Het bakufu (Japans: 幕府), ook bekend als het shogunaat, is de regeringsvorm die bijna 700 jaar lang in Japan aan de macht was. De shōgun had de feitelijke macht, hoewel Japan ook altijd een keizer heeft gekend. Het bakufu bestond uit personen die uit de bushi (武士)-klasseKrijgersklasse, beter bekend als de samoerai. kwamen. Tezamen met het Keizerlijke hof vormde het bakufu een parallelle machtsstructuur, met het Bakufu als militaire leider naast de keizerlijke staatsstructuur. In de loop van de tijd zal het Keizerlijke hof meer en meer macht moeten afstaan en wordt het bakufu de machtigste organisatie van Japan. Letterlijk betekent bakufu "tentenregering". Krijgers leven namelijk in tenten.

Voor het bakufu In het midden van de 12e eeuw werd Japan beheerst door een burgerlijke aristocratie bestaande uit het keizerlijk hof, aristocratische clans en boeddhistische en shintosektes. Deze kleine elite regeerde vanuit een prachtige hoofdstadHeiankyō (平安京), later hernoemd naar Kioto. De huidige hoofdstad is Tokio. waar macht gebaseerd was op rang en hiërarchie. Ze gebruikten hun machtsposities voornamelijk om hun privébezit uit te breiden. Een halve eeuw lang slaagde deze aristocratie erin om, zonder veel moeite, de macht in handen te houden. De opkomst van de bushi-klasse bracht hier echter verandering in. De voormalige machthebbers verloren veel macht en de krijgers namen de controle over het land over.

De drie bakufu In de bijna zevenhonderd jaar dat het bakufu bestaan heeft, zijn er drie verschillende bakufu geweest, namelijk: het Kamakura-bakufu (鎌倉幕府, 1192-1333) het Ashikaga-bakufu of Muromachi-bakufu (足利幕府, 1336-1573) het Tokugawa-bakufu of Edo Bakufu (徳川幕府, 1603-1868)

Kamakura-bakufu Minamoto no Yoritomo (源頼朝, 1147—1199) Na de nederlaag van de Taira (平)-clan bij de Slag van Dan-no-ura (1185) die de Genpei (源平)-oorlogen beëindigde, greep Minamoto no Yoritomo de macht over Japan. In 1189 schakelde hij zijn jongere broer Minamoto no Yoshitsune (源 義経, 1159–1189) uit en in 1192, bij de dood van keizer Go-Shirakawa (後白河), kreeg hij officieel de titel van Shōgun en stichtte hij te Kamakura een bakufu. Officieel had de Shōgun alleen de militaire macht. De keizer en zijn hofhouding hadden echter geen militaire voorzieningen om hun macht te beschermen, zodat de keizer zijn macht verloor. In werkelijkheid lag de macht dus volledig in handen van de Shōgun.

De machts- en staatsstructuur van het Kamakura-bakufu Samurai-dokoro (侍所): belast met de militaire en politionele zaken en de controle over de vazallen. Monchū-jo of Monjū-sho (問注所): juridische instelling om geschillen tussen de vazallen te beslechten. Kumon-jo of Mandokoro (政所): bureau voor algemeen politieke en financiële zaken, verantwoordelijk voor de uitvaardiging van de meeste edicten van de shōgun. Hyōjōshū (評定衆, Staatsraad): een college van raadgevers dat het hoogste gezag van hetbakufu uitoefende. Gecreëerd door de derde shikken (執権, regent van de shōgun) Hōjō Yasutoki (北条 泰時, 1183-1242) Hikitsukeshū (引付衆, het Bureau der Coadjutoren): Dit was een instelling belast met het onderzoek van aanklachten, ondergeschikt aan de Staatsraad. Deze instelling is in 1249 toegevoegd onder Hōjō Tokiyori (北条時頼, 1227-1263)

Deze vijf instellingen hadden directe bevoegdheid over de vazallen van het bakufu. Deze vazallen waren dus de bushi die in hun eigen regio optraden als de plaatselijke bestuurder en er direct gezag over de boerenbevolking uitoefenden. Het bakufu was een soort arbitrage-instelling die de vrede en de orde tussen de militaire landheren moest handhaven. Dit is de belangrijkste verwezenlijking van het bakufu.

