De geschiedenis van Griekenland, en met name de Griekse beschaving uit de Oudheid, neemt een bijzondere plaats in voor het begrijpen van de westerse wereld. Het theater en de filosofie werden geboren in Griekenland. De Grieken bedachten een systeem, de democratie, dat nu nog dient als inspiratie. De geschiedenis van het oude Griekenland is niet beperkt tot de rivaliteit tussen Athene en Sparta. Honderden steden langs de kusten van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee verspreidden het hellenisme, de levenswijze en het denken van de Grieken. Dit artikel beoogt een overzicht te geven van de geschiedenis van Griekenland van de Oudheid tot heden.
Aegeïsche beschavingen De oudste geschiedenis komt voor ons tot leven door de resultaten van de opgravingen. Enige kennis van de Griekse mythen en verhalen moet een bezoek aan de plaatsen, waar ze zich volgens de klassieke schrijvers hebben afgespeeld, interessanter maken en verduidelijkt vaak de kijk op het heiligdom. De mythologie geeft een idee van het geloof der oude Grieken dat zeer verbonden was aan de natuur: de goden werd dank gebracht als regen de akkers laafde, hun toorn moest afgewend worden als een natuurramp dreigde. De Grieken kenden vele vruchtbaarheidsriten. Natuurkrachten werden als goden vereerd: het zonlicht als Apollo, de zee als Poseidon en Zeus als oppergod en god van de hemel, de landbouw en vruchtbaarheid als Demeter, enzovoort.
De Aegeïsche beschaving is de algemene term voor de vroege culturen in Griekenland en rond de Aegeïsche Zee.
Kreta
Vondsten op het vasteland, maar vooral op de Cycladen en op Kreta, hebben aangetoond dat er in de steentijd al een tamelijk hoogwaardige beschaving aanwezig was. Tegen het einde van het Neolithicum (jonge steentijd), ongeveer 3000 v.Chr., kwam een nieuw mediterraan volk naar Kreta dat verwantschap vertoonde met de volken van Klein-Azië en Egypte. Deze nieuwkomers zullen zich vermengd hebben met de vroegere eilandbewoners. Zij ontwikkelden zich tot goede zeevaarders en handelslieden maar ook tot een kunstzinnig en vredelievend volk dat een grote liefde had voor de natuur en een zorgeloos leven leidde.
Hun gracieuze kunstvoorwerpen stralen zin voor kleur, fantasie en beweging uit. In hun paleizen tonen zij zich geniale bouwmeesters. De Minoïsche cultuur -genoemd naar de legendarische koning Minos- met een volkomen eigen karakter begint rond 2600 v.Chr. en beleeft zijn hoogste bloei tussen 1600 en 1400 v.Chr..
De Minoïsche beschaving heeft invloed uitgeoefend op (en ook ondergaan van!) de landen rond de Middellandse Zee. Het verhaal van Theseus en de Minotaurus lijkt te wijzen op onderdanigheid van Athene aan de zeemacht van Kreta. Omstreeks 1400 v.Chr. luidde een vulkaanexplosie op het eiland Thera (of Santoríni) het einde in van de Minoïsche beschaving. De Achaeërs, die zich waarschijnlijk kort voor de natuurramp op Kreta hadden gevestigd, namen de erfenis over en verbreidden hun cultuur over vele eilanden.
Achaeërs
Omstreeks 2000 v.Chr. was het in de Balkan en Klein-Azië onrustig wegens binnenvallende en rondtrekkende volken die op zoek waren naar geschikte woonplaatsen. Indo-Europese stammen vielen vanuit het noorden Griekenland binnen. Eerst waren dit de Achaeërs, later gevolgd door de Aeoliërs en Ioniërs; deze stammen voerden het paard in Griekenland in. Ze vermengden zich met de onderworpen bevolking en namen hun cultuur gedeeltelijk over. De Achaeërs wisten de grootste macht te verwerven; brandpunten van hun beschaving waren Mykene, Tiryns en Pylos, waarop de invloed van de Kretenzische cultuur niet te ontkennen valt; men spreekt dan ook van een Kreto-Mykeense cultuur.
