thumb|De taliban in Herat, juli 2001 De taliban (Pasjtoe: , Da Afghānistān da Talibān Islāmi Tahrik - Nederlands: "Islamitische Taliban-beweging van Afghanistan") is een islamitische beweging in Afghanistan en Pakistan die ontstond in 1994. Daar voerden zij een guerrillaoorlog. In beide landen beheersen de taliban grote bevolkingsgebieden. In Afghanistan hadden de taliban gedurende 1996-2001 het grootste deel van het land in handen, dat ze gewapenderhand hadden veroverd. Ze hebben er toen een emiraat uitgeroepen. Deze taliban hadden uitvalsbases in het grensgebied met Pakistan, waar ook de opleidingscentra liggen in de vorm van strenge Koranscholen (madrassa's). Na de aanslagen op 11 september 2001 brak een oorlog in Afghanistan uit en werd een westers georiënteerde regering geïnstalleerd. De taliban bleef echter proberen het nieuwe bewind omver te werpen en na de terugtrekking van de westerse troepen nam de taliban in augustus 2021 de macht weer over. De leiding van de taliban vormde tot 2021 de zogeheten Quetta Shura, gevestigd in de Pakistaanse stad Quetta.
Het woord taliban () is in het Pasjtoe het meervoud van talib, dat student (van de Koran en overige islamitische geschriften) betekent.
In 1994 manifesteerde zich in Afghanistan de taliban-beweging als een nieuwe militaire en politieke macht, tijdens de jarenlange burgeroorlog na de terugtrekking van het leger van de Sovjet-Unie. In september 1996 viel de hoofdstad Kaboel in handen van de taliban.
Deze nieuwe machthebbers drongen de bevolking een rechtlijnige versie van de islamitische sharia-wetgeving op. Ook verleenden zij gastvrijheid en trainingsmogelijkheden aan het terroristische Al Qaida-netwerk rond Osama bin Laden, die had meegevochten tegen de Sovjet-Unie.
De eerste berichten in de westerse media waarin melding wordt gemaakt over de snelle opkomst van de taliban-beweging in de chaotische situatie met de elkaar bestrijdende groeperingen en krijgsheren na de val van de regering van Mohammed Nadjiboellah dateren uit februari 1995.Honger, cholera en kou treffen vooral Afghaanse kinderen, Trouw, 7 februari 1995 Destijds werd nog gesproken over een "mysterieus legertje van studenten".Opmars Afghaanse studenten - Islamitische strijdgroep zaait verwarring, Trouw, 15 februari 1995Taliban staan aan de poorten van Kabul - Troepen Hekmatyar ontvluchten hoofdkwartier met achterlating zware wapens, De Volkskrant 15 februari 1995Studentenlegertje aan poort van Kabul, Algemeen Dagblad 16, februari 1995 'Studenten' trekken Kabul binnen, De Volkskrant, 17 februari 1995
Sinds mei 2016 staat Mollah Haibatullah aan het hoofd van de organisatie. Hij volgde Mollah Mansoer op, die om het leven kwam in Pakistan bij een aanval met een Amerikaanse drone. De oorspronkelijke leider, Mollah Omar, is vermoedelijk in 2013 gestorven. Abdul Ghani Baradar is 'het gezicht van de diplomatieke onderhandelingen namens de taliban' en Mullah Mohammad Yaqoeb (een zoon van Mollah Omar) wordt genoemd als 'het huidige hoofd van de militaire operaties'.
Oorsprong De taliban hebben hun wortels in de madrassa's van Pakistan. Sinds de invasie door de Sovjet-Unie in 1979 was Afghanistan een complex strijdtoneel van diverse partijen. Het verzet tegen de Sovjets werd aanvankelijk met geld en wapens door de Verenigde Staten gesteund. Na verloop van tijd waren er diverse krijgsheren, de moedjahedien, die niet alleen de Russen, maar ook elkaar bestreden. De teelt van papaver voor de productie van heroïne was voor hen een belangrijke inkomstenbron. Op 15 februari 1989 trokken de laatste Sovjet-troepen zich terug uit Afghanistan.
