De Brief aan de Hebreeën (vaak kortweg Hebreeën genoemd) is een van de boeken in het Nieuwe Testament van de Bijbel. Het Bijbelboek telt in de indeling van Robert Etienne 13 hoofdstukken en werd geschreven in het Koinè-Grieks. In feite is het geen brief, maar een "homilie op de wijze van een synagogale voordracht".P. Andriessen en A. Lenglet (1971): De brief aan de Hebreeën, JJ Romen & Zn, Roermond, blz. 16 De brief bevat veel verwijzingen naar de Hebreeuwse Bijbel en wordt weleens beschouwd als een leerstellig aanhangsel aan de Brief van Paulus aan de Romeinen en de Brief van Paulus aan de Galaten, als een soort commentaar op het oudtestamentische boek Leviticus met zijn vele religieuze joodse voorschriften en aanbidding in de tempel in Jeruzalem. De vele referenties aan de tempeldienst suggereren dat het zou kunnen zijn geschreven vóór de verwoesting van de tempel door de Romeinen in het jaar 70. Ze leveren daar geen sluitend bewijs voor, want de val van Jeruzalem aan het eind van de Joodse oorlog staat niet in de Bijbel beschreven.

Titel De naam "Brief aan de Hebreeën" lijkt - volgens Bart D. Ehrman - een dubbele vergissing te zijn. In tegenstelling tot bijna alle brieven in het Nieuwe Testament vermeldt dit document nergens, ook niet in de aanhef, een afzender, noch een geadresseerde. De auteur noemt zijn geschrift zelf, in 13:22, "dit woord van aanmoediging" (τοῦ λόγου τῆς παρακλήσεως tou lógou tēs paraklēseōs), waardoor veel geleerden het document interpreteren als een preek van een kerkleider voor zijn gemeente.

Ten tweede wijst Ehrman erop dat enkele zaken, vermeld in de verzen 6:1-2, ideeën zijn waarin de leden van deze gemeente zijn gaan geloven toen ze zich bekeerden tot het christendom, waaronder geloof in God (in plaats van meerdere goden), opstanding uit de dood en eeuwige straf. Ehrman stelt dat Joden hierin al geloofden, maar heidenen nog niet, dus concludeert hij dat deze christenen waarschijnlijk voormalige heidenen (niet-Joden) waren. De vergissing dat de 'brief' aan de Joden zou zijn gericht (met de bedoeling om hen te overtuigen zich tot het christendom te bekeren) komt dan wellicht voort uit het feit dat de auteur een groot aantal redenen geeft waarom het christendom beter is dan alles wat het jodendom te bieden heeft. Maar de auteur lijkt eerder zijn van heidenen tot christenen bekeerde volgelingen te willen waarschuwen om zich niet tot het jodendom te bekeren.

Volgens de Amsterdamse nieuwtestamenticus Frederik Willem Grosheide wordt het woord 'Hebreeën' in het Nieuwe Testament gebruikt voor Aramees sprekende christenen in Palestina. De apostel Paulus noemt zich ook 'Hebreeër' en Paulus is een echte Jood (2 Korintiërs 11:22 en Filippenzen 3:5). Daarom concludeert Grosheide dat dit Bijbelboek gericht is op de christenen uit de Joden. Daarnaast gaat de auteur ervan uit dat de geadresseerden bekend zijn met het Oude Testament en de Septuagint.

Datering De Brief aan de Hebreeën moet in ieder geval geschreven zijn na de hemelvaart van Jezus, gezien de prominente plaats van dit heilsfeit in het betoog van de auteur. De brief moet in elk geval ook gedateerd worden vóór 96 na Christus, omdat de eerste brief van Clemens aan de gemeente in Korinthe, die meestal in dat jaar gedateerd wordt, zinspeelt op de brief aan de Hebreeën. Het debat over de datering gaat met name over de vraag of de brief voor of na 70, het jaar van de val van Jeruzalem, werd geschreven.

In het jaar 70 na Christus werd Jeruzalem veroverd en de tempel verwoest. Opvallend is dat de auteur niet schrijft over de tempel, maar over de tabernakel. Wel wordt er steeds in de tegenwoordige tijd over de joodse eredienst geschreven. Deze tegenwoordige tijd wil echter niet zeggen dat er sprake was van een tegenwoordige eredienst. Opvallend is ook dat over de verwoesting van de tempel niet wordt geschreven, terwijl je dat wel zou verwachten indien dat bij de auteur bekend was. Wel lijkt er in sommige teksten op de aanstaande verwoesting van de tempel gehint te worden, zoals in hoofdstuk 8:13, waar staat dat het Joodse ('oude') verbond op het punt staat teloor te gaan. Dit zou erop kunnen wijzen dat de brief, wellicht vóór het jaar 70 geschreven, ná het jaar 70 nog is geredigeerd, met de val van Jeruzalem aan het eind van de Joodse Oorlog in het achterhoofd.

