Dzjengis Khan (uitgesproken als [ˈdʒɛŋɡɪs ˈkɑːn]), (Mongools: Чингис хаан, [t͡ʃʰiŋɡɪs xaːŋ]) geboren als Temüjin (Mongools: Тэмүүжин; Temüüzjin), (Turks: Timuçin) (Delüün Boldog (Hentigebergte), 1162 – Yinchuan, 18 augustus 1227) was een Mongools heerser (kan, chan of khan) en veroveraar.
Dzjengis Khan verenigde de Mongoolse stammen en stichtte qua oppervlakte het grootste aaneengesloten imperium in de wereldgeschiedenis. Het strekte zich uit van China tot aan de rivier de Donau. Tijdens de veldtochten onder zijn bewind vonden massale slachtpartijen onder de bevolking van veroverde steden plaats, vooral in Centraal-Azië.
De naam van Dzjengis Khan wordt ook wel geschreven als Genghis Khan (Mongools: Чингис Хаан; uitspraak: ). Letterlijk betekent zijn naam "Grote Leider".
Korte beschrijving Temüjin volgde zijn vader Yesükhei op als leider van een Mongoolse stam en verenigde later de Mongoolse en Turkse stammen tot een confederatie. Na de onderwerping van vele stammen van Mongolië en het vestigen van zijn hoofdstad in Karakoroem, hield Temüjin een grote vergadering, een khuriltai, waarbij hij de leiding van de Mongolen op zich nam en zijn titel Dzjengis Khan aannam. Hij stelde een gedragscode in, de yasak, en reorganiseerde zijn legers. Hij viel het imperium van de Song-dynastie in Noord-China binnen en had in 1215 het grootste deel van hun grondgebied bezet, waaronder de hoofdstad, Yenching (tegenwoordig Peking). Van 1218 tot 1224 veroverde hij Turkestan en Transoxanië en viel Perzië en Oost-Europa binnen.
Dzjengis Khan regeerde over een van de grootste landrijken die de wereld ooit heeft gekend. Hij stierf tijdens zijn veldtocht tegen de Jurchen, en zijn enorme domeinen werden verdeeld onder zijn zonen en kleinzonen. Zijn oorlogen werden gekenmerkt door veel bloedvergieten.
Met zijn vrouw Börte kreeg hij meerdere kinderen, waaronder vier zonen: Jochi, Chagatai, Ögedei en Tolui. Deze zetten de dynastie voort in verschillende delen van het rijk en kregen kinderen. De belangrijkste kleinkinderen van Dzjengis Khan zijn: Batu, Berke, Hulegu, Möngke, Koeblai, Ariq Boke en Güyük. Ook Timoer Lenk beweerde een afstammeling van Dzjengis Khan te zijn. In tegenstelling tot zijn vrouw was hij dat echter niet.John Man, Genghis Khan: Life, Death and Resurrection, Thomas Dunn Books 2004, In veel landen regeerden nakomelingen van hem nog tot in de 18e, 19e of zelfs 20e eeuw.
Op 6 oktober 2004 ontdekten Japanse en Mongoolse archeologen het waarschijnlijke paleis van Dzjengis Khan, 250 kilometer ten oosten van hoofdstad Ulaanbaatar op de Mongoolse steppe. Het graf zou zich nabij dit paleis bevinden, maar is nog altijd niet gevonden. Remains of Genghis Khan palace unearthed, NBC News, 6 oktober 2004
Jeugdjaren Temüjin werd geboren tussen 1155 en 1167 (meest genoemde jaartallen zijn 1155, 1162 en 1167). Hij was de tweede zoon van Yesükhei, een stammenleider van de Kiyad (enkelvoud: Kiyan). De clan van Yesükhei werd Borjigin genoemd (meervoud: Borjigid). Zijn moeder heette Hoelun en behoorde tot een stam genaamd Olkunut. Temüjin werd vernoemd naar een verslagen rivaliserende leider.
Het vroege leven van Temüjin werd getekend door tal van moeilijkheden. Toen hij negen jaar oud was, huwelijkte zijn vader hem uit. Hij moest bij de familie van zijn toekomstige vrouw wonen tot hij de huwbare leeftijd van 14 zou bereiken. Kort daarna werd zijn vader echter vermoord (vergiftigd) door een naburige stam. Zijn halfbroer Begter werd daarop leider van de stam, totdat deze door Temüjin vermoord werd. De ruzie tussen hen had een gestolen jachtbuit (een gevangen vis) als aanleiding, maar ging in wezen over Begters wens zijn moeder Hoelun te trouwen om de macht definitief in handen te krijgen. Dit was voor Temujin te veel en samen met zijn broer Khasar schoot hij Begter neer.