Tijdens deze Afghaanse Oorlog waren veel Afghanen naar Pakistan gevlucht. De zonen van de vluchtelingen werden massaal naar de Pakistaanse madrassa's gestuurd, waar ze behalve onderwijs in de Koran ook gratis voedsel en onderdak kregen. De madrassa's worden voornamelijk door Arabische landen gefinancierd. Er wordt merendeels een uiterst orthodoxe soennitische militante versie van de islam onderwezen. In navolging van het onderwijs in Saoedi-Arabië zelf werd er behalve aan de militante religieuze leer weinig aandacht aan andere zaken geschonken. De jongens leerden er geen vak en konden dus weinig anders dan terugkeren naar de gewapende strijd in Afghanistan. Een belangrijke madrassa voor de taliban is Darul uloom Haqqania, onder leiding van Maulana Sami ul-Haq, ook wel de vader van de taliban genoemd, waar de belangrijkste leiders van de taliban, zoals Mohammed Omar, zijn opgeleid. Tijdens de burgeroorlog die ontstond na het vertrek van de Sovjet-Unie uit Afghanistan werden de taliban gevormd uit de Afghaanse vluchtelingen, waarbinnen de studenten van madrassa’s de belangrijkste fractie vormden en de leiding namen.
Ideologie De ideologische basis van de taliban was een combinatie van Pashtunwali, Deobandi fundamentalisme en religieus pro-Pashtun nationalisme met een sterke invloed van het salafisme zoals in de madrassa's werd onderwezen. Ze formuleerden hun basisdoelen als: de vrede herstellen, de bevolking ontwapenen, de sharia doorvoeren en de islam in Afghanistan verdedigen. Hun definitie van de sharia werd beïnvloed door de extremistische lessen in Pakistan, die hoofdzakelijk door de leer van Abul Ala Maududi en zijn Jamaat-e-Islami-partij werden bepaald. De Pashtunwali, de Pathaanse gedragscode, werd opportunistisch al dan niet toegepast. Deze nieuwe extreme vorm van de sharia en de bijkomende brute handhaving waren de Afghaanse cultuur en tradities volstrekt vreemd. De dreiging van chaos, De crisis in Pakistan, Afghanistan en Centraal-Azië, pag. 66-68 en 78-79, uitgeverij Atlas in Amsterdam, 2009,
Aanvankelijk waren de doelen van de beweging vrij bescheiden, namelijk het terugbrengen van orde en het mettertijd overdragen van de regering aan 'goede moslims'. Naarmate de beweging meer macht kreeg vond er echter radicalisering plaats: men streefde naar een streng-islamitische staat onder Pashtun leiding zoals in de dagen van Abdoer Rahman Khan, de 'ijzeren emir'. Hoewel Mullah Omar aanvankelijk de Boeddha's van Bamyan wilde sparen veranderde hij later van mening en liet hij ze toch vernietigen. Omdat de strijders geen vak kenden en zelfs elementaire landbouwvaardigheden ontbeerden, was de beweging extreem strijdlustig: oorlog betekende werk, vrede betekende werkloosheid.
Sjiieten werden niet als moslims gezien, en er werd takfir tegen hen toegepast. De sjiitische Hazara's werden een vervolgde minderheid jegens wie de taliban openlijk dreigde hen de keus te zullen bieden tussen de dood, bekering en emigratie. Maar zelfs in het laatste geval dreigden de taliban hen te zullen achtervolgen waar ze ook heen zouden vluchten.https://www.hrw.org/legacy/reports98/afghan/Afrepor0-03.htm#P186_38364 De relatie met het eveneens sjiitische Iran was dan ook zeer slecht. Buiten Afghanistan werd het regime van de taliban vooral berucht wegens de patriarchale achterstelling en onderdrukking van vrouwen en meisjes.
