thumb|Standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn; door Ferdinand Leenhoff (1893)

Jan Pieterszoon Coen (Hoorn, 8 januari 1587Romein, Jan en Annie Romein-Verschoor, "Erflaters van onze beschaving" (zie ook Doopboek Hoorn). Gearchiveerd op 5 januari 2023. – Batavia, 21 september 1629) was een Nederlands koopman, boekhouder-generaal (1613), directeur-generaal (1614) en vanaf 1617 de vierde gouverneur-generaal over alle bezittingen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) buiten de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Zijn bekendheid is onder meer te danken aan het behalen van een monopolie op de lucratieve nootmuskaathandel in 1621 en het stichten van de handelspost Batavia in 1619, die uitgroeide tot de hoofdstad van Nederlands-Indië (het tegenwoordige Jakarta).

Zijn heldenstatus wordt bekritiseerd, vooral vanwege zijn bloederig gewelddadige optreden op de Banda-eilanden waarbij hij een handelsmonopolie verkreeg voor nootmuskaat, foelie en kruidnagel. Hij kreeg hierdoor de bijnaam 'slachter van Banda'. In een brief naar de VOC schreef hij later "(...) we kunnen geen handel drijven zonder oorlog, of oorlog drijven zonder handel".

Zijn bekendste uitspraak is „Dispereert niet, ontsiet uwe vijanden niet, daer en is ter werelt niet dat ons kan hinderen”. Op standbeelden is dit vaak afgekort naar alleen "dispereert niet", wat vertaald kan worden naar 'heb geen wanhoop'.

Leven Jeugd Coen werd op 8 januari 1587 in Hoorn geboren en op 11 januari 1587 gedoopt in de gereformeerde kerk in Hoorn als een zoon van Pieter Willemsz. (ca. 1561-) afkomstig uit Twisk. Zijn vader was twee jaar daarvoor nog koopman in San Lucar en actief in de zouthandel.Masselman, George, The Cradle of Colonialism, p. 229 Coen had een jongere zuster, Aafje Coen. Zijn moeder Geert Jansd. overleed tijdens de geboorte van Aafje in het kraambed.

Opleiding in Rome Op dertienjarige leeftijd vertrok hij vanuit Hoorn naar Rome. Daar ging hij in de leer bij een van oorsprong Vlaamse lakenkoopman uit Oudenaarde, de katholieke Joost de Visscher (Justus Pescatore), waarschijnlijk een vriend of kennis van zijn vader. Coen zou ruim zes jaar in Rome verblijven. Hij leerde er de grondbeginselen van het koopmanschap, waaronder de kneepjes van het dubbel boekhouden (niet te verwarren met dubbele boekhouding). Ook leerde hij er een aantal vreemde talen, waaronder Latijn en Italiaans, maar waarschijnlijk ook Spaans en Portugees. In de eerste helft van 1606 keerde hij, vlak na de dood van zijn vader, terug naar Hoorn. Kort daarna trad hij in dienst van de VOC.

Huwelijk Na zijn eerste gouverneurschap terug in Holland trad hij in februari 1625 in het huwelijk met de 19-jarige Eva Ment, een nicht van Pieter Hasselaer. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren, die beiden op jonge leeftijd zouden komen te overlijden. In 1627 reisde hij met vrouw en dochtertje Geertruid incognito naar Indië voor een tweede termijn van gouverneur van Oost-Indië. Ook zijn schoonmoeder, zwager en schoonzuster reisden mee. De eerste twee zouden al spoedig na aankomst in Batavia overlijden. In 1628 overleed ook zijn dochtertje, Geertruid. Kort voor zijn dood in 1629 werd een tweede dochtertje geboren.

Overlijden Coen overleed in de nacht van 20 op 21 september 1629, waarschijnlijk aan een acute gastro-enteritis. Na zijn dood keerde zijn vrouw met de retourvloot van november 1629 terug naar Holland. Op weg naar Holland overleed zijn jongste dochtertje. De erfenis werd gedeeld tussen zijn vrouw Eva Ment (7200 gulden) en zuster Aafje Bruyns-Coen (6000 gulden)., Jan Pieterszoon Coen, Bedwinger van Indië, p. 287.

