De Gnetales (een oude naam: Chlamydospermae) zijn een tot de zaadplanten behorende orde die verwant zijn aan de naaktzadigen. Tot de orde behoren drie geslachten, elk in een eigen familie: de Gnetaceae met Gnetum, de Ephedraceae met Ephedra en de Welwitschiaceae met Welwitschia.

De oude naam Chlamydospermae (mantelzadigen) werd ook gebruikt voor dit taxon, dat dan naast de naaktzadigen en de bedektzadigen werd geplaatst. Indien een andere classificatie gepresenteerd wordt is dit het gevolg van het toekennen van de rang van orde aan een of meer van deze families, niet het gevolg van een verschil van mening over het bestaan van deze drie families.

De Gnetales worden ook wel opgevat als de klasse Gnetopsida, met daarin de bovengenoemde families Gnetaceae, Ephedraceae en Welwitschiaceae.

Belangrijke kenmerken van de orde zijn de houtvaten (tracheeën) in het secundaire hout, waarschijnlijk door parallelle evolutie uit tracheïden. Daarnaast de rangschikking van "bloemen" in samengestelde "bloeiwijzen", de aanwezigheid van een "periant" in de mannelijke "bloem" en van verschillende omhulsels (vaak geïnterpreteerd als periant of extra integumenten) om het ovulum en als opvallend kenmerk de lang uittredende micropylaire buis.

Beschrijving De "bloemen" zijn eenslachtig en gewoonlijk tweehuizig. De voortplantingsorganen staan gegroepeerd in samengestelde strobili, die hier ook wel "bloeiwijzen" genoemd worden.

De vrouwelijke "bloemen" hebben een enkele, rechtopstaande zaadknop, waarvan de nucellus (macrosporangium) is omgeven door twee of drie omhulsels: twee integumenten en een "periant". Een micropyle is de opening van het integument dat de nucellus omgeeft. Deze micropyle groeit bij de Gnetales uit tot een lange micropylaire buis, waardoorheen een druppel vocht naar buiten wordt gevormd om de stuifmeelkorrels in de lucht op te kunnen vangen (druppelmechanisme). Bij indrogen van het vocht worden de stuifmeelkorrels naar binnen gezogen.

In de nucellus vormen zich door meiotische deling uit een sporemoedercel de macrosporen in een tetrade, waarvan er drie te gronde gaan. De overgebleven macrospore (of tenminste de kern van de macrospore) deelt zich meermaals tot enkele of meerdere cellen of celkernen; ook dit wordt wel embryozak genoemd en komt overeen met het macroprothallium of macrogametofyt. Een van de celkernen van de embryozak functioneert als eicel.

De mannelijke "bloem" bestaat uit een "periant" met daarbinnen antheroforen met elk 2 tot 8 synangia (ook wel "pollenzakjes") - een tot een samenhangend geheel vergroeide sporangia.

De bevruchting vindt plaats door de vorming van een pollenbuis met twee mannelijke gameten (celkernen).

In het bevruchte zaad ontwikkelt zich uit de zygote een embryo en hieruit een jonge plant met twee zaadlobben (cotylen).

Levenscyclus De voortplanting van de Gnetales wordt in onderstaand schema aangegeven: + Gnetales: Vergelijking van Gnetaceae, Welwitchiaceae en Ephedraceae<ref name="Kleuren">De kleuren groen en rood worden in de schema's gebruikt voor de ♀ gameten, resp. voor de ♂ gameten; achtergrondkleuren voor de meiose en de bevruchting</span>.</ref></span>Voortplanting bij Gnetaceae<ref name="Kleuren">De kleuren groen en rood worden in de schema's gebruikt voor de ♀ gameten, resp. voor de ♂ gameten; achtergrondkleuren voor de meiose</span> en de bevruchting</span>.</ref> ♀ plant (sporofyt) "bloem" periantachtige schubben zaadknop integument met micropylaire buisstuifmeelkorrels worden ingevangen met een druppelmechanisme nucellus = macrosporangium macrosporemoedercelmeiose</span> R! macrospore (celkern) (1n) "embryozak"er worden geen archegonia gevormd (← ♂ gameetkern)bevruchting</span> B!, sifonogamie zygote (2n)er worden meerdere zygotes gevormd suspensorbuizenper zygotes worden twee suspensorbuizen gevormd, die weer verder vertakken embryo → kiempjepolyembryonie: er worden veel embryo's gevormd; uiteindelijk blijft één embryo over in het rijpe zaad worteltje spruit, 2 zaadlobben ♂ plant (sporofyt) ♂ "bloem" antheroforen 2 tot 8 synangia microsporemoedercelmeiose</span> R! microspore kern (1n) stuifmeelkorrel (pollenkorrel) øin de stuifmeelkorrel wordt geen prothalliumkern gevormd pollenbuiskern generatieve cel steriele cel spermatogene cel 2 ♂ gameetkernen → …Voortplanting bij Welwitschiaceae<ref name="Kleuren">De kleuren groen en rood worden in de schema's gebruikt voor de ♀ gameten, resp. voor de ♂ gameten; achtergrondkleuren voor de meiose</span> en de bevruchting</span>.</ref>(tweehuizige soort) ♀ plant (sporofyt) kegel periantachtige schubben zaadknop integument met micropylaire buisstuifmeelkorrels worden ingevangen met een druppelmechanisme nucellus = macrosporangium macrosporemoedercelmeiose</span> R! 4-sporig macroprothallium (1n) variabel polyploïde cellenna vrije mitotische kerndelingen ontstaan meer dan 1000 celkernen; daarna vindt kernversmelting en vorming van tussenwanden plaats met een variabel aantal kernen per cel prothallium-buiser worden geen archegonia gevormd; voor de bevruchting groeit de prothallium-buis de pollenbuis tegemoet (← ♂ gameetkern)bevruchting</span> B!, sifonogamie zygote (2n) 2cellig pro-embryo suspensor

