Met de Gulden Regel (Lat. regula aurea; Eng. golden rule) wordt een oude en wijdverbreide stelregel van de praktische ethiek aangeduid:Maximilian Forschner onder andere: Lexikon der Ethik. 7 editie, C. H. Beck, München 2008, , pag. 118

In de 17e eeuw introduceerden de Europeanen het denkbeeld van de in de Bijbel overgeleverde voorbeelden van de regel, die het Thoragebod der naastenliefde (Lev. 19:18) als een algemeen geldende en begrijpelijke gedragsregel uitleggen. Vanuit Tobit 4:15 ontstond het bekende berijmde gezegde:

Soortgelijke, negatief of positief geformuleerde, kernspreuken of leerstellingen, met verschillende betekenissen, werden vanaf de 7e eeuw v.Chr. overgeleverd in religieuze en filosofische teksten uit China, India, Perzië, het oude Egypte en Griekenland.Leonidas Johannes Philippidis: Die 'Goldene Regel‘, religionswissenschaftlich untersucht. Dissertatie, Leipzig 1929.

Overzicht Uit verschillende hoogontwikkelde culturen zijn uit de duizend jaar v.Chr., de oudst bekende voorbeelden overgeleverd in deels tezelfdertijd ontstane teksten, die dus geen gemeenschappelijke literaire bron kunnen hebben. Tegelijkertijd was er sprake van andere regels die betrekking hadden op wederkerigheid en sociale verhoudingen, zoals de principes van vergelding (ius talionis) en voor-wat-hoort-wat (do ut des). Omdat ze doorgaans het woord tot iedereen richten, vereisen ze een individualiteits- en soortbesef, die pas ontstonden binnen niet langer overwegend tribaal georganiseerde gemeenschapsvormen.

Sinds Origenes zag de christelijke theologie de Bijbelse voorbeelden van de regel vaak als summum van een algemeen begrijpelijk natuurrecht, waardoor Gods wil van oudsher aan alle mensen bekend was. Daarom noemden anglicaanse christenen Matth. 7:12 sinds 1615 een "golden rule“.Thomas Jackson: First Sermon upon Matthew 7,12 (1615; Werken, deel 3, pag. 612); Benjamin Camfield: The Comprehensive Rule of Righteousness (1671); George Boraston: The Royal Law, or the Golden Rule of Justice and Charity (1683); John Goodman: The Golden Rule, or, the Royal Law of Equity explained (1688; voorbeeldweergave, beperkt aantal pagina’s in Google Books; verder Olivier du Roy: The Golden Rule as the Law of Nature, in: Jacob Neusner, Bruce Chilton (Samenst.): The Golden Rule - The Ethics of Reprocity in World Religions, Londen /New York 2008, pag. 94. Vanaf het moment dat ze in Europa bekend werd, werd die uitdrukking ook toegepast op overeenkomstige niet-Europese uitspraken. In verschillende culturen en wereldbeschouwingen kan de regel sinds die tijd vaak niet alleen rekenen op een aanvaarde minimale consensus, maar heeft als ethische wegwijzer ook een "niet te overschatten toepassingsgebied“.Oxford English Dictionary, Compact Edition, Deel I, Oxford University Press, Oxford 1971, pag. 280

Kritische kanttekeningen in de tijd der Verlichting brachten teweeg dat de regel in de hedendaagse filosofie, of als een ethisch ondeugdelijk principe verworpen, of op verschillende manieren aangevuld of nader gepreciseerd werd. Omdat zij geen inhoudelijke norm uitspreekt voor juist of onjuist gedrag, maar een perspectiefverandering in intermenselijke verhoudingen eist, kan de regel op verschillende manieren geduid worden: bijvoorbeeld doordat ze ertoe aanzet om in het eigenbelang goed na te denken over de voor- en nadelen van de te verwachten reacties op het eigen handelen, zo fatsoenlijk te zijn om de belangen en wensen van anderen gelijkwaardig te zien aan die van zichzelf, of de menselijke waardigheid van anderen te eerbiedigen en daarmee impliciet algemeen geldende maatstaven voor ethisch handelen voorop te stellen.Bruno Schüller: Die Begründung sittlicher Urteile. Typen ethischer Argumentation in der Moraltheologie. Patmos Verlag, 3e editie, Düsseldorf 1993, , pag. 85-91

In elk geval geldt de regel als stap naar een ethische eigen verantwoordelijkheid, die van het zich verplaatsen in de ander, het criterium voor moraal handelen maakt,Wilfried Härle: Goldene Regel, in: Die Religion in Geschichte und Gegenwart, Deel 3, Mohr/Siebeck, 4e editie, Tübingen 2000, , kolom 1078 en het vermogen tot zelfcorrectie impliceert, omdat met behulp van de regel de morele houdbaarheid van oneigenlijke en letterlijke toepassingen ter discussie gesteld kan worden.Jeffrey Wattles: The Golden Rule, 1996, pag. 6

Overlevering Confucianisme Volgens zijn rond 200 n.Chr. opgeschreven Analecta gaf Confucius (551–479 v.Chr.) een leerling, die hem vroeg wat zedelijke gedrag was, ten antwoord (A. 12:2):Ralf Moritz (Übersetzer): Konfuzius: Gespräche (Lun-Yu). Reclam, Ditzingen bij Stuttgart 1998, (1e editie 1982).

