thumb|Hoofdgebouw van kasteel Shuri Het koninkrijk Riukiu (Japans: 琉球王国, Ryūkyū Ōkoku; Riukiaans: 琉球国, Ruuchuu-kuku; Chinees: 琉球國 / 琉球国, Hanyu pinyin: Liúqiú Guó) was een semi-onafhankelijk koninkrijk dat van de 14e tot de 19e eeuw regeerde over het grootste deel van de Riukiu-eilanden. De koningen van Riukiu verenigden het eiland Okinawa. Het koninkrijk strekte zich uit tot de Amami-eilanden, de Miyako-eilanden en de Yaeyama-eilanden en was schatplichtig aan China. Door handel met China nam de welvaart op de eilanden toe. De bevolking handelde ook met Japan, het Koreaans Schiereiland, Siam, Malakka en Luzon. Het koninkrijk werd in 1879 tijdens de Meiji-restauratie opgeheven en door Japan geannexeerd als de prefectuur Okinawa; enige jaren eerder was het al een Japanse vazalstaat geworden.
Voorgeschiedenis De eerste vermelding van een heersende dynastie in de historische annalen van de Riukiu was de Tenson-dynastie (天孫王朝). Deze dynastie zou van goddelijke oorsprong zijn geweest, en gedurende 17.000 jaar geregeerd hebben over de eilandengroep. In werkelijkheid bestonden de eilanden uit een reeks stammenrijkjes onder leiding van een stamhoofd, aji of anji die met elkaar om de macht wedijverden.
De Tenson-dynastie diende vooral om de autoriteit te legitimeren van latere monarchen, maar ook om de ongeschreven geschiedenis te verklaren. De Chinese opvatting van het Hemels Mandaat was ook op de archipel doorgedrongen en door de val van de Tenson Dynastie voor de eigen geschiedenis te plaatsen kon men zich dit mandaat toe-eigenen.
Shunten-dynastie Naarmate de Japanse invloed toenam, met vanaf de 13e eeuw regelmatig contact tussen Zuid-Kyushu en de Riukiu-eilanden, veranderde ook de opvatting over het “goddelijke recht”. Zolang de macht werd uitgeoefend door eenzelfde familie van goddelijke oorsprong, bleef ook het mandaat behouden. Dit reflecteerde zich in de oorsprong van de eerste koning, Shunten (舜天; ca.1166-ca.1237), wiens afkomst volgens de kronieken terug zou gaan op Minamoto no Tametomo (源為朝), een lid van de Japanse keizerlijke familie.
Shunten, aji (heerser) van Urasoe (浦添) nabij Shuri (首里), kon zich op het einde van de 12e eeuw meester maken van het centrale deel van het hoofdeiland Okinawa. In deze periode werd onder meer het Japanse kana-schrift ingevoerd, en het eerste kasteel Shuri geconstrueerd. De "dynastie" van Shunten was echter geen lang leven beschoren, en werd in 1260 opgevolgd door een nieuwe, gesticht door Eiso (英祖).
Sanzan-periode De periode tussen 1322 en 1429 staat bekend als de Sanzan-periode (三山時代), of de Periode van de “Drie Bergen”. Deze term wordt gebruikt om te verwijzen naar de drie rivaliserende vorstendommen van die tijd, het resultaat van een geleidelijke concentratie van de macht in het centrale, noord-en zuidelijke deel van de archipel. Daarom wordt ook naar de koninkrijken gerefereerd als Nanzan (南山, Zuidelijke Berg), Chūzan (中山, Midden Berg) en Hokuzan (北山, Noordelijke Berg).
In 1349 wordt de door Eiso gestichte dynastie van de Midden Berg van de troon gestoten door Satto (察度), aji van Urasoe. Hij stuurde in 1372 als eerste tribuut naar keizer Hongwu van de nieuwe Ming-dynastie, wat zijn status aanzienlijk vergrootte. Dit zette de Noordelijke en Zuidelijke Berg ertoe aan het voorbeeld van Satto te volgen.
Koninkrijk Riukiu Stichting koninkrijk Riukiu De drie Sanzan koninkrijken bestonden ongeveer 100 jaar, totdat de heerser van Chuzan, Shohashi (尚巴志; reg. 1422-1439), in 1416 eerst Hokuzan en vervolgens in 1429 Nanzan annexeerde en zo heerser werd over de hele Riukiu-eilanden. In 1430 kreeg Shohashi de titel “Sho” (尚) van de Chinese keizer Xuande, waarmee later naar de dynastie zal worden verwezen. Met de eenmaking van de archipel trad het nieuwe koninkrijk een bloeiperiode in die zou duren tot de tweede helft van de 16e eeuw.
