thumb|Koninklijk Concertgebouw, thuisbasis van het Concertgebouworkest Het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) is een symfonieorkest in Nederland. Het werd opgericht in 1888 en is sinds 1988 voorzien van het predicaat Koninklijk. Beschermvrouwe van de Stichting Koninklijk Concertgebouworkest is koningin Máxima. De thuisbasis is het Koninklijk Concertgebouw in Amsterdam.

Na het ontslag van chef-dirigent Daniele Gatti op 2 augustus 2018 duurde het vier jaar voordat bekendgemaakt kon worden dat Klaus Mäkelä Gatti's opvolger wordt in 2027. Tot die tijd heeft Mäkelä vijf jaar lang de functie van 'artistiek partner' bij het orkest.

Het Concertgebouworkest werd in 2008 door een deel van de internationale muziekpers tot de beste orkesten ter wereld gerekend, samen met de Wiener Philharmoniker en de Berliner Philharmoniker.Chicago Symphony Tops U.S. Orchestras, NPR, 21 november 2008.Koninklijk Concertgebouw Orkest beste ter wereld, Cultura, 19 november 2008. Ook in de jaren rond 2020 werd het orkest door muziekcritici vrijwel altijd in top-10-lijsten opgenomen.Alice Benton, Best Orchestras In The World: Greatest Top 10, 3 mei 2019. Gearchiveerd op 1 april 2023.Oliver Condy, The best orchestras in the world, BBC Music Magazine, 14 september 2021. Gearchiveerd op 4 augustus 2023.World’s Best 10 Symphony Orchestras in Classical MusicAaron Green, The World's Best Symphony Orchestras, 25 januari 2019.

Geschiedenis Willem Kes, 1888-1895 In 1888 is het orkest opgericht om in het nieuwe Concertgebouw te concerteren. Het eerste concert vond plaats op 3 november van dat jaar onder leiding van dirigent Willem Kes met een bezetting van 120 man. Uitgevoerd werden Beethovens ouverture Die Weihe des Hauses, Brahms' Haydn-variaties, het symfonisch gedicht Phaëton van Saint-Saëns, het voorspel tot Die Meistersinger von Nürnberg van Wagner en de Derde ("Irish") symfonie van Stanford.

Willem Kes, die was aangesteld nadat onderhandelingen met Henri Viotta waren vastgelopen, maakte een einde aan de toenmalige gezelligheid bij concerten, waarbij toehoorders tijdens de uitvoering de zaal in en uit liepen, al rokend met elkaar in gesprek raakten of luidkeels commentaar gaven op het gebodene. Hij eiste absolute stilte in de zaal en concentratie op de muziek, zonder geloop, gerook, gepraat en rammelende bierglazen of koffiekopjes. Deze gedragsregels zijn in concertzalen algemeen vanzelfsprekend gebleven tot op de huidige dag.

Willem Mengelberg, 1895-1945 thumb|Willem Mengelberg had vijftig jaar lang de leiding In 1895 nam Willem Mengelberg het stokje over als chef-dirigent, een post die hij vijftig jaar lang bezette. Onder zijn leiding verwierf het orkest wereldfaam. Zo werd in 1899 voor het eerst op Palmzondag de Matthäus-Passion van Bach uitgevoerd, het begin van een Nederlandse traditie. In 1902 (en later ook nog in 1912 en 1935) besteedde het orkest aandacht aan Nederlandse muziek tijdens de Nederlandse Muziekfeesten. Het Te Deum van Alphons Diepenbrock beleefde tijdens het feest van 1912 zijn première. Gustav Mahler reisde in 1903 naar Nederland om met het orkest zijn eigen muziek ten gehore te brengen. In de jaren daarna tot 1909 dirigeerde Mahler in totaal elf keer zijn eigen symfonieën. In deze periode begon de voorliefde van het orkest voor muziek van Mahler. Zo werd in 1920 tijdens het zilveren jubileum van Mengelberg een festival aan de componist gewijd: het eerste Mahlerfeest.

Tijdens de periode-Mengelberg waren ook diverse gerenommeerde buitenlandse "eerste dirigenten" vast verbonden aan het Concertgebouworkest, onder wie Gustav Kogel (1908-1910), Karl Muck (1921-1925), Pierre Monteux (1924-1934), Bruno Walter (1934-1939) en Eugen Jochum (1941-1943). Als "tweede dirigent" waren aangesteld de Nederlanders Cornelis Dopper (1908-1931), Evert Cornelis (1910-1919), Eduard van Beinum (vanaf 1931) en Jan Koetsier (1942-1948). Om Van Beinum, die andere aanbiedingen kreeg, voor het orkest te behouden, kreeg hij in 1938 de titel "tweede eerste dirigent".

