Jethro Tull is een Britse progressieve-rockband uit Luton, opgericht in 1967 rond de Schotse voorman Ian Anderson. Hun muziek is herkenbaar aan de opmerkelijke zangstijl en het unieke dwarsfluitwerk van Anderson, aan de ongewone en vaak complexe liedconstructies en aan de intelligente teksten.
Stijl Hun muziek, gestart als blues met een experimentele inslag, heeft onomstotelijk invloeden van klassieke muziek, hardrock en jazz, alsmede Aziatische en Keltische folkmuziek. Hierdoor is het zeer moeilijk andere muzikanten aan te wijzen die soortgelijke muziek maken. Meer dan andere rockbands onderscheidt hun muziek zich van de overige rockmuziek.
Opvallend kenmerk van Jethro Tull is dat voorman Anderson bijna alleen akoestische instrumenten speelt: de "un-plugged guy in a medium to heavy rockband". Hij speelt voornamelijk dwarsfluit en akoestische gitaar. "Mijn rol in het leven was altijd om een akoestische muzikant te zijn, maar de afgelopen 38 jaar heb ik nogal lawaaiige vrienden!"
Anderson schrijft het verschil tussen hun muziek en dat van andere progrockbands onder meer toe aan Jethro Tulls afkeer van drugs: "Ik kan het veilig zeggen: Ik haat hippies, oké? En ik haat psychedelische muziek en ik haat alles wat te maken heeft met drugs. Jethro Tull heeft zich daar nooit mee ingelaten."
Terwijl andere bands hen in de beginjaren nog beïnvloedden, ontwikkelden ze snel een unieke, altijd herkenbare sound.
Min of meer bewust kiest Anderson ervoor om in de slipstream van de popwereld te blijven. Een beetje in de luwte maar altijd aanwezig, zou de band volgens hem artistiek op de been houden. Over het algemeen kreeg de band door de jaren heen vaak overweldigend goede kritieken. Ze staan bekend als excentriekelingen, topmuzikanten en mensen met humor. Ian Anderson laat via zijn teksten weten dat hij een taalalchemist is en doet daar verbaal tijdens zijn concerten nog een schepje bovenop.
Citaten van Anderson over de identiteit van Jethro Tull:
"We kunnen geen heavy riff band zijn, want Led Zeppelin is de beste ter wereld. We kunnen geen blues-influenced R&B rock 'n' roll band zijn, want The Rolling Stones zijn de beste ter wereld. We kunnen geen slightly sort of airy-fairy mystical sci-fi synthesizing abstract freak-out band zijn, want Pink Floyd is de beste ter wereld. Dus wat is er over? Precies, dat is wat we altijd gedaan hebben: Wij bouwen de bruggen en vullen de gaten."
"We zijn door de jaren heen door iedereen al in elk genre ingedeeld. We begonnen als een little old blues band, werden een bluesrockband, en een progressieve-rockband; een hardrockband; een heavymetalband waar we zelfs eens een Grammy voor wonnen. Artrock, folkrock; alle soorten fucking rock dichtten ze ons toe, echt waar... Hoe je het ook wilt noemen, het is best leuk om te doen hoor."
Huidige bezetting thumb|500px|Jethro Tull in 2007; in de achtergrond het Neue Philharmonie Frankfurt, vooraan (v.l.n.r.): John O’Hara (keyboards), David Goodier (basgitaar), Martin Barre (elektrische gitaar), Ian Anderson (dwarsfluit), Doane Perry (drums)
Ian Anderson – onder andere zang, dwarsfluit, akoestische gitaar, mondharmonica, bansuri en mandoline Joe Parrish– elektrische en akoestische gitaar David Goodier – basgitaar en glockenspiel John O'Hara – keyboards en accordeon Scott Hammond – drums Anna Phoebe – viool Ryan O'Donnell – zang en mime
Sinds 2012 toert Anderson met Thick as a Brick 1 en 2 over de wereld onder de noemer Ian Anderson's Jethro Tull.