Opkomst 1992-1996 In 1994 lieten de taliban voor het eerst van zich horen door een roofoverval op een konvooi af te slaan. De rovers werden geëxecuteerd, verminkt en als voorbeeld tentoongesteld. Kort daarna werd Kandahar ingenomen, dat tot 2001 als hoofdstad van het taliban-regime zou fungeren. In de jaren 1992-1996 rukten de taliban-strijders steeds verder noordwaarts op. Hoewel ze de hoofdstad Kabul aanvankelijk niet konden innemen, bezetten ze wel de tweede stad Herat en werden ze door de Afghanen, vooral door de Pathanen, als bevrijders binnengehaald. Mullah Mohammed Omar werd in deze jaren meer en meer de leider van de taliban. thumb| Het Nederlandse leger schiet op de taliban in Chora, 16 juni 2007
Verovering van Kabul 1995-1996 In oktober 1995 begon de belegering van Kabul. In het zuiden en westen hadden de taliban een halve ring rond de stad gelegd, waar niets of niemand door mocht. In het noorden hadden de troepen van generaal Dostum de Salang-pas afgesloten. Oostelijk bevond zich de Hezb-i-Islami, de strijdgroep van de vanuit Pesjawar in Pakistan opererende oud-premier en moedjahedinleider Gulbuddin Hekmatyar. Het beleg van de stad zou voortduren tot september 1996. De stad werd langdurig van alle kanten beschoten.
Tijdens de belegering trachtte de Afghaanse regering van president Burhanuddin Rabbani nog te onderhandelen met de Hezb-i-Islami. Een delegatie van de Hezb-i-Islami zou in februari 1996 onder leiding van militair commandant Kashmir Khan verschillende opties voor machtsdeling hebben besproken. Hekmatyar had echter gezworen dat hij de regering van Rabbani omver zou werpen. blz 5
Het Rode Kruis opende in februari 1996 een luchtbrug naar de stad voor voedsel- en andere hulp aan de hongerende bevolking, destijds 1,2 miljoen mensen. Elektriciteit en betrouwbaar water ontbraken er al meer dan twee jaar en het vroor er streng. In januari 1996 was er vrijwel geen proviand meer doorgekomen. blz 23 blz 11
Toen de taliban begin 1996 grote delen van Afghanistan in handen hadden gekregen, werden zij openlijk gesteund door de toenmalige regering van het buurland Pakistan. Dat maakte vergaande plannen bekend voor economische hulp aan en investeringen in de uitgestrekte gebieden in Afghanistan die inmiddels onder controle stonden van wat in de westerse media veelal nog een islamitische studentenbeweging werd genoemd. Ze wilde de zwaar geschonden strategische zuidwestelijke weg via de steden Kandahar en Herat naar Centraal-Azië helpen repareren en de mogelijkheden laten onderzoeken voor de aanleg van een spoorverbinding van de Pakistaanse havenstad Karachi via zuidwestelijk Afghanistan naar de voormalige Sovjetrepublieken in Centraal-Azië. Verder waren de Pakistanen van plan in Kandahar en Herat kantoren te openen van de Pakistaanse nationale bank en telefoonverbindingen tot stand te brengen tussen de Pakistaanse miljoenenstad Lahore en de Afghaanse steden Kandahar, Herat, Ghazni en Mazar-i-Sharif. De eerste drie plaatsen waren reeds in handen van de taliban, de laatste was het hoofdkwartier van de Afghaans-Oezbeekse krijgsheer Rasheed Dostum, destijds nog een bondgenoot van de taliban. De betrekkingen tussen Rabbani en Islamabad waren in 1995-1996 zeer gespannen geweest, en de Afghaanse regering in Kabul van president Burhanuddin Rabbani had Pakistan er reeds herhaaldelijk van beschuldigd de taliban ook militair te steunen. blz 4
Op 26 september 1996 werd Kabul alsnog ingenomen. De voormalige, destijds door de Sovjets geïnstalleerde president Mohammed Nadjiboellah die door de regering-Rabbani ongemoeid was gelaten, werd samen met zijn broer Shahpoer Ahmadzai door de taliban uit het VN-gebouw gesleurd, gemarteld en als 'collaborateur' opgehangen. De oppositie, die zich verenigde in de Noordelijke Alliantie, trok zich terug in de Panjshirvallei. De taliban rukten nog verder op en veroverden Mazar-i-Sharif en Kunduz in het noorden. Een patstelling ontstond, waarbij de taliban de facto heerser over het land waren, maar de Noordelijke Alliantie in het noordoosten standhield. Ook in de centrale berglanden, waar de Hazara's een guerrilla tegen de taliban voerden, was de controle zwak.
Emiraat 1996-2001