miniatuur|Matrix uit de Progressive Matrices-intelligentietest Een intelligentiemeting of intelligentietest is een meting van de intelligentie van een persoon. Het meten van iemands intelligentie gebeurt voornamelijk met psychodiagnostische tests. Dit is geen eenvoudige zaak, vooral omdat intelligentie vele facetten kent en niet eenvoudig te definiëren is. Zoals mensen verschillen in lengte, zo verschillen zij ook qua intelligentie. Maar waar lengte eenvoudig is te meten, is dat bij intelligentie niet direct mogelijk. Geen enkele test kan alle verschillende facetten van de intelligentie omvatten en op een betrouwbare en valide wijze vaststellen. Er kan alleen bij benadering worden vastgesteld hoe goed bepaalde functies van de intelligentie bij een mens of dier zijn ontwikkeld.
Met toenemende leeftijd groeien kinderen niet alleen in lengte en gewicht, maar ook hun intelligentie neemt toe. Bepaalde facetten van de intelligentie veranderen sterker met de leeftijd dan andere. Een tweede taal leren, gaat bijvoorbeeld op jonge leeftijd makkelijker dan op latere leeftijd. Geheugenfuncties nemen bij oudere mensen af. In sommige culturen worden bepaalde facetten van de intelligentie door verschil in scholing meer beoefend dan andere. Met deze variaties in leeftijd en cultuur moet bij intelligentie-metingen rekening gehouden worden.
Eerste intelligentietests Al in de 19e eeuw werd gezocht naar mogelijkheden om verschillen in intelligentie bij mensen vast te stellen. Bekend geworden is het werk van Paul Broca in Frankrijk, Francis Galton in het Verenigd Koninkrijk en Wilhelm Wundt in Duitsland. Maar de ontwikkeling van de intelligentietests van de 20e eeuw is begonnen met de Franse psycholoog Alfred Binet die samen met zijn medewerker Théodore Simon in 1905 een intelligentietest ontwierp voor kinderen. Deze Binet-Simon-schaal werd kort daarna vertaald voor gebruik in de Verenigde Staten en toen die test daar in 1908 op de markt kwam, bleek die direct in een grote behoefte te voorzien. Het was een Amerikaan, Henry Goddard, die op basis van deze Franse test het begrip IQ, intelligentiequotiënt, ontwikkelde. Het gebruik van de term quotiënt verwijst naar de oorspronkelijke berekeningswijze van het IQ, waarbij de verstandelijke leeftijd gedeeld werd door de chronologische leeftijd.
Toen de Verenigde Staten in 1917 besloten om het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk te helpen in de oorlog tegen Duitsland, moesten er op korte termijn veel rekruten voor het Amerikaanse leger geselecteerd worden. Men wilde daarbij ook op intelligentie selecteren en ontwierp twee eenvoudige tests die groepsgewijs konden worden afgenomen, de Army Alfa en Army Bèta. De grote ontwikkeling in het individueel testen van volwassenen begon met David Wechsler die in 1939 de Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS) publiceerde. Tien jaar later werd op soortgelijke basis een nieuwe test voor kinderen op de markt gebracht, de Wechsler Intelligence Scale for Children (WISC). Sindsdien is de Nederlandstalige bewerking van die test en de bijbehorende revisies daarvan ook in Nederland en Vlaanderen de meest gebruikte intelligentietest voor kinderen.
Veel gebruikte intelligentietests in Nederland thumb|250px|WISC-III De WAIS bestond oorspronkelijk uit 11 subtests: 6 verbale en 5 non-verbale subtests. Zo kon afzonderlijk een verbaal IQ en een performaal IQ worden berekend. Het gemiddelde van de scores op alle subtests samen vormt dan de totale intelligentiescore. In 1997 werd de test grondig herzien. Het resultaat was de WAIS-III met 14 subtests, waarvan er doorgaans 11 gebruikt worden. In 2000 verscheen een aanpassing voor het Nederlandse taalgebied.
