Het toneelstuk Lucifer is een in de hemel gesitueerd treurspel van Joost van den Vondel, geschreven van 1648 tot 1654 en in première gegaan op 2 februari 1654 in de Amsterdamse schouwburg. Wanneer God de mens boven de engelen plaatst, begint de afgunstige stedehouder Lucifer een opstand. Die eindigt wanneer veldheer Michaël de weerspannigen uit de hemel bliksemt, waarna Lucifer op aarde uit wraak het eerste mensenpaar tot de zondeval brengt. Na de tweede voorstelling op 5 februari verbood het stadsbestuur op aandringen van de kerkenraad verdere opvoeringen. Lucifer is opgedragen aan keizer Ferdinand III van het Heilige Roomse Rijk en geldt als 'een van de zeldzame producten uit onze letterkunde, die een blijvende plaats in de wereldliteratuur bekleden.'Rens (1979), p. 32.
De figuur van Lucifer associeerde Vondel als jonge dichter al met het thema van de onrechtmatige opstand. De vele gevallen van Luciferisme in de internationale politiek van de jaren 1640 gaven hem de laatste zet om eindelijk de in hem levende Lucifer-conceptie gestalte te geven. Het resultaat is een origineel werk: hoewel alle namen aan Bijbelplaatsen zijn ontleend, is de handeling zelf niet op een bestaand verhaal gebaseerd. In de door Vondel samengestelde twee octavo's met zijn verzamelde treurspelen uit 1662 staat de Lucifer dan ook in het deel met de niet-Bijbelse toneelwerken.
De tragedie kent vijf bedrijven in alexandrijnen met afsluitende reizangen in vier- en soms drievoetige jamben. De structuur beantwoordt aan de vijf stadia van het klassieke drama, maar in de uitgestrekte en tijdloze hemel zijn niet alle drie de aristotelische eenheden van tijd, plaats en handeling van toepassing. De vraag of de zondeval van Adam en Eva niet de eenheid van handeling doorbreekt, heeft letterkundigen lang beziggehouden. Een ander veelbesproken structuuraspect is de vraag of Lucifer al bij aanvang aan de kant van het kwaad staat of dat hij voldoet aan de norm van Aristoteles en dus pas in de loop van het stuk na veel weifelen voor het kwaad wordt gewonnen. Aandacht voor de theologische achtergronden van het stuk maakte geleidelijk plaats voor bestudering van thema's als de vrije wil en de verhouding tussen geloof en verstand. De opmerkelijke parallellen met de politieke situatie uit Vondels tijd die het treurspel vertoont, strekken niet zo ver dat van een politieke allegorie gesproken kan worden.
Hoewel na het opvoeringsverbod de verkoop van de tekst eveneens officieel verboden werd, verschenen in 1654 zes herdrukken van de quarto. Pas in de negentiende eeuw werd het stuk weer op het podium gebracht, het begin van een reeks die tot in de eenentwintigste eeuw doorloopt. De oudste overgeleverde weergave van een opvoering is een grammofoonplaat uit 1924 waarop Albert Vogel gedeelten eruit voordraagt. Vanaf 1825 deed de theorie dat Lucifer een bron was voor John Miltons Paradise Lost opgang. Deze claim werd in 1895 weerlegd. Wel inspireerde het toneelstuk de schrijvers Harry Mulisch en Connie Palmen. Onder de adaptaties bevindt zich de bekroonde film Lucifer uit 2014 van de Vlaamse filmregisseur Gust Van den Berghe. Het treurspel is vertaald in het Frans, Duits, Engels, Hongaars en Japans.
