thumb|Detail van een tramnetkaart van Wenen uit 1922 met een weergave van alle tramlijnen In de Oostenrijkse hoofdstad Wenen is jarenlang (en tot op heden) een zeer doordacht systeem in gebruik geweest dat op een logische, systematische manier de aanduiding van tramlijnen regelde.
Door de vele wijzigingen van de laatste jaren is het systeem enigszins aan inflatie onderhevig en zijn er enkele nieuwe lijnen gekomen die niet voldoen aan deze, in 1907 ingestelde, systematiek.
Periode voor het lijnnummersysteem Voor 1907 was er geen sprake van een eenduidige nummering of aanduiding van tramlijnen en dit leidde tot irritatie bij het publiek als tramlijnen wijzigden. De enige aanduiding die tot die tijd werd gebruikt waren zogenaamde ‘Hieroglyphen’. Dit waren symbolen, pictogrammen, van een bepaalde kleurencombinatie per tramlijn. Zo werden ruitjes in blauw en wit, rondjes in rood en groen, vierkantjes in blauw en geel etc. gebruikt. Dit leidde tot chaos en onbegrip omdat er voor 1907 in Wenen al zeker 100 tramlijnen waren.
Het ontwerp van de systematiek was logisch opgesteld en kon zich honderd jaar later nog handhaven omdat rond 1907 de basisstructuur van het Weense tramnet al zodanig was dat wijzigingen en uitbreidingen nadien geen invloed hadden op die systematiek.
Het systeem Alle tramlijnen werden in drie categorieën ingedeeld. ’’Radiallinien’’: dit zijn lijnen die heen en weer rijden tussen het centrum en een daarbuiten gelegen eindpunt; ’’Tangentiallinien’’: lijnen die in een cirkelvorm rond het stadscentrum rijden en ’’Durchgangslinien’’: een combinatie van een (deel van een) radiale met een tangentiale lijn. Voorbeeld: lijn J rijdt over de route van de lijnen 45, 1 en 75. (Lijnen door het stadscentrum bestonden in Wenen niet, slechts enkele honderden meters tramlijnen staken de ‘’Ring’’ over.)
Radiale lijnen thumb|100px|Schematische weergave van de lijnnummersystematiek in Wenen
Deze lijnen kregen de nummers 21 tot en met 83 toebedeeld. De nummering werd zodanig ingedeeld dat de lijnen naar het noordoosten (‘’Praterstraße’’) van de stad met 21 begonnen en hoger werden tegen de wijzers van de klok in. Lijnnummers vanaf 40 naar het noordwesten, 60 naar het zuidwesten en 80 naar het oosten etc. Lijnen die vanaf de ‘’Ring’’ een groot gedeelte dezelfde route reden maar later afbogen van die stamlijn kregen een 1, 2 of 3 voor het stamnummer. Zo ontstonden bijvoorbeeld 231 en 317. De lijnnummers 23, 30, 76 en 83 kwamen niet in gebruik omdat die geplande tramlijnen niet werden aangelegd.
Tangentiale lijnen Voor deze lijnen werden de nummers 1 tot en met 20 gereserveerd. De nummers vanaf 11 werden pas ná 1910 toebedeeld aan uitbreidingen van de tangentiale lijnen. De nummers werden hoger naarmate de lijn meer van de ‘’Ring’’ af lag. Zo zou de lijn over de ‘’Ring’’ 1 zijn maar omdat er geen tramlijn (tot 1985) was die de hele ‘’Ring’’ rondreed kwam er geen lijn 1. De tweede ring rond de binnenstad noemde men de ‘’Zweierlinie’’.
Doorgangslijnen Voor deze lijnen werden letters gebruikt, soms met toevoeging van een index: een nummer of een letter. Ook hier hanteerde men een strikte logica. Lijnen die beginnen met een A werden vanaf de ‘’Praterstraße’’ oplopend tegen de richting van de klok in ingedeeld. Lijnen A tot en met O waren lijnen die op werkdagen reden terwijl P tot en met W voor lijnen die op zon- en feestdagen reden, werd gebruikt. Ondanks de strenge systematiek maakte men direct een fout. De doorgangslijn G reed over de radiale 44 en de doorgangslijn H over de radiale 43. (Dit moet dus G > 43 en H > 44 zijn, een fout die nooit werd hersteld.)
Om verwarring te voorkomen werden de letters I en Q niet gebruikt, voor X, Y en Z was allereerst geen lijn meer over.