De WAIS heeft ook een kinderversie (ca. 6-16 j.), de WISC, en een kleuterversie, (ca. 2,5-7 j.), de Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence (WPPSI). Deze tests hebben analoge onderdelen, maar dan aangepast aan de kinderleeftijd. Een andere bekende intelligentietest voor kinderen is de RAKIT, ontwikkeld aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Een voor volwassenen in Nederland veel gebruikte intelligentietest is de Groninger Intelligentietest (GIT), in de jaren 1950 ontwikkeld door Frans Verhage. Deze test bestaat uit 9 onderdelen die verschillende vaardigheden meten, zoals rekenvaardigheid, logisch redeneren en ruimtelijk inzicht. Ook van de GIT bestaat een tweede versie: de GIT-2. In het algemeen (dit geldt voor Nederland, niet voor het gehele Nederlandse taalgebied) staat de GIT bekend als een goed genormeerde en betrouwbare test.
Er bestaan ook speciale intelligentietests voor specifieke doelgroepen, zoals doven die niet via de gangbare manier kunnen worden getest: de in Nederland ontwikkelde Snijders-Oomen niet-verbale intelligentietest, kortweg SON-test en de COVAAR-test voor asielzoekers.
Het IQ Het intelligentiequotiënt of IQ is een van de meest gangbare maten voor de intelligentie. Het is een score afgeleid van een verzameling gestandaardiseerde tests, die ontwikkeld zijn met het doel om de cognitieve vaardigheden van een persoon vast te stellen. Bij kinderen, bij wie de intelligentie nog sterk in ontwikkeling is, gebeurt dat in relatie tot de gemiddelde intelligentie van de betreffende leeftijdsgroep.
Oorspronkelijk werd het IQ door Henry Goddard gedefinieerd als de verstandelijke leeftijd gedeeld door de chronologische leeftijd, maal 100. Daarmee had iemand met een IQ van 100 dus een verstandelijke leeftijd gelijk aan de chronologische leeftijd. Voor een indicatie van het IQ van kinderen was dit aanvankelijk een bruikbare definitie. Voor volwassenen ging die berekening niet op, omdat de intelligentie niet meer toeneemt vanaf ongeveer het 18e levensjaar. Reeds in de puberteit neemt de stijging van de intelligentie al af in verhouding tot de stijging van de chronologische leeftijd. Daarom werd vanaf omstreeks het 14e levensjaar een leeftijdscorrectie toegepast, met een leeftijd van 18 jaar als maximumdeler voor de chronologische leeftijd. David Wechsler hanteerde een IQ-meting (zijn Wechsler-Bellevueschaal van 1939, voorloper van de WAIS) door de prestatie van de proefpersoon te vergelijken met de prestaties van grote normgroepen, een principe dat sindsdien algemeen verspreid werd. Alleen bij kinderen zijn die normgroepen van ongeveer dezelfde leeftijd.
Het IQ is een genormaliseerd getal op een schaal waarvan het gemiddelde op 100 wordt gesteld met een standaardafwijking van 15. Intelligentietests worden zo ontworpen dat IQ-scores bij benadering normaal verdeeld (gauss-verdeeld) zijn. Het gemeten IQ wordt daarbij gezien als een schatting van het ware, maar onbekende, IQ. Steeds vaker worden daarom de betrouwbaarheidsgrenzen van het gemeten IQ vermeld, zoals in de nieuwe WAIS. Herhaalde proeven bij eenzelfde persoon wijzen uit dat diens testuitslag soms tot twintig punten kan afwijken van een eerdere testuitslag, met verschillende oorzaken, zoals een slechte gezondheid, vermoeidheid, stress en concentratieproblemen door gewenning aan materiaal en situatie.
Onderzoek naar genetische invloeden en omgevingsinvloeden op het IQ Om externe invloeden op het IQ vast te stellen hebben gedragsgenetici zich gericht op twee van de drie klassieke onderzoeksvormen: tweelingonderzoek en adoptieonderzoek. De derde, familieonderzoek, wordt buiten beschouwing gelaten, omdat het lastig is om genetische invloeden te onderscheiden van omgevingsinvloeden (de omgeving wordt gedeeld door de verschillende groepen). Bij tweelingonderzoek is er gekeken naar de overeenkomst tussen continue eigenschappen, zoals lengte, gewicht en IQ. Dus bijvoorbeeld wat de correlatie is tussen een eeneiige tweeling en een twee-eiige tweeling. Bij adoptieonderzoek is gekeken naar genetisch verwante individuen (kinderen), maar die niet de omgeving delen van hun biologische ouders.