Temüjins stam, die weigerde door een kind te worden geleid, liet hem en zijn familie na de dood van Yesükhei in de steek, maar nu er ook moord in de familie was gepleegd, werd Temujin vogelvrij verklaard. De daaropvolgende jaren leefden hij en zijn familie als arme nomaden. Ze overleefden hoofdzakelijk door het eten van knaagdieren. Zijn moeder Hoelun leerde hem te overleven in het ruwe klimaat van Mongolië, vooral door gebruik te maken van de hulp van anderen. In zijn latere jaren zou hij deze kennis in de praktijk brengen.
Rond de leeftijd van zestien trouwde Temüjin met Börte uit de stam Konkirat en ontving een mantel van zwart sabelbont als bruidsschat; dit waardevolle stuk kwam hem later goed van pas. Later werd zijn vrouw ontvoerd tijdens een inval door de stam van de Merkieten. Temüjin onderhandelde met zijn vriend en latere rivaal, Jamuka, met een lokale machthebber, Toghril, die hij de mantel aanbood. Toghril hielp hem en werd zijn beschermer en Börte werd bevrijd. De geboorte van het eerste kind van Börte, Jochi, volgde spoedig daarna. Zelfs op jonge leeftijd toonde Dzjengis Khan een uitzonderlijke volharding en toewijding. Andere stamleiders begonnen zijn charismatische karakter te erkennen.
Veel hierover kan gelezen worden in de kroniek De geheime geschiedenis van de Mongolen, het belangrijkste Mongoolse literaire werk uit de premoderne periode, dat voor een aanzienlijk deel handelt over de jeugd van Dzjengis Khan. Daarin wordt onder meer de panische angst beschreven die Dzjengis in zijn jeugd had voor honden. Er is daarnaast een passage in het werk die grote twijfel oproept of Yesükhei wel de biologische vader van Dzjengis Khan was. Die passage maakt het aannemelijk dat dit Chiledü geweest zou kunnen zijn, een clanleider van de Merkieten, erfvijanden van de stam waar Dzjengis Khan opgroeide. Een andere passage maakt het op zijn minst waarschijnlijk dat Dzjengis Khan zelf niet de biologische vader geweest kan zijn van Jochi, de oudste zoon van zijn belangrijkste vrouw Börte.
"Opperste leider" De sleutel tot het leiderschap van Dzjengis Khan was het verzamelen van loyale en talentvolle mensen om zich heen. Er ontstond een politieke en militaire hiërarchie. Zo was hij uiterst respectvol tegen anderen die aan hem loyaal waren, en het was niet ongewoon voor hem om bevriend te raken met vijandelijke vechters die loyaliteit toonden. Hij maakte zeer duidelijk dat degenen die op een bepaald gebied begaafd waren, allemaal een eerlijke kans kregen om te worden bevorderd.
Dit was in tegenspraak met de gewoonten onder de Mongoolse stammen. Dzjengis Khan scheen niet veel om persoonlijke rijkdom te geven. Hij leefde immers als een nomade. Hij sprak alleen Mongools en kon niet lezen en schrijven. In plaats van persoonlijke rijkdom te vergaren deelde hij de goederen die hij in zijn bezit kreeg bij zijn veroveringen met zijn mensen en allianties. Hij werd daarom gezien als zeer grootmoedige leider. Zijn politieke ideologie stond zwart op wit in zijn geschreven wet: de "Yasa". Hij wees zijn zoon Chagatai Khan aan als de persoon die de gerechtelijke besluiten betreffende Yasa moest treffen. Deze stond bekend als een zeer loyaal verdediger van Dzjengis Khan en zijn beleid.
Dzjengis Khan geloofde in meritocratie, leiders die werden gekozen op grond van prestaties en capaciteiten. Dit in tegenstelling tot de Mongoolse aristocratie waar leiderschap erfelijk was. Deze filosofie kreeg duidelijk gestalte bij de opbouw van zijn imperium, vooral bij de selectie van overheidsfunctionarissen en bevelhebbers voor zijn veldslagen. Hij was zich als geen ander bewust van het belang van het verbreiden van zijn ideeën en de invloed van de geschreven taal. Hij was bereid om te zorgen voor vreedzame handel en ontwikkeling door de politieke stabiliteit op de zijderoute veilig te stellen. Hij creëerde handelsroutes die eerder door heersers en stammenleiders werden geblokkeerd. Hij verbood alle vormen van marteling en vernedering in het imperium (dit verbod was een loos gebaar, zo zou uit de latere daden van Dzjengis Khan blijken).