De indexen hadden het volgende nut. Lijnen die de ‘’Ring’’ bereden en via de ‘’Ring’’ weer terug naar het oorspronkelijke eindpunt kregen de index als zij ‘’Kai - Ring’’ reden en als zij ‘’Ring - Kai’’ reden. Dus E of E. Doorgangslijnen zonder index rijden over een gedeelte van de ‘’Ring’’. Na 1910 ontstonden andere indexen als toevoegingen. Een voorbeeld hiervan zijn de lijnen E, H en J die tot in de jaren 1970 lijn E, H en J via de zogenaamde ‘’Zweierlinie’’ bereden.
Zo ontstonden in 1907 A, A, B, B, C, C, D, E, E, F, G, H, J, K, L, M, N, O, P, R, S, T en T.
Omdat er ook veranderingen in het lijnennet werden doorgevoerd die op het oog niet binnen het systeem pasten, kwamen er lijnen met aanduidingen als W of S. (Een bewijs dat het wel past.)
Aanduiding De manier waarop lijnen op de trams in Wenen werden aangeduid heet ’’Besteckung’’. Alle lijnaanduidingen werden uit zwart blik gestanst. Dit zwarte blik werd boven op de trams voor een melkglazen ronde ruit geklemd waarachter een lampje was aangebracht. Op die manier was zowel overdag en ’s avonds sprake van maximale leesbaarheid van de lijnnummers en -letters. De leesbaarheid was ook ideaal omdat het zwarte blik gen licht reflecteerde. Deze blikken signalen werden pas bij de komst van de latere series motorwagens niet meer toegepast. Dit leidde tot onsuccesvolle protesten bij het publiek.
Wit Een melkglaasje zonder verdere aanduiding werd ook gebruikt. Het gaat dan om een veelvoud aan verschillende aanduidingen waarbij de ‘’normaalste’’ die is waarbij er een gebrek was aan de juiste blikken aanduiding (bijvoorbeeld in de Tweede Wereldoorlog.) Vooral ‘’voorlopers’’ of versterkingswagens, dat zijn tramwagens op een bepaalde lijn die voor de reguliere dienstwagens dienstdoen, werden in wit gereden. De toepassing van een wit signaal leidde bij het publiek tot veel verwarring vooral op lijngedeeltes waar meerdere lijnen reden. Een reden voor de conducteur om luid de juiste lijn om te roepen. Sinds de jaren 1960 liep de toepassing van wit terug en in 1969 werd besloten wit niet meer toe te passen. Daarna ontstonden, vooral voor eerste dienstwagens die van de remise naar hun beginpunt reden - het publiek mocht deze lijnen gebruiken - combinaties als 45/46, 62/8 en 75/78.
Doorstrepingen Vanaf het begin van de blikken aanduidingen waren deze uitgevoerd met een verschuifbaar, ook zwart, balkje waarmee de aanduiding kon worden doorstreept. De bedoeling hiervan was dat de passagier begreep dat de aangeduide lijn niet de gehele route bereed en voor het normale eindpunt keren zou. Ook dit waren vaak versterkingslijnen maar de aanduiding werd ook wel gebruikt om vertragingen op te vangen. Het doorstrepen van aanduidingen is wereldwijd op deze manier toegepast. In de Verenigde Staten waren rolfilms met een witte of rode balk door de aanduiding veelvuldig. In Duitsland was vooral de toevoeging E (van ‘’Ersatz’’) van toepassing. Ook voor het veranderen van indexen was een balkje toegevoegd. Zo kon vrij makkelijk van een een worden gemaakt of deze kon geheel worden bedekt. Een wisseling van een voorzet 1 of 2 kon met een speciaal gefabriceerde verandering worden toegepast zodat lijn 217 eenvoudig 317 kon worden.
Blauw en zebra Een van de weinig universeel begrepen aanduidingen uit de tijd van de ‘’Hieroglyphen’’ was het voeren van een blauw signaal. Dit duidde op ‘’laatste tram’’ (van die dag op die bewuste lijn). Deze aanduiding is tot 1995 in gebruik gebleven.
Een andere traditie was het voeren van een zogenaamd ‘’Zebrasignal’’. Dit duidde een reguliere tramlijn aan die een afbuiging maakte ten behoeve van een groot evenement of tentoonstelling. Zo werden de lijn en 6 en 71 met zo’n signaal toegerust om ritten naar respectievelijk de centrale begraafplaats of het stadion aan te duiden.
Veranderingen en wijzigingen Met ’’Hunderterlinien’’ werden lijnen bedoeld die aftakkingen van de oorspronkelijke lijn of aansluitingen daarop waren. Het waren vooral vroegere stoomtramlijnen. Voorbeelden zijn de opgeheven lijnen 121 en 231. Aansluitingen waren de lijnen 260 en 360 van lijn 60.