Voorwerk Opdracht Het eerste onderdeel van het voorwerk is de 'Opdracht' aan de Duitse keizer Ferdinand III. Een vorst, aldus Vondelvorser W.A.P. Smit, is voor Vondel het wereldse beeld van God, aan wie hij zijn gezag ontleent. In de hiërarchie van vorsten stond de keizer van het Heilige Roomse Rijk bovenaan, waarmee de positie die de keizer op aarde bekleedt een weerspiegeling is van de positie van Lucifer in de hemel vóór zijn val. Vondel zag in de keizer 'naar positie de aardse parallel, en naar aard de Christelijke antithese van Lucifer'.Smit (1959), p. 68. Vondel rechtvaardigt zijn opdracht door erop te wijzen dat God de 'allerminsten en ootmoedigen' (vs. 4) de toegang tot zijn troon niet weigert en dus zal diens plaatsvervanger op aarde, 'de tydelycke Mogentheit' (vs. 5), billijken dat de allerkleinsten 'zich eerbiedigh voor hare voeten vernedere' (vs. 6). Daarom waagt Vondel het zijn stuk aan de keizer op te dragen, een eer die het verheven onderwerp ook waard is. Het gaat immers om Lucifer, die 'ten spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen' (vs. 15) wordt voorgesteld.
Vondel geeft de keizer een waarschuwing: de universele geldigheid van het drama strekt zich ook tot de keizer uit, die zich steeds voor het gevaar van staatzucht dient te hoeden. Opstand tegen het bewind is immers alleen tot mislukken gedoemd 'zoo lang Godts Voorzienigheit de geheilighde Maghten en Stammen hanthaeft' (vs, 23-24).Smit (1959), p. 70. Als stedehouder van God heeft de keizer een verantwoordelijkheid: 'Christenryck doorgaends, gelyck een schip in de wilde zee, aen alle kanten, en tegenwoordigh van Turck en Tarter, bestormt, en in noot van schipbreucke, vereischt ten hooghste deze eendraghtige eerbiedigheit tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvyant des Christen naems te stuiten, en den Rycksbodem en zyne grenzen, tegens den inbreuck der woeste volcken, te veiligen, en te stercken' (vs. 28-34). De christelijke wereld wordt bedreigd door de Turken en de keizer dient het rijk tegen deze ongelovigen te beschermen. Het gaat hier om 'een magistraal stuk proza', aldus Smit: 'Maar nog meesterlijker is de wijze waarop hij erin slaagde, door implicatie en suggestie, daarin aan Ferdinand voor te houden wat de verschuldigde eerbied hem verbood rechtstreeks onder woorden te brengen.'Smit (1959), p. 72.
Gedicht
Het tweede onderdeel is 'Op de Afbeeldinge van Keizerlycke Majesteit, Ferdinandus den Derden', een lofdicht op zowel de keizer als op het niet overgeleverde schilderij dat Vondels vriend Joachim von Sandrart kennelijk van de keizer en zijn familie gemaakt had. Alleen een kopergravure die Frans van der Steen (1604-1672) naar het schilderij maakte bleef bewaard; volgens Vondelkenner pater B.H. Molkenboer kreeg Vondel hiervan uit Wenen een prent toegestuurd. De keizer wordt in het veertienregelige gedicht bezongen als vredevorst vanwege zijn betrokkenheid bij de Vrede van Münster. De Latijnse spreuk die als motto fungeert, 'Deus nobis haec otia fecit', is ontleend aan Vergilius' Bucolica I, 6, en luidt in Vondels vertaling: 'Een Godt holp ons aen deze gerustheit.'Molkenboer in Sterck (1931), p. 606 voetnoot bij 'Het opschrift'. Hiermee is de keizer Augustus bedoeld, waarmee keizer Ferdinand III in het vers vergeleken wordt.