Op het lokale vlak, in het dorp, werd de macht gedeeld door de plaatselijke landheer en de rentmeester (jitō, 地頭).Personen aangesteld door de shōgun om de belastingen en administratie van een toegewezen gebied te regelen. De twee ambten vielen in de praktijk meestal samen in dezelfde persoon. De plaatselijke landheer beschikte over een aantal slaven, maar de overgrote meerderheid van zijn onderdanen waren myōshu-boeren, die hij onder militaire dwang aan hun gronden bond en van wie hij pachtrente (nengu, 年貢) en corvee opvorderde. Zij hadden dus de status van horige. De grondbezitters zelf stonden onderling ook in een verband van dienaar en heer, met andere woorden, van leenman en leenheer. De grondbezitter was leenheer van de boeren die op zijn land werkten en was op zijn beurt dan weer vazal van het bakufu. We hebben hier bijgevolg te maken met een feodale staats- en maatschappijvorm.

De Hōjō-clan (北条氏) thumb|Hojo Masako In 1199 stierf Yoritomo en ontstond er een machtsstrijd tussen zijn belangrijkste vazallen. De Hōjō-clan, de familie waartoe zijn weduwe Hōjō Masako (北条政子, 1157-1225) behoorde, slaagde erin de macht in handen te nemen. In 1203 werd Masako's vader regent van het Administratief Bureau, de hoogste positie in de bakufu-administratie. Tot het einde van het Kamakura-Bakufu in 1333 slaagde de Hōjō-clan erin deze positie binnen hun eigen clan te houden. De shōgun diende alleen nog als een soort façade en had niet de minste feitelijke macht meer. In 1219 reeds waren alle directe nakomelingen van Yoritomo uitgeschakeld. Een Fujiwara (藤原)-hoveling, twee jaar oud en vaag met Yoritomo verwant, werd uit Kyoto gehaald om als shōgun dienst te doen. De Hōjō-clan had vanaf dan de macht echt in handen.

Het Jōkyū-incident (承久の乱) De op achttienjarige leeftijd afgetreden keizer Go-Toba (後鳥羽, 1180-1239) wou de diarchie ongedaan maken zodat de keizer terug de macht in handen zou hebben. Als ex-keizer (jōkō, 上皇) had hij de vrijheid om zijn machtsbasis uit te bouwen. Hij slaagde erin de In-no-chō (院庁)Een departement onder de leiding van de ex-keizer. op te richten die de belangrijkste instantie van politieke besluitvorming in de hoofdstad werd. Ex-keizer Go-Toba rekruteerde vazallen van het bakufu en andere krijgers voor zijn persoonlijke wacht. In 1221 besloot hij ten strijde te trekken tegen het bakufu in Kamakura. Hiervoor had hij steun verwacht uit verschillende hoeken. Maar zowel de steun van de bushi die niet verbonden waren aan het bakufu, als de steun van de kloostermilities en de hoofdstedelijke aristocraten bleef uit. Hierdoor verloor Go-Toba’s leger tegen de Hōjō-legers en werd de hoofdstad bezet.

Als gevolg van dit incident werd de regerende keizer afgezet en drie ex-keizers, waaronder Go-Toba zelf, verbannen. Er werd een inspecteur-generaal ( Tandai, 探題) aangesteld met zijn zetel in de hoofdstad, die op het keizerlijk paleis toezicht moest houden. Net zoals het regentschap bleef dit ambt binnen de Hōjō-clan. Voortaan gaf de Hōjō-clan zijn zegen over iedere troonopvolging en iedere verandering van naam van regeringsperiode (nengō, 年号). Bovendien confisqueerde de Hōjō-clan gebieden van Go-Toba en zijn medestanders.

Jōei-code (Jōei Shikimoku, 貞永式目) Dit is de eerste codificatie van samoerai-recht.

Ondergang van de Hōjō-clan De Hōjō-clan verloor macht en ging uiteindelijk ten onder door twee elementen: Meer plaatselijke autonomie voor boeren/samoerai en rentmeesters/landgoed-beheerders De twee Mongoolse invasies van Japan