Na 1910 werden de lijnnummers 11 tot en met 18 pas toegewezen. 19 en 20 bleven vrij. De toepassing van deze nummers gebeurde met de redenering dat sommige tangentiale lijnen wel zeer lang waren en op bepaalde delen van hun traject versterkt moesten worden. Deze versterking reed dan ook nog een stukje verder dan de stamlijn, bijvoorbeeld naar een belangrijk station. De combinaties 3 en 13, 5 en 15 en 8 en 18 werden ingesteld. De beide tangentiale lijnen boven de Donau, ’’transdanubische Linien’’ genoemd, kregen de nummers 16 en 17.
Veranderingen bij de indexen Omdat de toevoegingen van indexen op praktische gronden problemen opriepen en daarom beter vereenvoudigd konden worden, werd vanaf 1913 de index bij de doorgangslijnen afgeschaft. Dit vereenvoudigde de aanduiding want de toevoeging bleek volgens het publiek duidelijk genoeg. Toen de lijn 24 en 25 een aantal jaren de ‘’Ring’’ gingen berijden kwam het gebruik van de indexen en weer voor, echter voor zeer korte tijd.
De tweede verandering was de (al genoemde) toevoeging van een index voor tramlijnen die de ‘’Zweierlinie’’ bereden en daarvoor en daarna radiale lijnen gebruikte. Zo duidde H op een combinatie van de lijnen 43, 2 en 78. ’A’-lijnen Ondanks de vooruitziende blik van de bedenkers van dit systeem kon men in 1907 niet vermoeden dat er later 3 tramlijnen in dienst werden gesteld die zich moeilijk in het systeem lieten passen. Deze lijnen kregen een toevoeging A en het nummer van de lijn waarlangs zij het dichtst liep. Zo ontstonden de lijnen 42, 41 en 45. Deze laatste lijn werd later 48.
Lijn 41 was van deze drie lijnen het langst in bedrijf: tot 1965. Omdat in die tijd ook lijn E de hele dag vanaf de ‘’Zweierlinie’’ de 41 bereed kon deze vervallen. Toen echter in de jaren 1980 de ‘’Zweierlinien’’ ten gunste van de metro (lijn U2) werden opgeheven kreeg dit stuk het nummer 40 omdat de toevoeging op dat moment alleen door buslijnen mocht worden gebruikt; lijn 41 was in dit geval logischer geweest.
Bijzondere aanduidingen De lijnen Z en Z Het korte bestaan van lijn Z, ze ging in 1909 al over op 59, als lijn die een heel klein stukje van de ‘’Zweierlinie’’ bereed kan verder worden overgeslagen. Z stond voor een lijn die tussen 1924 en 1925 over de lijnen 8 en 36 reed. De route was bedoeld om de enorme passagierstoestroom van het ‘’Westbahnhof’’ naar het stadion van ‘’First Vienna Football Clubs’’ te ondervangen. In de jaren 1950 werd deze lijn nog enkele keren in ere hersteld en werd toen als 8/36 aangeduid. Lijnen met de letter C De aanduidingen C en C waren zeldzaam en er bestond een lijn V. Deze lijn, die uit een besparingsoverweging door het opheffen van lijn C in 1918 ontstond, was een lijntje dat aftakte van lijn V en een gedeelte van de oude lijn C bereed. Al in 1919 was deze besparingsmaatregel niet meer nodig en werd lijn C hersteld. In 1935 kwam een lijn C in dienst. Deze lijn reed alleen ’s avonds enkele ritten en bestond uit een lijn die van lijn C over ging op 5 in de richting van de remise van lijn C. Lijn 1 Tot 1981 was er in Wenen geen tramlijn die de gehele ‘’Ring’’ bereed. In de jaren 1914 tot 1923 bestond er in de weekends een lijn 1 die van de ‘’Schottentor’’ naar lijn 71 reed en daarmee naar de centrale begraafplaats. In 1981 werden twee lijnen ingesteld die de hele ‘’Ring’’ rond reden en één daarvan werd lijn 1. De lijnen 11 en 12 Nog voordat de tangentiale lijn extra nummers zouden krijgen (van 11 tot en met 20) bestonden er tussen 1910 en 1916 lijnen 11 en 12. Deze lijnen bedienden de enorme toeloop van publiek naar de paardenrennen in ‘’Freudenau’’. Bij deze renbaan was een keerlus aangebracht die zeer groot was. De lijnen 81 en 82 Verder onsystematisch was de inzet van lijn 81 en 82. Ook deze reden naar de paardenrenbaan maar vanuit andere delen van de stad. Deze lijnen kregen deze nummers omdat ze ‘over’ waren. De 1 sloeg op het feit dat deze lijn de ‘’Ring’’ gedeeltelijk bereed; de 2 op het berijden van de ‘’Zweierlinie’’. Lijn 81 hield het tot 1951 vol en werd daarna 181. Lijn G