Auteurschap

De Brief aan de Hebreeën zelf noemt de auteur niet met name, hoewel enkele vroege kerkvaders van de 3e en 4e eeuw ervan uitgingen dat het Paulus was; derhalve werd deze brief opgenomen in het Nieuwe Testament. Omdat de stijl echter zo afwijkend is, meenden andere vroege kerkautoriteiten dat er sprake was van een andere auteur. Om deze kwestie tot een oplossing te brengen zonder het auteurschap van Paulus op te hoeven geven, werd de afwijkende stijl geweten aan een assistent van Paulus, bijvoorbeeld Lucas of Clemens van Rome. Eusebius beschrijft dat reeds de eerste getuigen zich genoodzaakt zagen het auteurschap van Paulus te verdedigen.Eusebius: Ekklèsiastikè Historia, boek vi, 14:2-5 en 25:11-13. Dit werk kan hier online worden gelezen. Gearchiveerd op 30 mei 2023. Volgens "de gelukzalige presbyter" (ongetwijfeld Pantenus) zou Paulus uit bescheidenheid jegens "de apostel" Christus (Hebreeën 3:1) zijn gebruikelijke briefhoofd "Paulus, de apostel" hebben weggelaten; volgens Clemens van Alexandrië was dit uit behoedzaamheid voor de joden. Clemens van Alexandrië meende dat de brief door Lucas uit het Hebreeuws in het Koinè zou zijn vertaald. Deze veronderstelling is moeilijk te handhaven, want de brief argumenteert vanuit de Septuagint.Hebreeën 9:4 noemt bijvoorbeeld het manna dat in een gouden kruik in de Joodse tempel werd bewaard. De vermelding van een gouden kruik en het bewaren in de ark van het verbond gaat terug op de weergave van Exodus 16:33 in de Septuagint, want in de Hebreeuwse tekst wordt dit niet vermeld. Maar het bewijst dat Clemens al het verschil in stijl met de onomstreden brieven van Paulus had opgemerkt en probeerde te verklaren. In de derde eeuw maakte Origenes een nog duidelijker onderscheid tussen auteur en redacteur. Hij suggereerde dat Lucas of een andere medewerker de leer van Paulus in zijn eigen woorden had weergegeven, maar zei uiteindelijk over de brief: "Mannen uit vroege tijden hebben de brief al overgeleverd als van Paulus, maar wie de brief schreef, weet alleen God."Eusebius Kerkgeschiedenis Boek VI H 25 v14. Gearchiveerd op 30 mei 2023. Bij het citeren van de brief is Origenes echter minder genuanceerd en zo verspreidt zich in het oosten het gebruik de brief eenvoudigweg op naam van Paulus te stellen.

In het westen is het auteurschap langer onderwerp van discussie. Clemens Romanus baseert zich vaak op de ideeën in Hebreeën. Hij neemt uitdrukkingen zelfs letterlijk over, maar noemt in dit verband nooit Paulus' naam. Tertullianus was een van degenen die de brief aan Barnabas toeschreven.Tertullianus: Pudicitia hoofdstuk 20. Dit werk kan hier online worden gelezen. Gearchiveerd op 20 april 2023. Cyprianus citeert Hebreeën nooit; de Ambrosiaster citeert evenmin en noemt het werk niet in zijn commentaar. In de oudste canons (Muratori, 2e eeuw; Cheltenham/Mommsen, 3e eeuw) komt het werk niet voor. Euseubius van Caesarea vertelt dat sommigen in de kerk van Rome het werk afwijzen, omdat het niet van Paulus was.Eusebius: Ekklèsiastikè Historia, boek iii, 3:5 en vi, 20:3. Dit werk kan hier online worden gelezen. Gearchiveerd op 30 mei 2023. Volgens Filastrius van Brescia was het werk verdacht, omdat rigoristen en arianen zich op enkele passages eruit beriepen (namelijk 3:2, 6:4 en 10:26). Tegen het einde van de 4e eeuw wordt Paulus definitief vastgesteld als auteur. Hiëronymus en Augustinus twijfelen nog wel, maar aanvaarden het werk zonder bedenkingen als canoniek. Hierdoor voegen de synode van Rome (382) en het concilie van Hippo (393) Hebreeën toe aan het "corpus paulinum" (Brieven van Paulus). In de formulering klinkt nog wel de oude twijfel door: "13 brieven van de apostel Paulus, en van dezelfde 1 aan de Hebreeën". Het concilie van Carthago (419) noemt echter "de 14 brieven van Paulus".