Shohashi vestigde de hoofdstad in Shuri, wat traditioneel ook de machtsbasis was geweest van Chuzan, en breidde ook het kasteel Shuri uit. In Naha (那覇) werd de haven uitgebouwd om de groei van de handel te ondersteunen. Het bestuur van het koninkrijk werd gebaseerd op de hiërarchische structuur van de Ming, zodat onder andere ceremonies, de kledingstijl aan het hof en de jaartelling het Chinese voorbeeld volgden. Ambtenaren werden ook in de confucianistische traditie opgeleid, uit Japan werden dan weer heel wat culturele elementen zoals het boeddhisme overgenomen.
In 1469 stierf koning Sho Toku (尚徳) zonder opvolger, waarop een troonpretendent die beweerde Toku's geadopteerde zoon te zijn de macht greep en de Tweede Sho-dynastie startte. Het hoogtepunt van het koninkrijk vond plaats tijdens het bewind van Sho Shin (尚真), die heerste van 1478 tot 1526.
Tribuutrelatie China Sinds in 1372 het eerste gezantschap van de Ming Okinawa had bezocht, begon er zich tussen de eilandengroep en China een sterke tribuutrelatie te ontwikkelen. In ruil voor de erkenning van de Chinese culturele suprematie (dit door een eed van trouw van de koning tegenover de Chinese keizer), kreeg het Koninkrijk Riukiu toegang tot handel met China, wat van groot belang was voor de rol die het zou gaan spelen bij de Aziatische handel.
Daarnaast kon het vorstenhuis zich door de tribuutrelatie legitimeren als onafhankelijke natie onder Chinese hegemonie, zolang de Riukiu zich maar schikte naar het Chinese ethische en culturele voorbeeld.
Via China kon men ook in constant contact met het Aziatische vasteland blijven. Studenten werden uitgestuurd met tribuutmissies om geschoold te worden in de Chinese Klassieken en geschiedschrijving, en speelden een belangrijke rol bij het uitdragen van het Chinese ideeëngoed en het onderhouden van handelsrelaties. Ze vormden een elite en belandden na hun studies vaak in de hoogste overheidsfuncties.
Aziatische handel Naast tribuutrelaties met de Chinese Ming en Qing dynastieën, ontwikkelde het koninkrijk Riukiu handelsrelaties met landen als Japan, Korea, Siam, Pattani, Malakka, Champa, Hué en Java. Hierdoor werd het koninkrijk tussen de 15e en 16e eeuw de voornaamste draaischijf voor de Oost-Aziatische handel en trad op als tussenpersoon bij de handel daar het zelf niet over grondstoffen beschikte. Het resultaat van de handel was een sterke toename van de welvaart op de eilanden.
Japanse zwaarden, zilver, waaiers, wandschermen en lakwerk, Koreaanse ambachtsproducten, Chinese medische kruiden, munten, ceramiek en textiel werden in de havens van het koninkrijk verhandeld tegen Zuidoost Aziatische producten zoals ivoor, hout, ijzer, tin, amber en suiker.
In totaal werden ongeveer 150 handelsexpedities ondernomen tussen de Riukiu en Zuidoost-Azië, met onder meer 61 tochten naar Siam, tien naar Malakka, tien naar Pattani en acht naar Java. Dit gebeurde toen Japanse Wako (倭寇) piraten zeer actief waren in de Aziatische wateren, maar geen enkele expeditie werd ooit aangevallen. De reden hiervoor was waarschijnlijk omdat Shohashi in 1429 met de Wako een veiligheidsgarantie was overeengekomen en er ook onderling verbanden moeten geweest zijn.
Commerciële activiteiten stagneerden rond 1570 door de opkomst van Chinese handelaars, het arriveren van Portugese en Spaanse galjoenen, en door de introductie van Japanse schepen onder “vergunning met het vermiljoenzegel” (朱印状, shuinjo).
Japanse inmenging Aanloop Hoewel Japan verschillende contacten onderhield met de Riukiu, met onder andere een bloeiende vrije handel die ontstond tijdens de Muromachi-periode, speelde Japan tot ongeveer de 17e eeuw een ondergeschikte rol in de binnenlandse aangelegenheden van de Riukiu-eilanden. Een van de redenen hiervoor was dat Zuid-Kyushu het merendeel van de contacten voor zijn rekening nam, en de eilandengroep eveneens vanaf de 14e eeuw in tribuutrelatie stond met China. Dit laatste verschafte het koningshuis een zekere legitimiteit en onafhankelijkheid.