Op 30 maart 1924 was het Concertgebouworkest, onder leiding van Karl Muck en met cellosolist Henri van Goudoever, voor het eerst te beluisteren op de radio. De uitzending werd verzorgd door de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek.Radionieuws, Algemeen Handelsblad, 30-03-1924, op website Delpher. Vanaf januari 1925 werden de, door Philips gesponsorde, "Mengelberg-concerten" regelmatig uitgezonden door de Hilversumsche Draadlooze Omroep en later door de AVRO.

Succes en kritiek Mengelberg gold als een der grootste dirigenten van zijn tijd. Door de decennialange samenwerking kon hij met het Concertgebouworkest zijn eigen karakteristieke orkestklank ontwikkelen. Hij werd door het publiek als een vorst vereerd en onder zijn leiding werd het orkest wereldberoemd. Niet alleen met Gustav Mahler had het Concertgebouworkest een warme relatie, maar ook met Richard Strauss, Claude Debussy, Igor Stravinsky, Béla Bartók, Sergej Rachmaninov en Sergej Prokofjev. Strauss droeg in 1898 Ein Heldenleben op aan het orkest en zijn dirigent; hetzelfde deden Rachmaninov (De Klokken) in 1913 en Zoltán Kodály (Variaties op een Hongaars volkslied "De Pauw") in 1939. Van veel muziek van binnen- en buitenlandse componisten verzorgde het Concertgebouworkest de wereldpremière.

Kritiek op Mengelberg was er ook, op zijn autoritaire stijl en op zijn dominante positie in het muziekleven. In 1918 veroorzaakte de componist en muziekrecensent Matthijs Vermeulen bij een concert een beroemd geworden incident, gericht tegen de componist en tweede dirigent Cornelis Dopper, maar eigenlijk tegen het conservatieve programmabeleid van Mengelberg en het Concertgebouworkest. Zijn luide uitroep door de Grote Zaal "Leve Sousa!" (met andere woorden "Geef mij de marsen van John Philip Sousa maar") leverde heftige discussies op. Hij kreeg steun van onder anderen de kunstenaar en activist Erich Wichman, de componist Daniël Ruyneman en de dirigent Evert Cornelis, die daardoor zijn positie bij het orkest verloor. Uiteindelijk veranderde er niets aan het beleid.

Tweede Wereldoorlog thumb|Gedenkteken Joodse Musici De laatste jaren van Mengelberg als chef-dirigent werden gedomineerd door de Duitse bezetting. In november 1940 werd Mengelbergs uitvoering met het Concertgebouworkest van de Zuiderzee-symfonie van de in 1939 overleden Cornelis Dopper beloond met een langdurige demonstratieve ovatie. Ook al was dit werk al voor de Duitse aanval op Nederland in 1940 op het programma gezet, op dat moment gold het voor het publiek als symbool van vaderlandsliefde.

Het uitvoeren van werken van Joodse en/of "entartete" componisten als Mahler, Mendelssohn en Tsjaikovski werd verboden. Voor werken van Franse componisten moest speciaal toestemming worden gevraagd. Toch werd door het Concertgebouworkest eenmaal Tsjaikovski's Symphonie Pathétique gespeeld, nota bene op speciaal verzoek van de vrouw van Reichskommissar Seyss-Inquart.

Joodse orkestleden moesten de podia verlaten. Het Concertgebouworkest had toen zeventien Joodse leden, bijna eenvijfde van het totaal aantal musici. Het laatste concert met alle Joodse orkestleden vond plaats op 8 juni 1941; uitgevoerd werd de Negende symfonie van Beethoven, gedirigeerd door Eduard van Beinum. De Joodse orkestleden werden later dat jaar door het nationaalsocialistische Departement Volksvoorlichting en Kunsten gedwongen ontslagen omwille van de zogenaamde arisering. Mengelberg kreeg bij Seyss-Inquart voor elkaar drie Joodse strijkers voorlopig in dienst te houden. Dit was een selectie van musici "met een niet al te Joods uiterlijk". Door het contracteren van de "goede Duitser" Eugen Jochum in 1941-1943 wist men minder gewenste Duitse dirigenten buiten de deur te houden.

Mengelberg werd na de bevrijding geschorst: hij zou zich te pro-Duits hebben opgesteld. Hij stierf in 1951 in eenzaamheid in zijn Zwitserse buitenhuis, de Chasa Mengelberg in Graubünden. Het orkest pakte de draad snel weer op met Van Beinum als nieuwe chef-dirigent.

