Carl Gustav Jung (Kesswil, 26 juli 1875 – Küsnacht, 6 juni 1961) was een Zwitsers psychiater en psycholoog. Hij was de grondlegger van de analytische psychologie.
Levensloop Jeugd Jung werd geboren als Karl Gustav II Jung. Hij was het vierde kind van Paul Achilles Jung (1842–1896) en Emilie Preiswerk (1848–1923), maar het eerste dat de vroege kindertijd overleefde, net als zijn negen jaar jongere zuster. Zijn vader Paul Jung was dorpsdominee van de Zwitserse gereformeerde kerk en zijn moeder Emilie was een telg uit een rijke Zwitserse familie. Als student aan de universiteit zou Jung de moderne spelling van zijn doopnaam 'Karl' wijzigen in de originele naam van zijn grootvader Carl naar wie hij genoemd was.Bair, Deirdre (2003). Jung: A Biography. New York: Back Bay Books, blz. 7–8, 53. .
Toen Jung zes maanden oud was kreeg zijn vader een betere pastorie in Laufen toegewezen en het gezin verhuisde. Ondertussen groeide de spanning tussen Paul en Emilie. Emilie, die een excentrieke en depressieve vrouw was, bracht veel tijd door in haar eigen aparte slaapkamer, waar ze naar eigen zeggen 's nachts geesten zag die haar kwamen bezoeken. Zij werd ook voor verschillende maanden in een ziekenhuis opgenomen nabij Bazel, voor een verder onbekende fysieke kwaal. De jonge Carl werd door zijn vader naar Emilies ongetrouwde zuster in Bazel meegenomen. Emilies aanhoudende periodes van afwezigheid en haar depressieve stemmingen zouden een belangrijke invloed hebben op de houding van haar zoon ten aanzien van vrouwen, die hij een aangeboren onbetrouwbaarheid zou toeschrijven. Jung zou later over dit wantrouwen tegenover vrouwen zeggen: "Dat was de handicap waarmee ik moest leren leven."C.G. Jung (1976) Herinneringen, Dromen, Gedachten. Een autobiografie. Rotterdam, Lemniscaat, blz. 18. Toch had hij onbewust wel contact met de 'nachtzijde' van zijn moeder, door wie hij later tegenstrijdigheden in het menselijk karakter beter ging begrijpen. Na drie jaar verblijf in Laufen vroeg zijn vader een overplaatsing aan en in 1879 werd hij in Kleinhüningen aangesteld. Jungs moeder kwam daar in nauwer contact met haar familie, wat haar bevrijdde van haar wanhoop en melancholie.
Jung zelf was als kind vrij eenzaam en introvert - een uitdrukking die hij zelf zou toevoegen aan de psychologie. Al vroeg was hij ervan overtuigd dat hij over twee persoonlijkheden beschikte — enerzijds een moderne Zwitserse, op de buitenwereld gerichte persoonlijkheid nr. 1, zoals hij het uitdrukte en anderzijds persoonlijkheid nr. 2, een op het innerlijk gerichte figuur, in wie zich het verleden van eeuwen representeerde.C.G. Jung (1976) Herinneringen, Dromen, Gedachten. Een autobiografie. Rotterdam, Lemniscaat, blz. 47 Speciaal met het oog op dit deel van zijn persoonlijkheid, bouwde Jung eigenhandig zijn beroemde toren in Bollingen, waar hij zich verbonden voelde met het verleden en de ziel van de mensheid; deze werd er niet afgeleid door de technische verworvenheden van de 20e eeuw.
Hoewel Jung zich met zijn beide ouders verbonden voelde, was hij in zijn vader teleurgesteld door diens rationele benadering van het geloof. Enkele gebeurtenissen in zijn jeugd zouden Jung zijn leven lang bijblijven. Als jongen sneed hij een klein popje uit het eind van een houten liniaal en plaatste het in een kistje. Hij legde daar een steen bij die hij in twee helften had beschilderd en verstopte het kistje op zolder. Af en toe ging hij terug naar het popje om het kleine papiertjes met een boodschap in zijn eigen geheime taal te brengen. Dit ritueel bracht hem, zo zei hij als volwassene, een gevoel van innerlijke rust en veiligheid. Later ontdekte hij overeenkomsten tussen deze herinneringen en de totems van inheemse mensen zoals de verzameling 'zielstenen' in de buurt van Arlesheim en de tjurunga's (of churinga's)Een tjurunga is de heilige steen van de Aboriginals van Midden-Australië. Hij stelt de individuele en voorvaderlijke geest van zijn bezitter voor. van Australië. Hij concludeerde daaruit dat het om een onbewust ritueel ging dat hij indertijd niet begreep, maar dat opvallende overeenkomsten vertoonde met praktijken in verafgelegen locaties die hij in zijn jeugd nooit bezocht had.C.G. Jung (1976) Herinneringen, Dromen, Gedachten. Een autobiografie. Rotterdam, Lemniscaat, blz. 30. Zijn ontdekking van de psychologische archetypen en het collectief onbewuste waren gedeeltelijk op deze ervaringen geïnspireerd.