Dzjengis Khan geloofde in het belang van kunst en wetenschappen. Leraren, artsen en intellectuelen werden vrijgesteld van belastingen en hij integreerde talentvolle mensen uit China in het Mongoolse Rijk. Dzjengis Khan vervolgde nooit iemand op godsdienstige gronden en geloofde in de politieke en militaire macht als gevolg van vrijheid van godsdienst in zijn imperium. Toen hij een veldslag voerde tegen de shah van het Chorasmische Rijk, werd dit door de andere moslimleiders gezien als een niet-heilige oorlog tussen twee moslims. Zo zorgde Dzjengis Khan ervoor dat de andere moslims zich niet tegen hem gingen keren uit naam van de godsdienst.
Dzjengis Khan was zich als geen ander bewust van wat anderen (tegenstanders) van hem dachten. Hij probeerde zijn vijanden zeer goed in de gaten te houden om zo op de hoogte te blijven van mogelijke tactieken.
Dzjengis Khan en zijn mensen beschouwden zich als het centrum en grootste van het heelal. Zij beschouwden ook het succes van Dzjengis Khan in conflicten als bewijs dat zij door de goden werden gesteund. Dzjengis Khan en de Mongolen waren zeer loyaal aan hun goden en hun normen en waarden waren zeer stevig in het Rijk opgenomen.
Dzjengis Khan, die in zijn jeugd vele ontberingen had meegemaakt, handhaafde zijn nomadische manier van leven. Hij bracht de sobere levensstijl over op zijn stamgenoten. Dzjengis Khan was godsdienstig en de Mongolen respecteerden in gelijke mate de "Eeuwige Blauwe Hemel" (Munkh Huh Tenger) en de berg in centraal Mongolië, "Burhan Haldun Uul", waar hij vaak vóór veldslagen bad.
Zoals Dzjengis Khan het zelf zei:
"Ik draag dezelfde kleding en eet hetzelfde voedsel als koeienherders en paardenherders. Wij brengen dezelfde offers en wij delen onze rijkdom. Ik kijk naar de natie als een pasgeboren kind en ik geef om mijn militairen alsof zij mijn broeders zijn."
Vereniging van stammen 350px|thumb|Historische handelskaart van Azië
Temüjin kwam aan de macht dankzij zijn vriend Toghril, een lokale leider. Hij sloot zich aan bij de Keiraïten, een Mongoolse stam die door Wang Khan (de titel van zijn beschermer Tohgril) werd geleid. Na succesvolle veldtochten tegen de Tatar werd Temüjin benoemd tot erfgenaam van Wang Khan. Dit leidde tot bitterheid van Senggum, de eerdere gedoodverfde erfgenaam van Wang, die het plan opvatte om Temüjin te vermoorden. Temüjin wist van de bedoelingen van Senggum en een grote burgeroorlog brak uit onder de Mongolen. Uiteindelijk versloeg Temüjin Senggum en volgde Wang Khan op. Temüjin stelde een geschreven code van wetten op voor de Mongolen, genaamd de "Yasa", en hij eiste dat deze zeer strikt werd gevolgd.
Temüjin viel ook andere stammen aan en vergrootte zijn macht. Door diplomatie, organisatie, militaire capaciteit en wreedheid tegen zijn medeburgers te combineren, slaagde Temüjin er definitief in om de stammen tot één enkele natie te verenigen (een monumentale prestatie voor de Mongolen, die een lange geschiedenis van stamgeschillen hadden).
Dzjengis Khan scheen een symbolische betekenis aan de naam Mongolië toe te wijzen. Zo was het niet ongewoon voor Dzjengis Khan om naar een persoon te verwijzen als "Mongools" nadat diegene zich waardig had getoond. De term werd niet uitsluitend gebaseerd op het behoren tot een bepaald ras.
Veel stammen traden vrijwillig tot het rijk van Dzjengis Khan toe. Dat gaf hun het voordeel van een sterke leiding, eenheid en een goed moreel alsook het opbouwen van verfijnd sociaal en economisch systeem.
Stichting van een imperium In 1206 had Temüjin met succes de vroeger versplinterde stammen van wat nu Mongolië is verenigd, en in de Khuriltai (een raad van Mongoolse leiders) kreeg hij de titel "Dzjengis Khan" (heerser van de wereld; andere spellingen van zijn naam zijn Jenghis Khan, Djengis Khan, Genghis Khan en Chingis Khan). Hij zette de lange Mongoolse traditie van aanvallen op China voort, met meer succes dan tot dan toe gebruikelijk, aangezien hij een krachtige militaire machine had opgebouwd.