Bandleden/bezetting
Tijdlijn
Geschiedenis Beginjaren Ian Andersons eerste band, 1963 te Blackpool, heette The Blades. Deze band was rond 1966 veranderd in een zevenkoppige white soul-band John Evan Band geheten (later The John Evan Smash), vernoemd naar pianist annex drummer John Evans, die de 's' wegliet om het minder gewoon te laten klinken. Op dit punt was Barriemore Barlow de drummer van de band. Zowel Evan als Barlow zouden later terugkeren in Jethro Tull. Hoe dan ook, na de verhuizing van de band naar Londen verlieten de meeste bandleden de band en ze lieten Anderson en bassist Glenn Cornick achter, die de krachten bundelden met bluesgitarist Mick Abrahams en zijn vriend, drummer Clive Bunker, beiden van de band McGregor's Engine. In het begin hadden ze problemen om herhaaldelijk geboekt te worden en wisselden daardoor frequent van bandnaam (onder andere Navy Blue, Ian Henderson's Bag 'o Blues, en het suïcidale Candy Coloured Rain waarmee je zelfs in de hippietijd niet serieus genomen werd) om in het clubcircuit van Londen te kunnen blijven spelen. Meestal werden de namen aangedragen door hun boekingsagent.
Een van hen, een geschiedenisenthousiasteling, kwam op de proppen met de naam Jethro Tull, de naam van een 18e-eeuwse landbouwpionier die de zaaimachine uitgevonden heeft.Discussions Magazine, An exclusive interview with Jethro Tull’s Ian Anderson, door Stephen Spaz Schnee. Gearchiveerd op 7 september 2018. Deze naam hebben ze uiteindelijk gehouden om het simpele feit dat tijdens het optreden waar ze deze naam voor het eerst gebruikten, de clubmanager John Gee van The Marquee Club hun show goed vond en hen uitnodigde terug te komen. Hij heeft, samen met John Peel en Brian Matthew van BBC Radio ervoor gezorgd dat Jethro Tull op grotere podia in Engeland kwam. Door hun toedoen traden ze op in Hyde Park, en het Sunburry Jazz and Blues Festival, waar ze door het grote publiek ontdekt werden.
Toen Anderson gevraagd werd wat hij graag wilde als hij één ding uit het verleden kon veranderen, antwoordde hij: "De Jethro in Jethro Tull. Norman, Julien, Damon – alles behalve het bloody J-word" "Het is niet grappig als je een band start en er na een tijdje achter komt dat je hem vernoemd hebt naar een dode kerel. Maar het had erger gekund. Als ik per ongeluk Robin Hood of Adolf Hitler gekozen had, bijvoorbeeld. Misschien als ik beter had opgelet bij geschiedenislessen, dan was dit niet gebeurd."
Na een onsuccesvolle single (een door Abrahams geschreven popliedje genoemd Sunshine Day, waarop de bandnaam fout gespeld Jethro Toe stond, wat het een collectorsitem maakt) brachten ze het bluesy album This Was uit in 1968, voorzien van muziek geschreven door zowel Anderson als Abrahams. Het traditionele arrangement Cat's Squirrel, was het hoogtepunt van Abrahams' blues-rock-stijl. Het Rahsaan Roland Kirk-gecoverde jazzstuk Serenade To A Cuckoo gaf Anderson een showcase voor zijn groeiende talenten als fluitist.
Na dit album verliet Abrahams de band (om een eigen band Blodwyn Pig te vormen). Er waren meerdere redenen voor zijn afscheid: hij was een bluespurist, terwijl Anderson andere muzikale wegen wilde inslaan; Abrahams en Cornick konden het niet goed samen vinden en Abrahams wilde geen internationale reizen maken of meer dan drie avonden per week optreden, terwijl de anderen succesvol wilden worden door zo veel mogelijk te spelen en een internationale schare fans op te bouwen. In zijn plaats koos Anderson voor Tony Iommi van Black Sabbath. Iommi voelde zich echter oncomfortabel en besloot al na een korte periode de band te verlaten. Wel bleef hij aan tot het optreden in The Rolling Stones Rock And Roll Circus. (In dat programma, waar de band A Song For Jeffrey speelde, was alleen Andersons zang en fluit live; de andere muziek was van een backing tape.) Iommi werd vervangen door voormalig Motivation-, Penny Peeps- en Gethsemane-lid Martin Barre, die Anderson bovenal imponeerde met zijn volharding, meer dan al het andere: hij was zo nerveus bij zijn eerste auditie dat hij überhaupt amper kon spelen, en toch kwam hij terug voor een tweede auditie, zonder een kabel om zijn gitaar te verbinden met de versterker. Desondanks zou Barre het langstblijvende bandlid zijn na Anderson.