Van de krijgshaftige Achaeërs kennen we de geweldige burchten, onder andere in Mykene, Argos en Tiryns, waarvan de muren uit zulke geweldige steenblokken bestonden dat latere bewoners ze voor bouwwerken van de cyclopen aanzagen en ze de Cyclopische muren noemden. Over de Achaeërs verhaalde Homeros in zijn Ilias. De oudere bewoners van Griekenland, van wie heel weinig bekend is, worden met verschillende namen aangeduid, zoals Kariërs en Pelasgen. De Grieken worden later Hellenen genoemd, naar een Aeolische stam in Thessalië. De benaming Grieken is afkomstig van de Romeinen, die in het noordwesten van het land kennis maakten met een stam die ze Graeci noemden.
Duistere eeuwen De duistere eeuwen of donkere eeuwen, ook wel Griekse middeleeuwen, is de periode in de Griekse geschiedenis die valt tussen het einde van de prehelleense beschavingen uit de bronstijd, ongeveer 1180 v.Chr., en het ontstaan van de eerste Griekse poleis in ongeveer de 8e eeuw v.Chr. en het begin van de Griekse kolonisatie, ongeveer 750 v.Chr.
Het bijvoeglijk naamwoord duister benadrukt het scherpe contrast met de voorafgaande schitterende Minoïsche, de Helladische of Myceense en de Cycladische beschavingen van de bronstijd, waaraan rond 1189–1180 v.Chr. in de tijd van de brandcatastrofe een einde kwam. Toen begon een periode, vooral tussen 1100 en 900 v.Chr., waarover weinig bekend is en die daarom 'donker' of duister' wordt genoemd. De voornaamste bronnen worden gevormd door enerzijds de moderne archeologie en anderzijds interpretaties van de grote aan Homerus toegedichte epische dichtwerken, de Ilias en de Odyssee. Tijdens de duistere eeuwen werd de basis gelegd voor de volgende Griekse bloeiperiode: de Archaïsche periode.
Trojaanse Oorlog De Trojaanse Oorlog brak omstreeks 1200 v.Chr. uit, 1208 v. Chr. wordt aangenomen als het jaar van de Val van Troje. Volgens de Griekse overlevering was 'de schone' Helena, vrouw van de Spartaanse koning Menelaos, door de Trojaanse prins Paris ontvoerd. Die schanddaad moest worden gewroken. De Myceense koning Agamemnon, broer van Menelaos, voerde de Griekse vorsten aan in hun strijd tegen Troje, dat pas na tien jaar, door de list met het houten paard, in handen van de Grieken viel.
Een historisch juistere reden voor het uitbreken van deze oorlog zal wel zijn dat de Trojanen de Griekse handel aan de Hellespont bedreigden. Vierhonderd jaar na de feiten heeft Homerus deze oorlog in zijn Ilias vereeuwigd.
De inval van de Doriërs Omstreeks 1100 v.Chr. drongen de Doriërs vanuit het noordwesten van Griekenland onweerstaanbaar op naar het zuiden. De invallers zagen in de Achaeërs géén stamverwanten; ze veroverden hun steden en brachten de Kreto-Myceense cultuur de genadeslag toe. Vele bewoners vluchtten naar de eilanden en de bergen; de Doriërs drongen door tot op de Peloponnesos, waar Sparta het centrum werd van hun soldatenstaat. De Doriërs beschikten al over de kennis om brons te bewerken, waarvan zij wapens vervaardigden en daarmee een voordeel hadden op de Achaeërs. Maar de kunstzin van de Achaeërs en de Ioniërs kreeg voorlopig weinig kans zich te uiten.
Stadstaten
Eén eeuw na de Dorische volksverhuizing werd het weer rustig in Griekenland. De Achaiërs vermengden zich met de Aioliërs, Ioniërs en Doriërs. Er ontstond een tweehonderdtal stadstaatjes en er werd gekoloniseerd -wegens gebrek aan landbouwgrond, het uitbreken van politieke woelingen en later om handelsdoeleinden- op de eilanden, de kust van Klein-Azië en later op de westelijke kusten van de Middellandse Zee.