Rond 1590 kreeg Sho Nei (尚寧), vanaf 1587 koning van het koninkrijk, echter de eis van de Japanse shogun (將軍) Toyotomi Hideyoshi (豊臣秀吉) om hem te steunen met manschappen en voorraden in zijn komende campagne tegen Korea. Hideyoshi zette het werk van Oda Nobunaga (織田 信長) verder met de eenmaking van Japan, en had verreikende ambities; het doel van de campagne was om uiteindelijk door te stoten naar het Chinese Ming rijk, en eventueel zelfs verder.
Gezien het koninkrijk Riukiu zich beschouwde als tribuutstaat van de Chinese Ming-dynastie en het neutraal stond tegenover Korea, was er een grote weerstand om direct deel te nemen aan de invasie. Het koninkrijk had niet echt een militaire rol van betekenis, en de daimyo (大名) van Satsuma (薩摩), Shimazu Yoshihisa (島津 義久) was bovendien niet gewonnen voor de oprichting van een gewapende macht in de archipel. Yoshihisa verkreeg hierdoor van Hideyoshi dat de gevraagde bijdrage van de Riukiu beperkt werd tot het voorzien van bevoorrading om een leger van ongeveer 7000 man gedurende tien maanden op de been te houden, dit tegen februari 1592.
Sho Nei had hier aanvankelijk geen oren naar en pas na een waarschuwing van Hideyoshi werden bevoorradingen met tegenzin verzonden. Een nieuwe eis voor tribuut bleef wederom onbeantwoord, waarop in totaal drie gezantschappen uit Satsuma met een boodschap van Hideyoshi het kasteel Shuri bezochten. Daar kregen ze enkel te horen van een minister dat het onmogelijk was om een dergelijk tribuut te verzamelen van een koninkrijk zo arm als de Riukiu. Het Chinese hof werd van de situatie op de hoogte gebracht, maar kwam niet tussen beiden.
Ondertussen was de Japanse invasie in Korea echter in alle hevigheid losgebarsten, zodat het dispuut met de Riukiu naar de achtergrond verschoof. Pas nadat Hideyoshi in 1598 stierf, de Japanse legers zich hadden teruggetrokken uit Korea en Tokugawa Ieyasu (徳川 家康) zich vervolgens na de Slag bij Sekigahara in 1600 meester had gemaakt van Japan, kwam de ongehoorzaamheid van het koninkrijk Riukiu terug aan de orde.
Satsuma invasie Met de oprichting van het Tokugawa-shogunaat in 1603 kwam er onder meer een belangrijke herverdeling van de feodale domeinen in Japan, met als doel de macht in te perken van de overwonnen daimyō. Satsuma, dat niet de kant van Ieyasu had gekozen tijdens de Slag bij Sekigahara, werd ver van de nieuwe hoofdstad in Edo geïsoleerd in Zuid-Kyushu zonder kans op uitbreidingsmogelijkheden. De Shimazu-familie werd een erger lot gespaard doordat Shimazu Tadatsune (島津 忠恒), de zoon van Shimazu Yoshihiro (島津 義弘), onder de naam Iehisa (家久) de nieuwe daimyo werd van Satsuma.
Vervolgens werd een boodschap verstuurd naar de Riukiu, met de raad aan Shonei om zich wijselijk te onderwerpen aan het nieuwe bestuur van Ieyasu. De koning weigerde dit echter, wat Satsuma ertoe aanzette de shogun toestemming te vragen om voor deze belediging een strafexpeditie te ondernemen tegen het koninkrijk. Dit verzoek werd toegestaan, mede omdat het volledig kosteloos was voor het shogunaat, en het als uitlaatklep kon dienen voor de gefrustreerde Satsuma-samoerai. Bovendien was stilaan de behoefte gegroeid voor een buffer aan de zuidelijke grens van Japan als middel om de handel naar Nagasaki te controleren.
Na enkele voorbereidingen stevende uiteindelijk in april 1609 een 3000 man sterk leger af op het weigerachtige koninkrijk. Weinig ervaren of geoefend, maakte de eilandengroep geen kans tegen de in de strijd geharde Satsuma samoerai. De Riukiu werden snel onder de voet gelopen, het kasteel Shuri geplunderd, en koning Shonei werd als gevangene meegenomen naar Satsuma en vervolgens naar Edo om verantwoording af te leggen voor zijn daden. Pas na drie jaar werd hij vrijgelaten, en keerde hij als een 'vazal' van Satsuma terug naar de Riukiu. De facto had het koninkrijk zijn onafhankelijkheid verloren.