Progressieve rock Deze nieuwe formatie bracht in 1969 Stand Up uit, het enige album van de band dat plaats 1 in de Britse hitlijst bereikte. Het was compleet door Anderson geschreven, met de uitzondering van het jazzy re-arrangement van Bachs Bourée en het ontwikkelde zich verder van de bluesrichting naar het in opkomst zijnde genre progressieve rock. Stand Up klinkt, instrumentaal gezien, een beetje als een jazzbezweemd vroeg Led Zeppelin-album, met een heavy en redelijk donker geluid. De single Living in the Past van hetzelfde jaar bereikte de derde plaats in de Britse charts. Hoewel de meeste andere progressieve bands bewust weigerden singles te maken in die tijd, had Jethro Tull ook succes met andere singles, Sweet Dream (1969), The Witches' Promise (1970), en een 5 track-ep (een maxi-single van ruim een kwartier) Life Is A Long Song (1971), die alle in de top 20 kwamen.
In 1970 kwam keyboardspeler John Evan de band versterken (formeel was hij een gastmuzikant op dit moment) en bracht de band het album Benefit uit waarop Anderson zijn kwaliteiten uitbreidde in de studio- en opnametechnieken, alsmede zijn compositionele vaardigheden. Dit was het eerste album van Jethro Tull dat de grens van 1 miljoen verkochte platen doorbrak.
In 2004 is een cd van een concert uit 1970 uitgebracht: Nothing Is Easy: Live at the Isle of Wight 1970, en begin 2005 een dvd met dezelfde titel. Deze bevat een gedeelte van het concert, maar is in feite een documentaire.
Bassist Cornick verliet de band na Benefit en werd vervangen door Jeffrey Hammond-Hammond, een jeugdvriend van Anderson wiens naam al voorkwam in de nummers A Song for Jeffrey, Jeffrey Goes to Leicester Square, en For Michael Collins, Jeffrey, and Me. Jeffrey werd vaak vermeld op Jethro Tull-albums als Jeffrey Hammond-Hammond, maar de extra 'Hammond' was vals.
Deze formatie bracht Jethro Tulls bekendste werk Aqualung uit in 1971, waar er twaalf miljoen van zijn verkocht. Het album is een combinatie van hardrockmuziek, draaiend rond thema's zoals sociaal verstotenen en georganiseerde religie en wat lichtere akoestische stukken over de wereldse dingen uit het leven van alledag, zoals het liefdesliedje Wond'ring Aloud. Aqualung wordt aanbeden en gehaat tegelijk, maar het titelnummer en Locomotive Breath worden nog regelmatig op de radio gedraaid.
De reden waarom het album gehaat wordt, zijn Andersons teksten die een vernietigende opinie op religie en de maatschappij geven. Het personage Aqualung uit het titelnummer is een alcoholistische pedofiele zwerver, en het personage uit het nummer Cross-Eyed Mary is een onvolwassen prostituee. My God, Hymn 43 en Wind-Up zijn een frontale aanval op religieuze buitensporigheid, zoals: "People - what have you done - locked Him in His golden cage. Made Him bend to your religion - Him resurrected from the grave. He is the God of nothing - if that's all that you can see."; "If Jesus saves - well, He'd better save Himself from the gory glory seekers who use His name in death."
Drummer Clive Bunker werd begin 1971 vervangen door Barriemore Barlow, volgens John Bonham "de grootste rockdrummer die Engeland ooit voortgebracht heeft" en wiens speelstijl als muzikale geometrie wordt omschreven; hij nam eerst samen met de band de ep Life Is A Long Song op en maakte zijn albumdebuut met Jethro Tull in 1972 op Thick as a Brick. Dit was een conceptalbum gewikkeld in een (zelfgemaakte) krant, bestaande uit één nummer gesplitst in twee delen over beide zijden van de lp, met een aantal samengesmolten movements en een centraal thema naar een gedicht van het fictieve jongetje Gerald Bostock, bijgenaamd Little Milton. Het eerste movement met zijn onderscheidende akoestische gitaarriff werd redelijk veel gedraaid op de radio en ook nu wordt het weleens gedraaid als zeldzaam muziekstuk. Thick as a Brick was het eerste Jethro Tull-album dat de eerste plaats in de Amerikaanse Billboard Pop Albums-lijst bereikte (het jaar erna bereikte A Passion Play als enige andere album diezelfde plaats. Beide albums bestonden uit één nummer van ongeveer 45 minuten lang). Dit kwintet – Anderson, Barre, Evan, Hammond en Barlow – was een van de geliefdste Jethro Tull-bezettingen en bleef samen tot 1975.