Elke stadstaat ("polis") -gewoonlijk een ommuurde stad met enkele omliggende dorpen, landerijen en olijfgaarden- was autonoom en stond onder leiding van een koning en de aristocratie, waarbij de volksvergadering meer of minder invloed had. Het groot aantal stadstaatjes is te verklaren uit de geografische verdeeldheid van het land, dat door bergruggen en zee-inhammen in kleine, natuurlijke landschappen was opgesplitst. De grootste en belangrijkste stadstaten ten tijde van de gouden eeuw (5e eeuw v.C.)waren Athene en Sparta; ze streden om de leiding in de Griekse statenwereld. In 820 v.Chr. kreeg het Dorische Sparta van zijn (vermoedelijk legendarische) wetgever Lycurgus een aristocratische staatsregeling (twee koningen als legeraanvoerders, een gerousia (raad van oudsten), vijf eforen en de apella) die de grondslag vormde van een militaire staat.
Van noord naar zuid zijn op het vasteland, de eilanden en de kust van Klein-Azië drie bevolkingsgordels te onderscheiden: de Aioliërs in het noorden, de Ioniërs in het midden en de Doriërs in het zuiden. Ook al kende Hellas geen staatkundige eenheid, wel was er een besef van eenheid van taal en godsdienst.
De twisten tussen de stadstaten werden gestaakt tijdens de Panhelleense Spelen, nu bekend als de Olympische Spelen, die om de vier jaar te Olympia werden gehouden als een grote cultuur- en sportdemonstratie met een religieus karakter. De spelen dateren uit de 9e eeuw v.Chr., maar de lijst van officieel opgetekende olympiaden begint in 776 v.Chr.; de Griekse tijdrekening is op de Olympische Spelen gebaseerd.
Archaïsche periode
In verscheidene stadstaatjes namen tirannen (Grieks týrannoi) de macht in handen; vaak stonden ze aan de kant van het gewone volk tegenover de aristocratie en bereidden ze een democratische regeringsvorm voor. Er groeide een rivaliteit tussen de zeemogendheid Athene, die heerste over Attica en verscheidene Egeïsche eilanden, en de landmogendheid Sparta die zijn macht uitbreidde over een groot deel van de Peloponnesos.
Democratie van Athene In 624 v.Chr. kondigde Draco zijn strenge (draconische) wetten af: de macht van de adel werd beknot, de bloedwraak beperkt, het recht om te straffen kwam aan de staat. Maar de maatschappelijke noden van kleine boeren en handelaars vroegen om andere wetten.
Die vaardigde Solon uit in 594 v.Chr.; in zijn enigszins democratische staatsregeling hadden alle (mannelijke) burgers boven de 30 burgerrecht, stemrecht en berustte de hoogste macht bij de volksvergadering.
Omstreeks 560 v.Chr, viel de macht in handen van de tiran Peisístratos, onder wiens zegenrijke bewind welvaart en kunsten bloeiden. Clisthenes ontnam in 508 v.Chr. de adel zijn invloed en voerde een echt democratisch bestuur in. Zijn schervengerecht of ostracisme bood de gelegenheid ongewenste staatslieden uit Athene te verbannen. De naam is ontleend aan het óstrakon (scherf) waarop de leden van de volksvergadering de naam krasten van de staatsman, die ze een gevaar vonden voor de staat.
Klassieke periode Perzische Oorlogen De Perzen hadden de Griekse koloniën in Ionië op de westkust van Klein-Azië veroverd. In het jaar 500 v.Chr. kwamen de koloniën in opstand en kregen steun van Athene en van de stad Eretria. Koning Darius I van Perzië onderdrukte de Ionische Opstand en wilde daarna Athene en Eretria straffen en tevens Europees Griekenland veroveren.
In 492 v.Chr. werd het Perzische gevaar afgewend, doordat de vloot in een storm bij de berg Athos werd vernietigd, waarna ook het Perzische leger naar huis weerkeerde. In 490 v.Chr. volgde de tweede aanval, nu alleen over zee. Eretria werd alsnog uit wraak voor de Griekse steun aan de Ionische Opstand verwoest en daarna landden de Perzen bij de vlakte van Marathon op de oostkust van Attica, maar daar werden ze door de Athener Miltiades teruggeslagen in de bekend gebleven Slag bij Marathon op 42 km afstand van Athene. Na om het schiereiland Attica heen te zijn gevaren, zagen zij dat Athene nog te sterk verdedigd was en keerden zonder resultaat naar huis terug.
Xerxes, Darius' zoon en opvolger, stuurde in 480 v.Chr. opnieuw een leger en een vloot naar Griekenland. Na raadpleging van het orakel van Delphi had de Atheense staatsman Themistocles een grote vloot laten bouwen en wel met de inkomsten van de zilvermijnen van Laurion.