zag de periode van 1000 tot 1200 als het tijdperk van de renaissance van de twaalfde eeuw. Daarnaast kiezen sommige historici ervoor om het jaar 950 aan te wijzen als overgang van de vroege middeleeuwen naar de hoge middeleeuwen, vanwege de grote bevolkingsgroei die zich toen aandiende., "Wat is middeleeuws?", in: red., Cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen (Zwolle 2015), 13-27, aldaar 21.

Staatkundige ontwikkelingen Val van het West-Romeinse Rijk miniatuur|Kaart van het Romeinse Rijk met de door Diocletianus ingestelde prefecturen. In de derde eeuw na Chr. kreeg het Romeinse Rijk te maken met een aantal crises die tezamen een neerwaartse demografische en economische spiraal veroorzaakten. Om de teruggang te stoppen voerde keizer Diocletianus een aantal hervormingen door. Zo deelde hij het Romeinse grondgebied op in het West-Romeinse Rijk en het Oost-Romeinse Rijk dat later het Byzantijnse Rijk ging heten. Verder codificeerde hij het Romeins recht en hervormde hij de Romeinse munt en het belastingstelsel. Tevens verplichtte hij alle Romeinse burgers om zich te conformeren aan de Romeinse religie., Eeuwen des onderscheids, 29.

Diocletianus veranderde ook het militaire beleid; hij splitste de strijdkrachten in lichtbewapende grenstroepen en mobiele interventielegers die waren gelegerd in garnizoensplaatsen. Omdat de bereidheid onder de Romeinse bevolking om in de legioenen te dienen medio vierde eeuw sterk was afgenomen, sloten de Romeinse keizers veel nieuwe bondgenootschappen met andere volken. Vanaf dat moment werden soldaten voornamelijk uit de "barbaarse" bevolking gerekruteerd. Zodoende bestonden ook de elite-eenheden steeds meer uit niet-Romeinse soldaten en klom een aantal niet-Romeinen op tot militaire topfuncties., Eeuwen des onderscheids, 38.

Volgens Edward Gibbon kwam het Romeinse Rijk uiteindelijk ten val door "barbarisme en religie", maar deze visie wordt door moderne historici betwist. In het jaar 476 werd de laatste West-Romeinse keizer, Romulus Augustulus, door de "barbaar" Odoaker afgezet. Deze stuurde de symbolen van de keizerlijke waardigheid naar keizer Zeno in Constantinopel en onderhandelde over zijn eigen positie. Formeel was er in het jaar 476 dan ook geen sprake van een breuk. Pas in 518 toen Theodorik over Italië heerste, sprak de Oost-Romeinse historicus Marcellinus Comes over de val van het West-Romeinse Rijk. Waarschijnlijk was dit echter vooral een poging om de macht van keizer Justinianus I over het westen te legitimeren., "Een tijd van barbarij", in: red., Cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen (Zwolle 2015), 28-49, aldaar 35-36. Daarnaast wordt de Ostrogotische periode (490-552) in Italië gezien als de laatste periode waarin sprake was van stabiliteit in Romeinse stijl, iets dat Theodorik zelf ook propageerde. Framing the early Middle Ages: Europe and the Mediterranean, 400-800. (Oxford 2005), 24.

Volksverhuizingen

thumb|Kaart van de migratiestromen tijdens de Volksverhuizingen Al sinds de tweede eeuw waren vele volkeren aan de noordgrens van de Donau en de oostgrens van de Rijn in beweging. Een van de eerste volkeren die een plek binnen het Romeinse Rijk wisten te veroveren waren de Alemannen, die neerstreken in het gebied van het huidige Zuidwest-Duitsland en Duitstalig Zwitserland. De Saksen waren een ander Germaans volk dat in de derde eeuw het rijk binnentrok. Het merendeel van deze migraties vond plaats in de periode tussen 370 en 600 en staat bekend als de Grote Volksverhuizing., De volksverhuizingen, 25.