Oost-Indië Eerste reis (1607–1611) In december 1607 vertrok Jan Pieterszoon Coen als onderkoopman met het schip Hoorn voor de VOC voor zijn eerste reis naar Oost-Indië. Er is niet veel bekend, want zijn verslag uit 1610 is niet bewaard gebleven. Tijdens de tocht is de leider van de expeditie, Pieter Willemszoon Verhoeff vermoord door Bandanezen vanwege meningsverschillen over de bouw van een versterking en de aankoopprijs van specerijen.Voor meer details zie het artikel over VOC op de Banda-eilanden. Op 28 juni 1611 keerde hij terug in Nederland.

Tweede reis en promotie (1612–1617) thumb|De Gunung Api

Op 12 mei 1612 vertrok Coen voor een tweede zeereis. Om vers water, fruit en groente in te nemen landde het schip op Ilha Brava (Kaapverdië), waar dertien man in een hinderlaag werden gelokt en omkwamen. Omdat hij zijn manschappen een soort hutspot met pruimen geweekt in citroensap te eten gaf, stierf onderweg slechts een van de opvarenden.Op 9 februari 1613 kwam hij aan in Bantam als opperkoopman en commandeur over de schepen de Geunieerde Provintiën en de Hope. De factorij met de voorraden was afgebrand, enkele medewerkers waren vermoord en de administratie een puinhoop.Pieter Both kwam in augustus naar Bantam om een onderzoek in te stellen naar het wanbeheer van de VOC-dienaren aldaar.

Op 22 februari zeilde Coen naar Jacarta. Het hoofd van de vestiging, Abraham Theunemans, werd afgezet en door Coen met geweld verwijderd. In mei ging Coen onder leiding van Both naar de Molukken. Ze brachten een bezoek aan Amboina, Batjan, Ternate en deden een aanval op Tidore. Er werden enige gewapende successen behaald, maar de voorgenomen verovering van het gehele eiland slaagde niet. Een overval op Manilla werd door Both afgewezen. Solor werd door de Portugezen verlaten.

Aziatische vorsten hadden nauwelijks belangstelling voor Europese producten en Coen bepleitte het sturen van klinkende munt in het belang van de intra-Aziatische handel. De inlandse scheepvaart zou naar zijn mening (en die van bewindhebbers) van de specerijeneilanden moeten worden geweerd, omdat de kruidnagelen, nootmuskaat en foelie aan de concurrentie werden verkocht. De levering van sandelhout uit Timor aan China zou moeten worden opgevoerd. Daarnaast zou de immigratie van gezinnen, begeleid door ongehuwd personeel, moeten worden opgevoerd om de eilanden te bevolken.

In 1614 formuleerde Coen een bedrijfsplan voor de VOC. Dit zogeheten Discoers zond hij naar zijn opdrachtgevers in Nederland, de Heren XVII, de bewindhebbers van de VOC. Het Discours was een blauwdruk, een totaalplan voor wat het VOC-imperium uiteindelijk ook geworden is.Jur van Goor, Jan Pietersz. Coen (1587-1629): koopman-koning in Azië, Uitgeverij Boom, 2015

Op aanraden van Jacques l'Hermite werd Coen voorgedragen als directeur-generaal over alle VOC-kantoren in Azië. Op 5 november 1614 kwam Gerard Reynst met het bericht uit Amsterdam dat Coen was benoemd tot president van Bantam en Jacarta, maar ook tot boekhouder-generaal. Als tweede man na gouverneur-generaal Reynst zette hij zijn visie in daden om.

De Indische buitenhandel werd opgevoerd. De aankoop van textiel in India werd betaald met zilver uit Japan; de verkoop van deze "kleedjes" in de Indische archipel leverde specerijen en hout, dat werd geëxporteerd naar China. De schepen voeren met lakwerk en porselein retour. Last but not least leverden de Hollanders Chinese zijde in Japan. Batavia zou het centrum van dit netwerk moeten worden en fungeren als stapelmarkt.De VOC Overzee, voc-kenniscentrum.nl Met de winst zouden de retourvloten naar het vaderland moeten worden gefinancierd.

De bewindhebbers hadden geopperd om slaven in te zetten bij de bouw van de forten en de pakhuizen. Coen antwoordde op advies van Steven van der Hagen iemand naar Madagaskar te sturen, waar Arabieren verbleven die bij de handel met slaven betrokken waren.Colenbrander, H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen. Levensbeschrijving, p. 92. Met Laurens Reael kreeg hij een meningsverschil over het toelaten van Aziatische vreemdelingen op de Molukken, Banda en Ambon.