Meer plaatselijke autonomie De bovenlaag van de myōshu-boeren evolueerde tot bushi of verrijkte zich met handel en geldleningen. Deze sociale groep werd onder meer als kokujin (国人), kunishū (国衆) of jizamurai (地侍) aangeduid. De andere myōshu-boeren vervielen meer en meer tot keuterboeren. De slaven van de rentmeester (genin; 下人) werden ook autonomer. Zij mochten eigen landbouwwerktuigen hebben en kregen land om voor zichzelf te bewerken. De grote groep keuterboeren werd, door de jizamurai, per dorp georganiseerd in hechte verbanden (sō, 惣). Deze sō waren onafhankelijk van de shōen (belastingsvrije gronden, 荘園 of 庄園) samengesteld. De sō konden zich beter verweren tegen de landheren (ryōshu, 領主) en rentmeesters. De corvee werd verlaagd en ze moesten enkel een vaste jaarlijkse rente in natura betalen. Om op deze sociale veranderingen in te spelen en de dorpen in hun gezagsstructuur te brengen moesten de landheren zich integreren in de dorpen. Voor de bakufu-vazallen (gokenin, 御家人) was dit niet gemakkelijk omdat ze georganiseerd waren in grote patriarchale families met meervoudig erfrecht. Het meervoudig erfrecht hield in dat iedere zoon recht heeft op een deel van de erfenis, maar dat de oudste zoon het belangrijkste deel kreeg en de nieuwe pater familias van de familie werd. De pater familias had het gezag over de familieleden en was verantwoordelijkheid verschuldigd aan het bakufu. Door de vorming van de sō’s moesten de landheren zich terplaatse vestigen om belastingen te kunnen innen. Dit zorgde ervoor dat de verschillende erfgenamen zich in hun eigen gebieden gingen vestigen en hierdoor meer autonomie tegenover de pater familias kregen. Om dat tegen te gaan streefde de pater familias naar een onverdeeld erfrecht voor de oudste zoon. Interne familietwisten om erfenissen werden echter steeds heviger en bloediger naar het einde van de Kamakura-periode toe. Het bakufu slaagde er niet meer in haar rol van arbitrage-instelling, die dus de vrede en de orde tussen de militaire landheren moest handhaven, te vervullen. Dit verzwakte de controle over de vazallen. Er ontstonden voortdurend twisten tussen de rentmeesters en de grootgrondbezitters (ryōke) enerzijds en de shōen beschermers (honjo) anderzijds omdat de honjo hun belastinginkomsten niet meer ontvingen. De rentmeesters hadden het voordeel dat ze op het landeigendom zelf woonden en zo meer macht over het gebied hadden. In het midden van de dertiende eeuw bogen ze het systeem om in hun voordeel en verbonden ze zich ertoe een vast bedrag belastingen te betalen aan de grootgrondbezitters en honjo. Dit deden ze via een overeenkomst: de jitō-uke (地頭請). De rentmeester kreeg verder vrij spel in de shōen en hij mocht zoveel extra belasting vorderen als hij wilde. Heel vaak werd de shōen opgedeeld in twee delen (shitaji-chūbun, 下地中分) waarvan een voor de ryōke en een voor de rentmeester. Zo vergrootte de macht van de rentmeesters maar vielen de shōen uiteen en verdween het meervoudig grondbezit dat tijdens de Heian-periode (794-1185) ontstaan was. Dit was in het voordeel van personen lager in de bezitshiërarchie omdat zij op het land woonden.

De twee Mongoolse invasies van Japan De bushi die het bakufu bijstonden in de verdediging tegen de Mongolen verwachtten van het bakufu een beloning. Het bakufu was namelijk de leenheer en moest aan zijn vazallen een beloning geven voor hun verleende diensten. Aangezien er bij de verdediging van Japan geen nieuwe grond gewonnen was, kon het bakufu ook geen nieuwe gronden geven aan zijn vazallen. Dit zorgde ervoor dat de vazallen misnoegd waren en hun trouw aan het bakufu meer en meer verloren.Mongoolse invasies van Japan, KU Leuven

De opstand tegen de Hōjō-clan De Tokusō (得宗)-tak van de Hōjō-clan vergrootte steeds zijn macht waardoor er interne twisten ontstonden in de Hōjō-clan. Dit zorgde ervoor dat de bakufu-instellingen, die een evenwicht tussen de verschillende machtige clans hadden moeten garanderen, alle effectieve betekenis verloren. Daardoor werd de Tokusō-tak het mikpunt van alle misnoegde groepen in de maatschappij: hovelingen, tempels en heiligdommen, kokujin, jizamurai en gewone boeren. Het verzet diende alleen nog een boegbeeld te vinden waar het zich rond kon verzamelen. Keizer Go-Daigo (後醍醐, 1288-1339) vervulde deze rol.