Veertien van de zeventien ontslagen orkestleden overleefden de oorlog. In 2020 werden de betreffende musici postuum geëerd in het Gedenkteken Joodse Musici in een gang achter de Grote Zaal.

Eduard van Beinum, 1945-1959 thumb|Eduard van Beinum trad na de oorlog uit de schaduw van Mengelberg. Al in 1929 trad Eduard van Beinum voor het eerst op met het orkest. In 1931 werd hij tweede dirigent, in 1938 "tweede eerste dirigent" naast Mengelberg en in 1945 chef-dirigent. In het eerste seizoen 1945-46 na de oorlog werden al meer dan honderd concerten gespeeld. Voor het eerst in vijf jaar speelde het orkest weer werken van eerder verboden componisten als Mahler, Debussy, Tsjaikovski en Mendelssohn.

De nasleep van de oorlog bleek nog voelbaar in 1951, toen de tot Duitser genaturaliseerde Nederlandse dirigent Paul van Kempen het optreden onmogelijk werd gemaakt door georganiseerde acties van de musici die mede samenhingen met onrust over wijzigingen in de bestuursstructuur: in 1951 werd het Concertgebouworkest, na langdurige strubbelingen, organisatorisch losgemaakt van Het Concertgebouw NV en ondergebracht in de Nederlandse Orkest Stichting. De eerste plannen voor deze fundamentele splitsing dateerden al uit het einde van de 19e eeuw.

In 1956 werd het 25-jarig jubileum van Van Beinum gevierd. Hij heeft de symfonieën van Bruckner geïntroduceerd in het vaste repertoire, maar voerde ook veel Franse muziek uit. Ook maakte hij in 1954, samen met Rafael Kubelík, de eerste Amerikaanse tournee, die veel bijdroeg tot de wereldfaam van het orkest. Tijdens de periode-Van Beinum was niet alleen Kubelík (1949-1955), maar ook George Szell (1958-1961) vast verbonden aan het Concertgebouworkest. Als gastdirigenten keerden Bruno Walter, Erich Kleiber, Otto Klemperer en Josef Krips regelmatig terug. 'Tweede dirigent' waren achtereenvolgens Hein Jordans, Henri Arends en Jan Brussen.

De veeleisende Szell was niet gelukkig met het gebrek aan concentratie en discipline dat hij bij de orkestleden constateerde. Ook Van Beinum had bij repetities weleens moeite de aandacht van de musici vast te houden. Zij droegen hem overigens op handen en zetten zich bij de uitvoeringen maximaal in. Van Beinum, die al geruime tijd hartpatiënt was, stierf in 1959 in de Grote Zaal terwijl hij de Eerste symfonie van Brahms repeteerde met het orkest.

Bernard Haitink en Eugen Jochum, 1961-1963 thumb|De jonge Haitink repeteert in 1960 Na de dood van Van Beinum werden twee chef-dirigenten benoemd: Bernard Haitink en Eugen Jochum, omdat het orkestbestuur vond dat een risico werd genomen met de benoeming van de nog jonge Haitink. Een ervaren collega naast hem zou een betere balans opleveren. In 1961 maakte het orkest opnieuw een tournee door de Verenigde Staten. In 1962, het 75-jarig jubileum van het orkest, werd wederom een tour gemaakt, deze keer in Japan. Traditiegetrouw speelden de werken van Mahler een centrale rol.

Bernard Haitink, 1963-1988 Vanaf 1963 leidde Haitink als enige hoofddirigent het orkest. Als assistent-dirigenten waren achtereenvolgens Peter Erös, Edo de Waart, Hans Vonk, Willem Frederik Bon en Ed Spanjaard werkzaam. Buitenlandse gastdirigenten met wie het orkest een bijzondere band had, deels al sinds de periode-Van Beinum, waren Josef Krips, Antal Doráti, Carlo Maria Giulini en Colin Davis. Zij maakten ook opnamen met het orkest.

Haitink bouwde de internationale vermaardheid van het Concertgebouworkest flink uit, mede door vele plaatopnamen en buitenlandse tournees. Het repertoire was uitgebreid en gevarieerd; ook de eigentijdse muziek ontbrak niet. Net als Van Beinum toonde Haitink een bijzondere affiniteit met Franse muziek van onder anderen Debussy en Ravel. Daarnaast was de reputatie van het Concertgebouworkest voor een groot deel gebaseerd op vertolkingen van de muziek van de grote meesters van de Duits-Oostenrijkse school uit de classicistische en vooral romantische periodes (Beethoven, Schubert, Brahms, Bruckner, Mahler, Strauss).