Kort voor het einde van zijn eerste jaar aan het Humanistisches Gymnasium in Bazel, op 12-jarige leeftijd, werd hij door een andere jongen zo hardhandig geduwd dat hij op de grond viel en even het bewustzijn verloor. Het was toen dat hem de gedachte overviel "Nu hoef je niet meer naar school!"C.G. Jung (1976) Herinneringen, Dromen, Gedachten. Een autobiografie. Rotterdam, Lemniscaat, blz. 35. Sindsdien verloor hij elke keer het bewustzijn als hij naar school ging of aan huiswerk moest beginnen. De volgende zes maanden bleef hij thuis, tot hij hoorde hoe zijn vader zich tegenover een bezoeker bezorgd uitliet over de toekomst van zijn zoon en vermoedde dat de jongen aan epilepsie leed. Met een schok realiseerde Carl zich dat hij zich vanwege de zwakke financiële situatie van het gezin op een succesvolle academische carrière moest richten. Hij ging onmiddellijk naar het bureau van zijn vader en stortte zich op de studie van Latijnse grammatica. Hij verloor drie keer het bewustzijn, maar geleidelijk overwon hij deze drang en viel niet meer flauw. "Hieruit heb ik geleerd wat een neurose is," zei Jung later.C.G. Jung (1976) Herinneringen, Dromen, Gedachten. Een autobiografie. Rotterdam, Lemniscaat, blz. 36.
Opleiding en huwelijk In Bazel doorliep hij het gymnasium en studeerde er vanaf 1895 geneeskunde. Hij was van plan om als chirurg of internist af te studeren en niets liet vermoeden dat hij zich aan de psychiatrie zou gaan wijden. Dit vakgebied werd destijds als een vreemde eend in de bijt beschouwd en Jung had er aanvankelijk dan ook geen interesse voor. Vlak voor zijn artsexamen kreeg hij echter het Lehrbuch der Psychiatrie van Richard von Krafft-Ebing in handen en dat veranderde zijn leven. Krafft-Ebing duidde psychosen aan als 'ziekten van de persoonlijkheid' en refereerde tevens aan de inzet van de totale persoonlijkheid van de psychiater bij het behandelen ervan. Jung voelde als in een flits dat dit het gebied was waarop hij moest afstuderen. Zijn directe omgeving was teleurgesteld in de vreemde keuze van de getalenteerde jongeman, maar Jung zette door. Hij slaagde met vlag en wimpel voor zijn artsexamen en promoveerde in 1902 op een proefschrift over de psychologie en pathologie van zogenaamde occulte verschijnselen. Het betrof een studie waarvoor zijn achternicht Hélène Preiswerk, die zich als medium presenteerde, het materiaal had geleverd.
Jung trad in 1903 in het huwelijk met Emma Rauschenbach (1882-1955). Samen kregen zij vijf kinderen. Jung had contact met Sabina Spielrein en Toni Wolff. Deze laatste vriendschapsrelatie zou Jung inspireren tot de ontdekking van de anima, de vrouwelijke tegenpool in het onbewuste van de man, omdat hij hierin zuivere of ware liefde ervoer. Het bracht hem tot een gedetailleerde beschrijving van het proces tot eenwording, ofwel de inwijding in het Heilige Huwelijk, wat hij beschrijft in zijn boek Aion.
