De Bataven, ook Batavi of Batavieren genoemd, waren een vermoedelijk West-Germaanse stam. Zij leefden in de oudheid. De laatste bekende vermelding van deze stam dateert van omstreeks het jaar 400.
De meest gangbare opvatting is dat de Bataven zich ergens in de 1e eeuw v.Chr. afsplitsten van een andere Germaanse stam, de Chatten. Vervolgens zouden de Bataven de Rijn in westelijke richting te zijn afgedaald tot aan de rivierdelta, net voorbij wat nu de Nederlandse rijksgrens is. Daar zouden ze zich hebben gevestigd in de Betuwe, de streek die in geschiedschrijving sterk met hen wordt geassocieerd.
Vermeldingen in de oudheid 240px|right In de Romeinse tijd maakten met name Julius Caesar, Strabo, Tacitus, Cassius Dio, Suetonius, Claudius Ptolemaeus en Orosius melding van de Bataven.
Insula Batavorum (Caesar) De Romeinse veldheer Caesar noemt deze stam voor zover bekend terloops in zijn Commentarii de bello Gallico, het overgeleverde verslag waarin hij de door hemzelf gewonnen Gallische Oorlog (58 -51 v.Chr.) beschrijft.Julius Caesar, Commentarii Rerum in Gallia Gestarum, IV, 10. Caesar heeft het hier terloops over het insula Batavorum, het "eiland der Bataven", ofwel dus het Bataafse woongebied. De streek die hij hier bedoelt is niet nader gepreciseerd, maar men stelt deze over het algemeen gelijk aan de huidige Rijndelta (Latijn: Rhenus) in Nederland. Over de preciezere situering is vanaf de 16e eeuw (de tijd dat Nederlandse historici zich uitgebreid in de Bataven gingen verdiepen) veel verwarring, onduidelijkheid en tegenspraak geweest , met name of het nu zou gaan om het oosten of het westen van Nederland, of om beide (zie hierover verder hieronder).
Vermelding bij Strabo De Griekse historicus Strabo, die in dezelfde tijd leefde als Caesar, heeft het eveneens over de Bataven.
Vermelding bij Tacitus Tacitus vermeldt in diens Historiae de (vermoedelijke) Bataafse hoofdstad, Oppidum Batavorum (Latijn: "stad van/voor de Bataven"). Deze plaats lijkt omstreeks 16-15 v.Chr. te zijn gesticht. Het Bataafse wooncentrum zou eerder in het nu Duitse Kessel zijn geweest.
Tacitus geeft verder een wat uitvoeriger beschrijving van de Bataven dan Caesar eerder deed. Hij betitelt de Bataven als de "moedigste van de stammen in het gebied". Tacitus vermeldt er ook bij dat de streek vóór de komst van de Bataven nog onbewoond was; deze informatie wordt echter niet door iedereen even betrouwbaar geacht.
De betekenis van veel topografische namen in onder andere Tacitus' teksten kan echter op meerdere manieren worden uitgelegd, waardoor bepaalde delen van het huidige Nederland – met name het westen en de provincie Utrecht – al dan niet mede onder het veronderstelde Bataafse woongebied vallen. Ook op dit punt is er zodoende nooit echte duidelijkheid gekomen, ondanks de vele ontwikkelde theorieën hierover.
Vermelding bij Cassus Dio De Romeinse schrijver Cassius Dio vermeldt dat de leden van een cohort bereden hulptroepen Batavi genoemd werden, wat volgens hem zowel verwees naar het insula Batavorum als naar de reputatie van de Bataven als zeer bekwame ruiters. Roman History (Cassius Dio). Engelse vertaling van Prof. Earnest Cary (1914 tot 1927), destijds gepubliceerd in Loeb Classical Library; nu op website penelope.uchicago.edu. Dit laatste zou aan kunnen sluiten bij de door Rudolf Much en Frank Heidermanns voorgestelde etymologieën.
Vermelding bij Ptolemaeus De Griekse schrijver Claudius Ptolemaeus, een tijdgenoot van Tacitus, benoemt een stad/vestingplaats als Batavodurum; onder de meeste historici is het de consensus dat hij daarmee dezelfde plaats bedoelde als het Oppidum Batavorum dat Tacitus vermeldt. Ook de plaatsnaam Lugdunum Batavorum wordt nog genoemd door Ptolemaeus, maar naar welke plaats hij daarmee verwees is tot op heden onduidelijk.
