Antoon van Dyck (Antwerpen, 22 maart 1599 – Londen, 9 december 1641) was een Vlaamse barokschilder en prentmaker uit de Antwerpse School.

Levensloop Geboorte en jeugd miniatuur|Geboortehuis Antoon van Dyck bij de Grote Markt in Antwerpen|links|300x300px

Van Dyck werd op 22 maart 1599 geboren in 'Den Berendans' achter de huidige Grote Markt in Antwerpen.GIDSENVERENIGING ANTWERPEN. Antwerpen, door het oog van de stadsgidsen. De leukste plekjes, de strafste verhalen, Davidsfonds, Leuven, 2012, p. 202-203. Dit boek is het eerste deel van een reeks van zes stadsmonografieën. Een dag later werd hij gedoopt in de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal (als Anthonis van Dijck). Hij was het zevende kind van twaalf van de rijke textielhandelaar Franchois "Frans" van Dijck, en diens tweede vrouw Maria Cuypers. Het gezin bestond uit vier jongens en acht meisjes, drie stierven er jong. Op volgorde van geboorte: Catharina Maria Cornelia II – begijn Franchois II Antoon – schilder Susanna – begijn, voogd van Antoons dochter Maria-Theresia Anna – begijn, non Theodoor – norbertijner kanunnik en priester van de abdij te Minderhout Elisabeth 'Isabella' – begijn

Het gezin verhuisde in 1599 van de Grote Markt naar de Korte Nieuwstraat, eerst naar 'Het Kastel van Rijssel' op nummer 42, later op 7 maart 1607 werd ook het belendende pand op nummer 46, 'De Stadt van Gendt', gekocht. Antoons moeder stierf echter een maand later, op 17 april 1607. Vanaf december 1610 waren er problemen, een privéaangelegenheid: de Hondschootse Jacobmyne de Kueck moest uit de stad worden verbannen, na ruiten te hebben ingegooid en vader Frans te hebben bedreigd met de dood. Antoons oudere zusters Catharina en Maria waren getrouwd in respectievelijk 1610 en 1615, en vanaf de zomer van 1615 gingen Frans' zaken minder goed. Zijn schoonzonen daagden hem in juli 1615 voor het gerecht. Zijn boedel werd geïnventariseerd en verkocht. Antoon ging tegen zijn zwagers in het verweer. De florerende handelaarsfamilie was een moederloos gezin met serieuze problemen geworden. Mogelijk waren de gezinsleden niet langer 'sociaal aantrekkelijke kandidaten op de Antwerpse huwelijksmarkt' en stelden daarom de jongere kinderen zich in dienst van de kerk. De ouderlijke woning, 'De Stadt van Gendt', werd op 20 mei 1620 gedwongen verkocht. Rond 1620 was het gezin van vader Frans 'sociaal gestigmatiseerd' en alleen Antoon kon de goede naam van de familie redden.

Opleiding en Antwerpen (1609–'20) miniatuur|Pieter Paul Rubens – Portret van Antoon van Dyck (1627–'28)

Reeds vroeg kwam zijn talent om te tekenen tot uiting. Als tienjarige jongen ging Antoon in 1609 in de leer bij Hendrik van Balen, kunstschilder en opperdeken van het Sint Lucasgilde. Van Balen had zijn atelier in het huis 'Den Wildeman' en samen met Justus Sustermans leerde Antoon hier het vak. Gewoonlijk duurde een scholing drie tot vier jaar. Antoons vroegste portret, een zeventigjarige man, dateert van 1613, toen hij veertien jaar was. Op vijftien of zestienjarige leeftijd schilderde hij zijn eerste zelfportret. Op 11 februari 1615 werd hij opgenomen in de Liggeren als een onafhankelijk kunstschilder bij de Antwerpse Sint-Lucasgilde, en datzelfde jaar begon hij een eigen werkplaats in 'Den Dom van Ceulen' aan de Lange Minderbroederstraat (Mutsaertstraat) met 'knechten'. Herman Servaes was er zijn een jaar oudere medewerker.