Op 8 mei 1622 liet hij aan de VOC-handelspost in het Indiase Masilupatnam weten dat hij wel honderdduizenden slaven kon gebruiken. Zijn voorkeur ging daarbij uit naar jonge slaven die voor een nageslacht konden zorgen. Alle VOC-handelsposten in Ceylon, Coromandel en Bengalen kregen van Coen opdracht zoveel slaven te kopen als mogelijk was.Prakash, Om (1984) The Dutch Factories in India 1617-1623, p. 201

De VOC was tegen deelname van de Engelsen aan de specerijenhandel, omdat de kosten voor verdediging van de eilanden tegen Spanje en Portugal tot dan toe voor de VOC waren geweest. Ook het concurrerende schip de Eendracht, uitgerust door Isaac le Maire, die het monopolie had trachten te omzeilen, werd in 1616 in beslag genomen, alsmede twee Franse schepen, afkomstig uit Dieppe en diverse Engelse schepen.

thumb|Plattegrond van Batavia uit ca. 1627. Reproductie (ca. 1920) uit de collectie Wereldmuseum Amsterdam

Eerste termijn als gouverneur-generaal (1618–1623)

In augustus 1617 werd Coen door de Heren XVII aangewezen als gouverneur-generaal. Hij ontving daar echter pas in april 1618 bericht van.J.H.C. de Pater, Jan Pieterszoon Coen en het Calvinisme van zijn tijd pag. 307 Cornelis Coomans stuurde hij vervolgens naar de sultan van Atjeh om te proberen - met uitsluiting van de Britse Oost-indische Compagnie - een handelscontract af te sluiten. Samen met Laurens Reael besloot hij in augustus 1618 tot versterking van de handelspost op de oever van de rivier Tjiliwan, tegenover Jacatra.Stichting Batavia, nationaalarchef.nl De bouw van het fort, Fort Jacatra, bracht Coen in conflict met de vorst, Bantam en de Britse Oost-Indische Compagnie.

In november begon hij zonder toestemming met de uitbreiding van fort Jacatra, maar om de zaak in evenwicht te houden kregen ook de Engelsen toestemming hun handelspost op Bantam te versterken.Dutch (V.O.C.) Conquest of Jakatra (Batavia) 1619, zum.de. Gearchiveerd op 18 november 2022.Thema's over de geschiedenis van de VOC, voc-kenniscentrum. Gearchiveerd op 9 februari 2023. De Engelsen kaapten in 1618 het VOC-schip de Zwarte Leeuw, waarna de koopman Hendrik Janssen en zijn bemanning bij de pangeran van Bantam werden opgesloten. Als tegenmaatregel werd op 24 december de Engelse handelspost verwoest. Op 2 januari 1619 kwam het tot een treffen voor de kust dat onbeslist bleef. Coen zeilde vervolgens naar de Molukken om meer hulp te halen bij Herman van Speult en Adriaen Maertensz. Block. De vloot verzamelde zich bij Madoera. Pieter de Carpentier werd vooruit gezonden vanwege de tegenwind. Onderweg verwoestte de vloot Japara voor de tweede keer. De plaatselijke Chinezen schijnen naar Jacatra te zijn vervoerd om de nieuwe nederzetting met koelies, tuinders, winkeliers en kooplieden te bevolken.

Aan de oostzijde van de Ciliwungrivier werd naast Fort Jacatra begonnen met de bouw van een vierkant kasteel met op de vier hoeken grote uitspringende bastions. Al vanaf de stichting in 1619 waren Javanen niet welkom, want ze zouden opnieuw in opstand kunnen komen. Ondertussen werd in Batavia dag en nacht gewerkt aan het fort onder leiding van Pieter van den Broecke. Willem IJsbrantsz. Bontekoe voer op en neer om een witte koraalsteen die van de zeebodem werd gehaald te lossen.Het Journaal van Bontekoe, p. 68, 70, 104. Van den Broecke werd tijdens een onderhandelingspoging met zes man door de Javanen in gijzeling genomen en capituleerde op 1 februari 1619. Hij sloot een verdrag met de Engelsen en de sultan. De wapens zouden worden weggehaald door de Engelsen, de koopmansgoederen kwamen de sultan toe. Toen dit bekend werd in het fort braken de manschappen alles open. Eerst toen kwamen de Bantammers opzetten. De volgende dag werd de sultan door zijn Bantammer principaal afgezet. In de daaropvolgende maanden werd er voornamelijk onderhandeld en nauwelijks geschoten.