Hernieuwde twijfel De twijfel herleeft in de Renaissance, omdat de stijl en woordenschat van Hebreeën opnieuw worden bestudeerd. Er worden veel overeenkomsten gezien met de leer van Paulus, maar de taalverschillen worden als te groot beschouwd. Ook zou de apostel nooit zo over zichzelf hebben gesproken als de auteur van Hebreeën doet (2:3). Toch duurt het tot de twintigste eeuw voordat algemeen wordt aangenomen dat Paulus niet de auteur is. In 1914 bepaalde de Pauselijke Bijbelcommissie dat men het auteurschap van Paulus niet in twijfel mocht trekken, maar dat wel van een niet-paulijnse redactie mocht worden gesproken. Sindsdien hebben de katholieke exegeten dit zeer ruim geïnterpreteerd en wordt Hebreeën beschouwd als een zelfstandig werk, geschreven door iemand uit de kring van Paulus. Hoewel een aantal ervan de hand van Paulus ziet in het "begeleidend schrijven" (13:22-25), is het goed mogelijk dat de apostel het werk, dat niet het zijne was, door een zendbriefje zou 'dekken' met zijn gezag. In dat geval zou de brief tijdens het leven van Paulus zijn geschreven. De Alexandrijnen hebben bij wijze van veronderstelling Clemens Romanus of de Evangelist Lucas geopperd. De enige naam die in de westerse traditie vóór die van Paulus hier en daar wordt genoemd, is die van Barnabas. Luther heeft ooit de Alexandrijn Apollos genoemd; het zou dan wel vreemd zijn dat juist in Alexandrië niet bekend was dat hij de auteur zou zijn. Op 19 november 1931 werd weliswaar de vondst bekendgemaakt van manuscripten, gekocht door Alfred Chester Beatty, naar wie deze zijn genoemd, die genummerd zijn. Papyrus 46 vermeldt de brief aan de Hebreeën tussen de gevonden bladen met Romeinen en 1 Korintiërs. De Chester Beatty papyri worden echter gedateerd als hoogstwaarschijnlijk ontstaan tussen 175 en 225 na Christus. Vermoedelijk zal uiteindelijk altijd onduidelijk blijven wie de auteur van Hebreeën was.

Argumenten voor auteurschap van Paulus De argumenten die voor auteurschap van Paulus pleiten zijn: Vroege kerkschrijvers aanvaardden de brief als een epistel van Paulus. De brief komt voor in de Chester Beatty-papyri (nr. II, Papyrus 46), tussen acht andere brieven van Paulus. De brief wordt in "De canon van Athanasius" (4de eeuw) onder de "veertien brieven van Paulus, de apostel" vermeld. De brief werd mogelijk in Italië geschreven (Hebreeën 13:24), waar Paulus in de periode van 59 tot 61 n. Chr. voor de eerste keer werd gevangengezet. Timoteüs was bij Paulus in Rome, want hij wordt genoemd in Filippenzen 1:1, Kolossenzen 1:1-2 en Filemon 1. Deze brieven werden tijdens Paulus' gevangenschap vanuit Rome geschreven. Zie ook Hebreeën 13:23 over Timoteüs’ vrijlating uit de gevangenis en over de wens van de auteur om spoedig Jeruzalem te bezoeken. De leer is typisch Paulijns, hoewel de argumenten vanuit een Joods standpunt worden gepresenteerd, met de bedoeling dat ze de uitsluitend uit Hebreeën bestaande kerk waaraan de brief was gericht, zouden aanspreken.

Argumenten tegen auteurschap van Paulus De argumenten die tegen het auteurschap van Paulus pleiten zijn: Hebreeën 2:3 toont aan dat de auteur van het boek zich tot de ‘tweede generatie’ christenen rekent, niet tot degenen die het goede nieuws rechtstreeks van Jezus zelf hebben gehoord; Paulus daarentegen rekent zichzelf uitdrukkelijk tot de ‘eerste generatie’ christenen, degenen die het goede nieuws rechtstreeks van Jezus zelf hebben gehoord, zoals in Galaten 1:12 (zie ook 1 Korintiërs 9:1).