Het kastanjestromakelkje (Lanzia echinophila) is een kleine ascomyceet uit de familie Rutstroemiaceae. De soort leeft saprotroof op afgevallen en verterende vruchtomhulsels van vooral tamme kastanje (Castanea sativa). In Nederland wordt hij voornamelijk aangetroffen in loofbossen en parken op (matig) voedselarme, zandige of lemige bodems.
Buiten Nederland is de soort ook bekend van de vruchtbekers van verschillende soorten eiken, met name moseik (Quercus cerris).
Kenmerken Uiterlijke kenmerken De vruchtlichamen zijn gesteelde apotheciën met een doorsnede van ongeveer 2 tot 10 mm. Jonge exemplaren zijn aanvankelijk min of meer bolvormig en kunnen oranjeachtig gekleurd zijn. Later worden ze kom- tot schotelvormig en uiteindelijk vrijwel vlak. Het vruchtbare binnenoppervlak is glad en varieert van licht oranjebruin tot roodbruin of middelbruin. De buitenzijde is ruwer en doorgaans lichter van kleur.
De apothecia zijn meestal 1 tot 5 mm hoog. Ze staan op een korte steel van ongeveer 1 tot 4 mm lang en 1 tot 2 mm dik. De vruchtlichamen ontstaan vaak aan de binnenzijde van oude, op de grond liggende stekelige bolsters van tamme kastanje.
De sporenprint is wit.
Microscopische kenmerken De asci zijn cilindrisch, ongeveer 120 × 12 µm groot en bevatten acht sporen. De top van de asci reageert amyloïd met jodiumhoudende reagentia. Tussen de asci staan smalle, cilindrische parafysen.
De ascosporen zijn langwerpig en gebogen tot allantoïde (worstvormig). Ze meten ongeveer 16–20 × 5–6 µm en bevatten doorgaans meerdere oliedruppels.
Ecologie Het kastanjestromakelkje is een saprotrofe soort die dood plantaardig materiaal afbreekt. In Nederland is hij sterk gebonden aan oude vruchtomhulsels van tamme kastanje. De vruchtlichamen worden hier voornamelijk in oktober en november gevormd.
Elders in Europa is de soort eveneens gevonden op verterende napjes en vruchtomhulsels van eiken, vooral van moseik. De soort kan in kleine groepen voorkomen, waarbij meerdere apothecia uit één kastanjebolster groeien.
Taxonomie De soort werd in 1791 door Pierre Bulliard oorspronkelijk beschreven als Peziza echinophila. In 1982 plaatste de Amerikaanse mycoloog Richard Paul Korf de soort in het geslacht Lanzia, waardoor de huidige combinatie Lanzia echinophila ontstond.
In de literatuur zijn verschillende andere combinaties gebruikt, waaronder Ciboria echinophila, Phialea echinophila, Sclerotinia echinophila en Rutstroemia echinophila. Species Fungorum en Index Fungorum behandelen Lanzia echinophila als de huidige naam. De Nederlandse NDFF Verspreidingsatlas gebruikt daarentegen de naam Rutstroemia echinophila.
Verspreiding Het kastanjestromakelkje is uit verschillende delen van Europa bekend en volgt daarbij in belangrijke mate het voorkomen van geschikte waardbomen en hun afgevallen vruchten.
In Nederland geldt het kastanjestromakelkje als 'vrij zeldzaam'. Volgens de NDFF Verspreidingsatlas, gebaseerd op gevalideerde waarnemingen uit de periode 2004–2023, heeft de soort in de Rode-Lijstbeoordeling de categorie 'Thans niet bedreigd' (TNB).
Categorie:Rutstroemiaceae Categorie:Schimmelsoort