Uit die verschillende onderzoeken en vooral uit de laatste twee is gebleken dat voor de meeste psychologische eigenschappen, zoals cognitieve vaardigheden (IQ), persoonlijkheid en de meeste psychiatrische stoornissen, geldt dat ten minste 20-40 procent van de verschillen tussen individuen bepaald wordt door omgevingsfactoren. Anders gezegd: de omgeving heeft invloed op de score van het IQ. (2005): De ontwikkeling van het kind, Koninklijke Van Gorcum
Hoe vaak komt een bepaalde IQ-score voor? thumb|300px|Normale verdeling van IQ-scores met 100 als gemiddelde en standaardafwijking 15 De hiernaast afgebeelde grafiek toont een normale verdeling met een verwachtingswaarde van 100 en een standaardafwijking van 15. Op basis van deze grafiek kan voor IQ-scores de volgende tabel samengesteld worden:
{| class="wikitable" |- ! IQ !! Relatievecumulatievefrequentie |- | align="right"|55 || align="right"|0,1% |- | align="right"|70 || align="right"|2,2% |- | align="right"|85 || align="right"|15,8% |- | align="right"|100 || align="right"|50,0% |- | align="right"|115 || align="right"|84,1% |- | align="right"|130Dit is 2 standaarddeviaties boven het gemiddelde en is de toelatingseis van Mensa || align="right"|97,8% |- | align="right"|145 || align="right"|99,9%
Uitleg: 84,1% van de testmetingen zal een score van 115 of lager opleveren (het oppervlak onder de kromme links van 115 ofwel 1 standaarddeviatie boven het gemiddelde). Een score van 130 (twee standaarddeviaties boven het gemiddelde) of hoger zal in 2,1% van de metingen voorkomen. Een score tussen de 85 en de 115 zal in (84,1% - 15,8% =) 68,3% van de metingen voorkomen.
De helft van de bevolking heeft dus per definitie een IQ lager dan 100, de andere helft hoger; dit is het gevolg van de standaardisatie van de IQ-test. Uit de tabel blijkt verder dat heel lage of hoge IQ's relatief weinig voorkomen. Een IQ hoger dan 145 zal bij 1 op de 1000 mensen voorkomen.
De betekenis van IQ-scores De indeling van de IQ-waarden:
> 130 Hoogbegaafd 121 - 130 Begaafd 115 - 120 Bovengemiddeld 85 - 115 Gemiddeld 70 - 85 Benedengemiddeld/zwakbegaafd 50 - 70 Lichte verstandelijke beperking 35 - 50 Matige verstandelijke beperking 20 - 35 Ernstige verstandelijke beperking < 20 Diepe verstandelijke beperking
Uitzonderlijke IQ scores Verschillende beroemdheden hebben of hadden uitzonderlijke IQ-scores, waaronder: Albert Einstein had naar verluidt een IQ van 160. Dolores Leeuwin, kwam bij de De Nationale IQ Test in 2012 uit op de hoogste score tot dan toe met 159. Mark Huizinga, was tot 2012 degene die op De Nationale IQ Test de hoogste score had met 142. Kim Ung-yong, zou een IQ van 210 hebben. Marilyn vos Savant, zou een IQ hebben van 228, maar dit bleek een meetfout. James Woods, zou een IQ van 180 hebben. Rory Bidwell, een jongen van 12 uit het Verenigd Koninkrijk, haalde het nieuws in 2024 met een IQ-score van 162. YoungHoon Kim, heeft het record van de hoogste IQ-score ter wereld namelijk 276
Kanttekeningen thumb|Marc Hendriks (Radboud Universiteit) over hoe intelligentietesten beter kunnen - Universiteit van Nederland Voor het IQ bestaat bijzonder veel belangstelling, omdat een persoon daarmee gemakkelijk te beoordelen lijkt. Een aantal kanttekeningen dienen wel geplaatst te worden bij IQ-tests.