Al voor 1617 werkten van Dyck en de prominentste schilder van Antwerpen, Pieter Paul Rubens, samen aan een project, en in de loop van 1617 werd van Dyck een van de favoriete leerlingen bij het atelier van Rubens, naast Jacob Jordaens en nog enkele anderen. Rubens had in zijn atelier liever vaardige medewerkers, die elders het vak al hadden geleerd. In februari 1618 kreeg Antoon officieel de titel 'meesterschilder' bij de Sint-Lucasgilde. Dus hij was al voor zijn meesterschap in Rubens' atelier actief. Van Rubens als leermeester kon van Dyck veel opsteken: Rubens kende Latijn, had 'voorbeeldige omgangsvormen' geleerd, was als alom gerespecteerd historieschilder uit Italië teruggekeerd, was intellectueel veelzijdig en had een diepgaande kennis van de kunst en literatuur van de Oudheid. Via Rubens kreeg Van Dyck toegang tot een internationaal circuit van kunstliefhebbers. Hij voerde Rubens' ontwerpen met de geschiedenis van de Romein Decius Mus uit in 'tapijtkartons'. In 1620 kreeg Rubens de opdracht het plafond te decoreren van de jezuïeten kerk Sint-Carolus Borromeus en van Dyck kreeg de leiding over het team van uitvoerders. Van Dyck bezat een uitzonderlijke werkkracht. Omstreeks 1620 wist van Dyck Rubens op technisch vlak te evenaren. De dominante sociale en artistieke positie van Rubens in Antwerpen, een stad die zich in een periode van economische achteruitgang bevond, verklaart wellicht waarom van Dyck een groot deel van zijn carrière in Engeland en Italië verbleef.

Een jonge vrouw, van wie verder weinig bekend is, schonk hem in deze vroege Antwerpse periode rond 1621 een dochter, Maria-Theresia.

Hij reisde van november 1620 tot februari 1621 voor het eerst naar Engeland, op aansporing van George Villiers, de hertog van Buckingham, maar werd toen nog niet voorgesteld aan koning Jacobus I en keerde nadien terug naar de Nederlanden.

Italië (1621–'25) miniatuur|Teresa Sampsonia, Lady Shirley, in Rome (1622), National Trust, Petworth House. Een voorbeeld van een portret met een typisch glacis van warm transparant bruin, dat later "Van Dyck-bruin" zou worden genoemd, hoewel meesters als Rubens het voordien ook al gebruikten; een andere naam voor het pigment is "kasselse aarde".

In 1621 ging hij naar Italië. Op weg naar Italië laste van Dyck een tussenstop in Zaventem in waar hij twee doeken schilderde voor de Sint-Martinuskerk. Een verhaal gaat dat van Dyck in Zaventem halsoverkop verliefd werd op een herbergiersdochter en dat Rubens weken later een bericht kreeg uit Italië om te vragen waar van Dyck bleef, waarop Rubens naar Zaventem afreisde om van Dyck de weg naar Italië te wijzen.

Uiteindelijk vertrok hij in oktober 1621 naar Italië, waar hij zes jaar verbleef. Hier bestudeerde hij de beroemde Italiaanse schilders uit de renaissance, vooral Titiaan, voor wie hij een grote bewondering koesterde. Deze studie gaf hem de basis voor zijn succesvolle carrière als portretschilder. Van Dyck had, in tegenstelling tot Rubens, weinig belangstelling voor de antieke kunst, dat blijkt uit zijn 'Italiaanse schetsboek'. 'Hij was geen erudiet schilder in de renaissancistische traditie' en stelde zich niet voor de hele kunstgeschiedenis open.

De woning in Genua van de broers Cornelis en Lucas de Wael, zonen van de Antwerpse kunstschilder Jan de Wael, was van Dycks thuishaven tijdens zijn verblijf in Italië, alhoewel hij ook vaak naar andere steden reisde; o.a. Rome, Milaan, Venetië, Padua, Mantua, Bologna, Turijn, Florence en Palermo.

In Rome schilderde van Dyck meerdere portretten: de portretten van Robert Shirley en diens vrouw Teresa Sampsonia (1622); het portret van kardinaal Maffeo Barbarini (1623), die een paar maanden erna paus Urbanus VIII (1568–1644) zou worden; het portret van George Gage, de gezant van koning Jacobus I; het portret van kardinaal Guido Bentivoglio (1623), een 'beschermer van de Vlaamse kolonie in Rome'. De Vlaamse schilders in Rome waren niet over van Dyck te spreken. Ze vonden hem te trots.

Hij werd door onderkoning Emanuel Filibert van Savoye in Palermo op Sicilië uitgenodigd. Hij bezocht de bejaarde portretschilderes Sofonisba Anguissola. De uitbraak van een pestepidemie noodzaakte hem naar Genua terug te keren. Hij maakte in later in Genua een schilderij af, waarvoor hij in Palermo de opdracht had gekregen: De Madonna van de Rozenkrans (Oratorio del Rosario).