Vermelding bij Orosius De Bataven worden rond het begin van de 5e eeuw ook nog genoemd door de laat-Romeinse geschiedschrijver Orosius (385-420). Hij vermeldt in zijn Historiae dat men op het eiland Britannia "vanuit Rutupiæ (Richborough) 's middags [aan de andere kant van de zee] in Gallië van dichtbij de Menapii en Bataven ziet, en net ten zuiden daarvan de Morini".Citaat van Orosius: Britannia Oceani insula, per longum in boream extenditur; a meridie Gallias habet, cuius proximum litus transmeantibus ciuitas aperit, quae dicitur Rutupi portus unde haud procul a Morinis in austro positos Menapos Batavosque prospectat De Morini en Menapii werden in de 1e eeuw ook al vermeld door Plinius de Oudere; hij situeert naar het schijnt hun woongebied, samen met dat van de Toxandriërs, nabij de Schelde – die dan de grens vormde tussen Batavia en Gallia Belgica – en tevens nabij Gesoriacum (Boulogne-sur-Mer). De hoofdbedding van de Schelde moet in de oudheid noordelijker zijn geweest dan tegenwoordig, wat zou verklaren dat de Schelde toen rechtstreeks in de Maas uitkwam (de Rijn-Maas-Scheldedelta bestond nog niet in de huidige vorm). De grens tussen de leefgebieden van de Menapii en Morini moet in dat geval ongeveer bij het huidige Duinkerke gelegen hebben. Uit onder andere Orosius' tekst is geconcludeerd dat de Bataven en Menapii in ieder geval buurstammen waren van de Morini, en/of dat de Bataven zelf iets ten noorden van deze twee andere Germaanse stammen woonden.Er is hierdoor tevens de nodige verwarring ontstaan over bijvoorbeeld het precieze woongebied van de Menapii, dat zich dan veel verder in noordelijke en oostelijke richting moest hebben uitgestrekt, tot aan de Maas.
5e eeuw Aan het begin van de 5e eeuw worden de legereenheden van de Bataven nog een keer genoemd in de Notitia Dignitatum. Hierna houden de schriftelijke vermeldingen over deze stam door historici die zelf tijdgenoten van de Bataven waren op.
Geschiedenis thumb|Verschillende volkeren rond 150 na Chr. geprojecteerd op een moderne kaart. thumb|Grafsteen van Indus, een van de Bataafse lijfwachten van Nero thumb|300px|De samenzwering van de Bataven onder Claudius Civilis van Rembrandt van Rijn, 1661-1662 (het schilderij heeft een verkeerde titel; Julius Civilis werd een tijdlang ten onrechte Claudius genoemd, wat de voornaam was van zijn broer)
Oorsprong en migratie Omtrent hun oorsprong en precieze woongebied bestaat in feite maar heel weinig zekerheid. Wat men hierover meent te weten is in de eerste plaats gebaseerd op de uit de oudheid overgeleverde vermeldingen van deze stam, die echter soms op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd. In de loop der tijd zijn er ook allerlei nader verklarende theorieën bijgekomen. Archeologisch zijn er tot nu roe weinig echt overtuigende Bataafse vondsten gedaan.
Het oorspronkelijke woongebied van de Chatten (ook wel Hessen genoemd) zou grosso modo overeen zijn gekomen met het huidige noorden van de Duitse deelstaat Hessen. Algemeen wordt aangenomen dat de Bataven zich, wellicht na een intern conflict, van deze andere stam afsplitsten en in westelijke richting reisden.Tacitus, De origine et situ germanorum, 29. Ze zouden zich vervolgens hebben gevestigd in de Rijndelta. Dit was oostelijk van nog een andere Germaanse stam, de Cananefaten. In ditzelfde gebied zouden toen ook al langer de Menapii hebben gewoond, een Keltische stam. Een buurvolk van deze Menapii – en vanaf die tijd dus ook van de Bataven – dat in de antieke geschriften eveneens wordt genoemd zijn de Eburonen. De hier vanuit het oosten neergestreken Chatten hebben zich volgens een van de voorgestelde scenario's met de Eburonen gemengd, waarmee de Bataven dus van oorsprong zelf een mengvolk zouden zijn. Er bestaat een alternatieve hypothese dat de (gedeeltelijke) uitroeiing van de Eburonen door Caesars troepen tijdens de Gallische Oorlog ertoe leidde dat er voor de Bataven in deze streek nieuw woongebied vrijkwam. De aanvaarde consensus is verder dat de Bataven zich in ieder geval nog vóór de komst van de Romeinse veldheer Drusus (12 v.Chr.) in deze nieuwe streek hebben gevestigd (hoewel hier archeologisch geen heel duidelijke aanwijzingen voor zijn).