De machtsverhoudingen veranderden significant nadat de Hunnen omstreeks 370 ten noordwesten van de Zwarte Zee Europa waren binnengetrokken. Door de druk die de Hunnen uitoefenden waren de Ostrogoten gedwongen om zuidwaarts te trekken, de Donau over, richting het Romeinse Rijk. Aanvankelijk waren de Romeinen bereid de Ostrogoten op te nemen in ruil voor de belofte troepen aan het Romeinse leger te leveren, maar de spanningen liepen weldra op en dit leidde in 378 tot de Slag bij Adrianopel. Vier jaar later kwam het tot een overeenkomst tussen de Romeinen en de Goten, waarbij deze laatsten zich als foederati mochten vestigen in Moesia. Onder leiding van Alarik I vielen de Visigoten in 408 Italië binnen, waar ze de Romeinen versloegen. Tijdens hun plundertochten brandschatten de Goten de stad Rome in 410, als eerste buitenlands leger na bijna 800 jaar., De volksverhuizingen, 41.

In 406 stak aan de noordgrens van het Romeinse Rijk, bij het huidige Mainz, een groot leger de bevroren Rijn over. Dit leger bestond uit Vandalen, Sueven, Alanen en later ook Bourgondiërs. Vanwege de voedselschaarste trokken de troepen van plaats naar plaats en plunderden het platteland. In 409 staken de Vandalen, Alanen en Sueven de Pyreneeën over om daar verder te gaan met de plunderingen. Kort na hun komst werden ze gevolgd door de Goten, die zich vestigden als foederati in Aquitanië, vanwaar ze een machtig rijk uitbouwden. De Vandalen en Alanen staken de Middellandse Zee over en veroverden in 439 Carthago, dat de hoofdstad werd van het Vandaalse Rijk., De volksverhuizingen, 46.

In Brittannië liep de Romeinse aanwezigheid vanaf het eind van de vierde eeuw geleidelijk aan ten einde. De eerste troepen vertrokken om ingezet te worden in de Romeinse burgeroorlogen die toen woedden. De laatste troepen werden in 407 teruggeroepen om de verdediging te versterken tegen de indringers die het jaar daarvoor de Rijn waren overgestoken. Het eiland viel daarop uiteen in ongeveer dertig lokale politieke eenheden. Weldra werd de macht in Brittannië overgenomen door een aantal Germaanse volkeren die waarschijnlijk voorheen Romeinse hulptroepen waren geweest: de Angelen, Saksen en de Juten., De volksverhuizingen, 109.

In de tweede helft van de vijfde eeuw nam de migratie aanzienlijk toe. Er ontstonden een zevental koninkrijken, die in de zesde eeuw regelmatig met elkaar in oorlog waren., De volksverhuizingen, 112.

Byzantijnse Rijk

thumb|Kaart van het Byzantijnse Rijk De dood van keizer Theodosius I resulteerde in de definitieve scheiding tussen het West-Romeinse en het Oost-Romeinse Rijk. Omstreeks het jaar 400 was het Oost-Romeinse Rijk een politiek stabiele en fiscaal geïntegreerde staat. Waar in de vijfde eeuw het West-Romeinse Rijk werd overlopen door vele volkeren, had zijn oostelijke buur hier in veel mindere mate mee te maken. Alleen volkeren uit de noordelijke Balkan, het moderne Bulgarije en Joegoslavië, waren in die tijd grote bedreigingen voor het rijk.

De Oost-Romeinen maakten een korte periode van verval door onder keizer Zeno. Onder zijn opvolger Anastasius I werden de keizerlijke financiën hervormd. Het rijk kende hierna een opleving onder het bewind van keizer Justinianus I. Hij hernieuwde het rechtssysteem (Codex Justinianus), reorganiseerde de keizerlijke administratie en begon aan uitgebreide bouwprojecten, zoals de Hagia Sophia in de hoofdstad Constantinopel. Daarnaast ging hij over tot het heroveren van voormalige Romeinse provincies. Zo herwon hij Noord-Afrika, Sicilië, Italië en een deel van Spanje., Framing the early Middle Ages, 30.

Het herstelbeleid van Justinianus I begon in het midden van de zesde eeuw te haperen. De externe druk van de Sassaniden in het oosten en de komst van de Avaren en Bulgaren konden de Byzantijnse keizers met wisselend succes afweren. Keizer Herakleios wist de Sassaniden in 627 te verslaan in de Slag bij Ninive, maar de provincies Syria en Palestina gingen een kleine tien jaar later aan de moslims verloren. In de zevende en achtste eeuw werden de militaire organisatie, zoals de introductie van de tagmata, en werden de belastingen hervormd., Eeuwen des onderscheids, 68.