Hij verliet Italië in 1625 en vertrok met verschillende tussenstops door Frankrijk terug naar Antwerpen.

Lage Landen (1627–'32) Hij keerde in 1627 terug naar Antwerpen, z'n zuster Cornelia was kort daarvoor in september 1627 overleden. Van Dyck maakte zelf zijn testament en trad toe tot de 'Sodaliteit van de bejaerde Jongmans', een lekenbroederschap, gesticht door de jezuïeten. Hij werd hofschilder van aartshertogin Isabella en schilderde haar portret in 1628. De aristocraten van haar 'sobere' hof gaven hem portretopdrachten: d'Arenberg, de Ligne, Huis Croÿ, Ferdinand van Boisschot en Huis van Tassis. Hij schilderde gedurende de vijf jaren in Antwerpen een groot aantal meesterstukken, waaronder de portretten van Marie-Louise van Tassis en de eenarmige landschapschilder Marten Rijckaert. Hij was heel charmant tegenover zijn opdrachtgevers en net als Rubens wist hij zich met gemak te bewegen in aristocratische kringen.

Van Dyck ging twee keer naar de Verenigde Provinciën, die in oorlog waren met de Zuidelijke Nederlanden. Hij schilderde in Den Haag de portretten de Oranjes: prins Frederik Hendrik, zijn vrouw Amalia van Solms en hun zoon Willem II. Voor de prins schilderde hij Amaryllis en Mirtillo en Rinaldo en Armida. Van Dyck kreeg goed betaald en legde zelf ook een mooie collectie schilderijen aan, waaronder werken van Titiaan.

Engeland (1632–'40) miniatuur|links|Karel I en Henriëtta Maria met de twee oudste kinderen, Prins Karel II en Prinses Maria Henriëtte Stuart (1632)

Zijn reputatie kwam koning Karel I van Engeland (1600–'49) ter ore, die hem naar Engeland haalde, waar hij in korte tijd erg beroemd werd. De koning kon Van Dyck goed gebruiken voor de uitbeelding en promotie van zijn visie op absoluut koningschap. Op 5 juli 1632 werd hij geridderd (net als Rubens in 1630) waarbij hij de Engelse titel sir ontving. In 1633 werd hij benoemd tot hofschilder van de koning. In april 1633 kreeg hij van de koning een gouden ketting met een medaille. Hij kreeg (in theorie) een jaarsalaris van £200, een honorarium voor portretten van de koninklijke familie, een eigen huis met atelier in Blackfriars (tegenwoordig een wijk van Londen), en mocht gebruikmaken van Eltham Palace. In de praktijk werd op veel van zijn schilderijen door de koning afgedongen en werd vijf jaren de betaling van zijn 'pension' niet betaald.

Hij kwam in contact met de groep katholieke hovelingen rondom de koningin, waaronder Kenelm Digby en Endymion Porter, die hem ondersteunden als mecenas. Porter behoorde tot de entourage van George Villiers, de hertog van Buckingham, en hield zich vooral met diens kunstverzameling bezig. Hij was ook Gentleman van de King's Bedchamber, ofwel hofheer van Karel I. Porter en van Dyck ontmoetten elkaar voor het eerst in 1620, tijdens van Dycks korte verblijf in Londen, toen Villiers De grootmoedigheid van Scipio kocht. Al in 1630 had Endymion Porter voor Karel I Rinaldo en Armida voor £78 verworven, vermoedelijk de allereerste van Dyck in de Engelse koninklijke collectie. Volgens de overlevering zou de koning door dit schilderij op het idee zijn gebracht de schilder aan zijn hof te werk te stellen. Ook Rubens en Orazio Gentileschi behoorden tot Porters vriendenkring. Van Dyck schilderde een dubbelportret van Porter en zichzelf, mogelijk in 1635. Ze scheelden dertien jaar in leeftijd.

miniatuur|Mary Ruthven (ca. 1637), Museo Nacional del Prado

Hij schilderde portretten van Karel I, koningin Henriëtta, de groep prinsen en prinsessen, van zichzelf, van zijn maîtresse Margaret Lemon, van de schilders Andries van Eertvelt, Theodoor Rombouts en van vele anderen. Een van zijn belangrijkste opdrachtgevers was de vierde graaf van Pembroke. Ook werden de graaf van Arundel, de tiende graaf van Northumberland, Lord Philip Wharton en Thomas Wentworth, graaf van Strafford (raadslid van de koning) geportretteerd.