Vanaf de 16e eeuw was het idee erg populair (ook als onderdeel van de Bataafse mythe) dat de Bataven tot veel westelijker in wat nu Nederland is waren gekomen, inclusief Noord- en Zuid-Holland. Deze aanname heeft tegenwoordig echter onder serieuze wetenschappers nagenoeg geen draagvlak meer. In de loop van de 20e eeuw is er verder meer steun gekomen voor de stelling dat het gebied in en rond Nijmegen tot aan het moment dat de Romeinen hier arriveerden nog grotendeels onbewoond bosgebied was (dat hoorde bij het uitgestrekte Ketelwald). Noch op de Valkhofheuvel, noch in het Hunnerpark en Kelfkensbos zijn tot op heden archeologische sporen teruggevonden van vóór het begin van de Romeinse tijd in Nederland die met een redelijke mate van zekerheid aan de aanwezigheid van Germaanse en/of Keltische stammen toe te schrijven zijn.Overigens zegt dit van zichzelf niets over de nog oudere voorgeschiedenis van deze streek: hier zijn ook andere archeologische sporen gevonden die juist weer duiden op een zekere mate van menselijke bewoning van vele millennia eerder, dus de echte prehistorie. Het is dus alleen een mogelijke aanwijzing dat de menselijke bewoning omstreeks het begin van de jaartelling in deze streken nog niet echt permanent was.
Hoofdstad en omgeving
Oppidum Batavorum was, anders dan de naam (letterlijk: "stad van/voor de Bataven") op het eerste gezicht suggereert, vermoedelijk geen daadwerkelijk inheemse Bataafse nederzetting. Het lijkt hier om een door de Romeinen zelf gesticht economisch en bestuurlijk centrum te gaan. De Romeinen zouden de nederzetting in dat geval naar de in de nabijheid wonende Bataafse volksstam hebben vernoemd, waar zij het toezicht op wilden blijven houden. In de nederzetting zelf woonden niettemin zeer waarschijnlijk óók Bataven, die hier met de Romeinen samenleefden.
De locatie van deze Bataafse hoofdplaats wordt over het algemeen geïdentificeerd als een plek waar de Maas (Mosa) en de Waal (Vacalus) bij elkaar komen, 80 Romeinse mijlen van de monding van de rivier.Citaat: Mosa profluit ex monte Vosego, qui est in finibus Lingonum, et parte quadam ex Rheno recepta, quae appellatur Vacalus insulam efficit Batavorum, in Oceanum influit 2 neque longius ab Oceano milibus passuum LXXX in Rhenum influit[..] ("") Dit lijkt overeen te komen met wat nu een deel van het Nijmeegse stadscentrum is. Met name vanaf de 16e eeuw is men de oudste geschiedenis van Nijmegen dan ook rechtstreeks aan de Bataven gaan koppelen (zie ook de mythologisering).
Ten noorden van de Waal, bij Lent, Elst en Oosterhout zijn sporen van menselijke bewoning aangetroffen waarvan de datering begint in de 3e eeuw v.Chr.. Daarna lijkt er sprake van min of meer continue bewoning tot in de Romeinse tijd. Onder deze bewoners zouden ook Bataven zijn. De bewoningscontinuïteit in de huidige Over-Betuwe lijkt niet noemenswaardig te zijn beïnvloed door de Gallische Oorlog, gesteld dat die zich tot in deze streken afspeelde (een idee waar inmiddels sterk aan wordt getwijfeld).
Cultuur en taal Toen de Bataven zich in hun nieuwe gebied vestigden, gingen ze mogelijk een soort van creooltaal spreken: Keltisch met Germaanse invloeden, wat zich verder ontwikkelde tot een 'Gallo-Romaans' dialect door contact met de Romeinen. De Romeinse limes, 2019, p.76
Aangenomen wordt dat Hercules Magusanus de hoofdgod van de Bataven was. Het eerste deel van deze naam verwijst naar de Romeinse halfgod Hercules, die in dat geval in de Bataafse religie zou zijn overgenomen. Het tweede lid heeft een Germaanse basis; het is afgeleid van het inheemse Magusano, dat weer een germanisering is van de Keltische naam Magusenos. Hercules Deusoniensis was mogelijk een andere Bataafse god. Een populaire theorie is dat deze laatste naam verwijst naar de plaats Diessen.
Verhouding tot de Romeinen thumb|left|Kunstwerk van een veldslag waarin de Bataven de Romeinen verslaan, van Otto van Veen