secundaire suspensorcellen embryo → kiempjepolyembryonie: er worden veel embryo's gevormd; uiteindelijk blijft één embryo over in het rijpe zaad worteltje spruit, 2 zaadlobben ♂ plant (sporofyt) ♂ kegel microsporangiofoor synangium (1-3 sporangia) microsporemoedercelmeiose</span> R! microspore kern (1n) stuifmeelkorrel (pollenkorrel) øin de stuifmeelkorrel wordt geen prothalliumkern gevormd pollenbuiskernpollenbuis groeit de nucellus in richting prothallium-buis generatieve cel steriele cel (†) spermatogene cel 2 ♂ gameetkernenVoortplanting bij Ephedraceae<ref name="Kleuren">De kleuren groen en rood worden in de schema's gebruikt voor de ♀ gameten, resp. voor de ♂ gameten; achtergrondkleuren voor de meiose</span> en de bevruchting</span>.</ref>(tweehuizige soort) ♀ plant (sporofyt) "bloem" periantachtige schubben zaadknop integument met micropylaire buisstuifmeelkorrels worden ingevangen met een druppelmechanisme nucellus = macrosporangium macrosporemoedercelmeiose</span> R! macrospore (celkern) (1n)sporen liggen in een lineaire tetrade, waarvan alleen de onderste spore zich verder ontwikkelt cellulair prothalliumna vrije kerndelingen van de macrosporekern ontstaat een cellulair prothallium door vorming van celwanden (1-) 2-3 archegonia arch.halscellende archegoniumhals wordt tot 40 cellen lang tijden de verder uitgroei van het macroprothallium

eikern (← ♂ gameetkern)bevruchting</span> B!, sifonogamie zygote (2n) 3-5 pro-embryo'svroege polyembryonie: door drie delingen worden 8 cellen gevormd, waarvan 3-5(-8) embryo's vormen suspensorcel embryo → kiempje worteltje spruit, 2 zaadlobben ventrale kanaalcelkern (← ♂ gameetkern)dubbele bevruchting</span> B!, sifonogamie endosperm</span> ♂ plant (sporofyt) ♂ "bloem" 1-2 antheroforen = microsporangioforen synangia (2 tot 8 loculi, septate sporangia) microsporemoedercelmeiose</span> R! microspore kern (1n) stuifmeelkorrel (pollenkorrel) 1ste prothalliumcel

2de prothalliumcel antheridiumcelkern pollenbuiskern generatieve cel steriele cel spermatogene cel 2 ♂ gameetkernenVerklaring kleur: opslagplaats voor reservestoffen</span>

Fylogenie De Gnetales zijn een zustergroep van de Ephedrales en de Welwitschiales, die gezamenlijk de drie ordes van de klasse Gnetopsida vormen: + Zaadvarens en naaktzadigen (2016) Diversity of Life. DESCRIPTION OF THE GYMNOSPERMS. Gearchiveerd op 7 april 2022. (2016) Diversity of Life. DESCRIPTION OF THE PHYLUM CONIFEROPHYTA (COULTER 1912). Gearchiveerd op 11 augustus 2022.

Spermatophyta, zaadplanten Klasse Lyginopteridopsida</span>

Klasse Medullosopsida</span>

Klasse Callistophytopsida</span>

Klasse Cycadopsida

Klasse Peltaspermopsida</span>

Stam Ginkgophyta Orde Ginkgoales

Stam Gnetophyta Orde Gnetales Orde Ephedrales Orde Welwitschiales Stam Coniferophyta, Coniferae, Coniferales Klasse Cordaitopsida Orde Cordaitales

Klasse Voltziopsida Klasse Pinopsida Orde Pinales

Klasse Caytoniopsida</span> Stam Cycadeoidophyta Stam Angiospermophyta, bedektzadigenVerklaring kleuren: zaadvarens</span>, naaktzadigen</span>, bedektzadigen</span>

Literatuur