Berecht Het omvangrijkste onderdeel van het voorwerk is een 'Berecht aen alle Kunstgenooten, en Begunstigers der Tooneelspelen', waarin Vondel zijn stofkeuze en werkwijze rechtvaardigt. Ten eerste zet hij uiteen dat de afvalligheid van de aartsengel op waarheid berust. Hiertoe citeert Vondel eerst twee profeten uit het Oude Testament, te weten Jesaja 14:12-15 en Ezechiël 28:12-15, en vervolgens twee passages uit het Nieuwe Testament, Lucas 10:18 en de Brief van Judas, 1:6. Alle vier de passages zijn door Vondel zelf uit de Vulgaat vertaald.Molkenboer in Sterck (1931), p. 608 noot bij vs. 25. Ter verdere adstructie haalt Vondel nog drie 'Oudvaderen' aan, Cyprianus, Gregorius de Grote en Bernardus van Clairvaux. Ten tweede betoogt Vondel dat het legitiem is om de weergave van de zonden hovaardij en nijdigheid allegorisch voor te stellen als de Leeuw en de Draak, waarmee tevens de sterrenbeelden bedoeld zijn, omdat de slang uit het paradijsverhaal en de zwijnen in Matteüs 8:28-32 uitwijzen dat de dieren door kwade geesten bezeten worden. Ten derde wijst Vondel erop dat hij ook wanneer hij van gangbare theologische opvattingen afwijkt geen eigen fantasiebeelden invoert, maar zich nog steeds baseert op gezaghebbende theologen, zij het op een minderheid onder hen. Ten vierde verdedigt Vondel het aanwenden van Bijbelse stof in het algemeen. Hij beroept zich op een eeuwenoude traditie, wat onverlet laat dat misbruik mogelijk blijft. Ook wijst hij erop dat van een frivool 'spel' geen sprake is en dat dit misverstand slechts bestaat omdat het woord 'tragedie' in het Nederlands nu eenmaal toevallig 'treurspel heet.Smit (1959), p. 74-76.
Inhoudt Zoals gebruikelijk heeft Vondel ook bij dit stuk een korte samenvatting van de 'Inhoudt' bijgevoegd. In twee zinnen, waarvan de tweede erg lang is, geeft Vondel een samenvatting van het drama omtrent Lucifer. Lucifer komt er uit naar voren als de drijvende kracht, zelfs de verpersoonlijking van heel het verzet tegen God, terwijl hij in het treurspel zelf onderhevig is aan twijfel en wanhoop. Volgens Smit is het onjuist om in deze 'lapidaire samenvatting' een indicatie van de ware aard van de hoofdpersoon te zien, omdat in dit korte bestek slechts de feiten worden weergegeven zonder de omstandigheden en factoren die de loop van de verwikkeling bepalen. Het is Vondel er niet om te doen de structuur van zijn drama aan te geven, maar slechts om 'de zonde van Lucifer zowel naar haar innerlijk als naar haar uiterlijk aspect zo scherp en raak mogelijk te karakteriseren'.Smit (1959), p. 86. Het inhoudsoverzicht besluit met de zin: 'Het tooneel is in den hemel.' De 'vaagheid' van deze aanduiding is volgens Smit 'suggestiever en bevredigender dan elke precisering geweest zou zijn.'Smit (1959), p. 87. Anders dan normaal, ontbreekt een aanduiding van het tijdsverloop, omdat de hemel geen tijd kent, zoals ook in het stuk zelf staat: 'Een eeuw beneden is om hoogh een oogenblick' (vs. 888).
Tegen de contemporaine wetenschappelijke inzichten van onder meer Copernicus en Galilei in hield Vondel vast aan het wereldstelsel van Claudius Ptolemaeus, volgens Molkenboer vanwege het 'dichterlijk suggestieve ervan'. De aarde is in dit stelsel het middelpunt van het heelal en de hemel, de verblijfplaats van God en de engelen, zou zich bevinden in de oneindigheid buiten de negen sferen of bogen die concentrisch de aarde omringen. Vondels hemelbouw komt overeen met die van onder meer Dantes Divina Commedia. De engelen zijn aan het begin van het stuk nog niet toegelaten tot 'de eigenlijke innerlijke Godskennis', die zij immers 'door de proef van hun onderworpenheid van God' eerst nog moeten bewijzen waard te zijn. Dit blijkt uit de reizang bij het eerste bedrijf.Molkenboer in Sterck (1931), p. 615 voetnoot bij 'Het tooneel is in den hemel.'
Personages Belzebub, Belial en Apollion, wederspannige oversten Gabriël, Gods geheimenistolk Rei van engelen Lucifer, stedehouder Luciferisten, oproerige geesten Michaël, veldheer Rafaël, beschermengel Uriël, Michaëls schildknaap
Synopsis
Eerste bedrijf