Vroege carrière Vanaf 1900 werkte Jung als psychiater in de Burghölzli-kliniek bij Zürich, die onder directie stond van Eugen Bleuler. Hier hield hij zich onder meer bezig met de psychologische kant van dementia praecox (later schizofrenie genoemd) en ontwikkelde hij met zijn collega Franz Riklin een aantal associatietesten. In 1903 studeerde hij een half jaar in Parijs bij Pierre Janet. In 1909 nam Jung in Burghölzli ontslag, uit ergernis over de antifreudiaanse houding van oud-directeur Auguste Forel, die nog als adviseur werkzaam was, en het feit dat directeur Bleuler hier niet tegenin wilde gaan. Jung legde zich nu meer toe op zijn psychoanalytische benadering, en vestigde zich als zelfstandig psychiater. Zijn reputatie groeide zodanig, dat hij vele beroemde patiënten uit binnen- en buitenland kon ontvangen, onder wie de schrijver Hermann Hesse. Velen van hen kwamen uit de Verenigde Staten.
Verhouding tot Freud thumb|Groepsfoto uit 1909 voor de Clark University. Eerste rij: Sigmund Freud, G. Stanley Hall, Carl Jung; achterste rij: Abraham A. Brill, Ernest Jones, Sándor Ferenczi. Jung was twintig jaar jonger dan de grote pionier van de psychoanalyse, Sigmund Freud, wiens werk hij op de voet volgde. In 1906 nam hij het voor Freud op in een artikel in een Duits artsenblad, waarin hij wees op de vooruitgang in het begrip van de dwangneurose door diens neurosenleer. Het jaar daarop ontmoette hij Freud, waarna hij enkele jaren nauw met hem en diens beweging samenwerkte, onder andere als redacteur van het Internationale Jaarboek voor psychologisch en psychotherapeutisch onderzoek. Van 1910 tot 1914 was hij voorzitter van de Internationale Psychoanalytische Vereinigung. Freud zag Jung als zijn troonopvolger. Samen met de psychiater Sándor Ferenczi reisden zij naar de Verenigde Staten op uitnodiging van Granville Stanley Hall, waar zij alle drie een eredoctoraat ontvingen van de Clark University, voor Jung de eerste van de vele eretitels die hem in de loop der tijd ten deel vielen.
Jung omschrijft Freud in zijn autobiografie als de eerste man van werkelijk grote betekenis die hij ontmoette. Wel had hij vanaf het begin zijn twijfels over Freuds denkbeeld dat neurosen allemaal te herleiden zouden zijn tot seksuele verdringing of seksuele trauma's. Maar een diepgaande discussie hierover met Freud durfde hij op dat moment nog niet aan. Hij werd hierin gesteund door zijn oudere collega Théodore Flournoy, die Jung voorhield, dat Freud zich door zijn pioniersfunctie in de psychiatrie wel moest verschansen achter bepaalde eenzijdigheden. Flournoy steunde hem ook toen het in 1913 tijdens een congres in München tot een breuk kwam tussen Jung en Freud. Jung voelde zich inmiddels sterk genoeg om met zijn oudere collega, wiens naam nu meer en meer gevestigd raakte, de strijd aan te gaan. Het hete hangijzer bleek de functie van het begrip libido, dat Jung in zijn kort daarvoor uitgekomen boek Wandlungen und Symbole der Libido omschreven had als een psychische energie van een hoogst religieuze inhoud. Hij refereerde met het begrip aan de kennis van de ziel alsook aan wat de opkomende parapsychologie over het onderwerp te zeggen had. Freud bleef daartegenin vasthouden aan zijn theorie van verdrongen seksualiteit, die hij naar eigen zeggen als een dogma wilde verdedigen. Jung echter zag de seksualiteit vooral als een symbool van de psychische totaliteit van de mens. Zijn methode om mensen weer op het spoor van deze totaliteit te zetten, noemde hij voortaan de analytische psychologie.
Over zijn breuk met Freud schrijft Jung in zijn autobiografie: "Freuds grootste prestatie was wel, dat hij zijn neurotische patiënten serieus nam. Hij keek als het ware met de ogen van de patiënt en verwierf daardoor een dieper begrip van de ziekte dan tot dan mogelijk was geweest. Op dit terrein was hij moedig en niet-vooringenomen. Als een oudtestamentisch profeet heeft hij de taak op zich genomen om valse goden ten val te brengen, om bergen oneerlijkheid en huichelarij te onthullen en zonder erbarmen de psychische verdorvenheid van zijn tijd aan het licht te brengen."C.G. Jung (1976) Herinneringen, Dromen, Gedachten. Een autobiografie. Rotterdam, Lemniscaat, blz. 148.
Maar