Op een verdere vraag naar een richtsnoer voor het handelen voor het hele leven, zou hij gezegd hebben (A. 15:24):

Shu, ook vertaald als empathie of altruïsme,Jeffrey Wattles: The Golden Rule. New York/Oxford 1996, pag. 17 en opmerking 3, pag. 194 heeft hier de positie van de belangrijkste deugd voor de levenslange individuele karaktervorming. Dat wordt niet beperkt tot bepaalde situaties en kent geen uitzonderingen, zodat het in het Confucianisme onomstreden is.

In een andere passage (A. 4:15) duidt een leerling Chung (bewustheid, plicht, loyaliteit) en Shu aan als een verbindende schakel in de hele leer van Confucius. Die waren voor hem niet gewoon te verwezenlijken naar de maatstaf van het veronderstelde eigenbelang van de anderen, maar behelsden ook het aan het handelen voorafgaande kritisch onderzoek van de eigen wensen. Zo staat in A. 5:12 de volgende dialoog:

De vrijwel onbereikbare hoogte van de ideale deugdzaamheid, komt tot uiting in de aan Confucius toegeschreven tekst De leer van het midden (of De leer van de Gulden Middenweg, 3e eeuw n.Chr.). Daar wordt de regel toegepast op verhoudingen binnen familie en maatschappij. Van de vier manieren om een moreel hoogstaand mens te worden, heeft hij er zelf nooit een enkele vervuld:Jeffrey Wattles: The Golden Rule. pag. 18.

De complete vervulling van de, vooraf bepaalde, rangorde van deugdzame plichten bereikt Confucius niet op grond van morele goedheid. Het komt eerder overal aan op de hoogste deugd jen – vertaald als medemenselijkheid. Die valt niet te vervullen in de vorm van rituelen, maar vereist individuele spontaniteit en creativiteit. De regel wordt daarom in A. 12:2 in verband gebracht met eerbied voor vreemde culturen, goedgeefsheid en gastvrijheid en dient zodoende voor het aanleren en uitoefenen van medemenselijkheid, zowel binnen de familie als in het buitenland. In A. 6:28 wordt de wens om het eigen karakter te vormen gekoppeld aan het bevorderen van het karaktervorming van anderen:Jeffrey Wattles: The Golden Rule. pag. 19.

Taoïsme (daoïsme) Het confucianisme, het taoïsme (daoïsme), de boeddhistische filosofie en de hindoeïstische filosofie zijn de belangrijkste stromingen in de Oosterse filosofie. Hierbij wordt Confucius vaak als een soort tegenpool beschouwd van Loa Tzu (Laozi). De natuurfilosofie van de Laozi is verenigbaar met iedere religie of levensbeschouwing; de Tao van de mens zal namelijk nooit wedijveren. In het boek Tao eindigt hoofdstuk 13 als volgt:

Het lichaam is onze wereld. Wie de wereld als zodanig aanvoelt, zal nooit aan anderen doen wat hij niet zelf zou willen ervaren.

Hindoeïsme In de Mahabharata, een tussen 400 voor en 400 na Christus. samengesteld boek van het hindoeïsme en brahmanisme, is de volgende uitspraak overgeleverd:Mahabharata online, Boek 13 (Anusasana Parva), paragraaf 113, vers 8; vertaald in het Engels door Kisari Mohan Ganguli. Gearchiveerd op 29 juli 2022.

Jaïnisme In de Sutrakritanga, een canoniek geschrift van het jaïnisme, een overlevering van de leer van Mahavira (ontstaan tussen 600 en 300 v.Chr.), luidt het in de tiende lezing, over waakzaamheid:Hermann Jacobi (Vertaler, 1895): Jaina Sutras, Part II (Sacred Books of the East 45), Kindle-editie; 10e lezing, vers 3. Gearchiveerd op 6 oktober 2022.

Boeddhisme In de Dhammapada, een spreukenverzameling van de Boeddha geworden Siddhartha Gautama, uit de vijfde eeuw v.Chr., gaat het twaalfde hoofdstuk over het Zelf. Uit de eigenliefde (157) volgt, om zichzelf niet te schaden, dat eerst het pad naar Verlichting bewandeld moet worden, voordat iemand een ander onderwijst. (158). Alleen wie zijn eigen Zelf bedwongen heeft, kan anderen bedwingen; dat eerste is moeilijk (159).Jack Maguire (Samenst.) Friedrich Max Müller (Vertaler): Dhammapada: Annotated and Explained. Jewish Lights Publications, 2002, Deze, in het boeddhisme centrale leer, werd al in de 19e eeuw door westerse onderzoekers gezien als een variant van de regel.Bijvoorbeeld Henry Steel Olcott: The Golden Rules of Buddhism. (verschenen in 1887) The Theosophical Publishing House, Adyar/Wheaton/Londen 1967

Vaak raden boeddhistische geschriften aan, vanuit een verstandig zelfbewustzijn anderen niet te kwetsen, bijvoorbeeld de Udana uit de 6e eeuw v. C.Udana, hoofdstuk 5 (Sonathera), paragraaf 1; in het Duits vertaald door: Sprüche und Lieder. Buddhistische Handbibliothek (1954), Uitgeverij Beyerlein-Steinschulte, In de Samyutta Nikaya, uit de Pali-canon, leert de Boeddha, uitgaande van ieders wens niet te sterven, voor zichzelf geluk te zoeken en leed te verafschuwen:Ilse-Lore Gunsser (Vertaler): Reden des Buddha. Aus dem Pâli-Kanon. Reclam Verlag, Stuttgart 1987, , pag. 40 ev.; pag.55.7: Die Leute von Veludvāra - Veludvāreyya Sutta

Daaruit leidt hij de zeven heilzame manieren van handelen af. Op de eerste plaats: zich onthouden van het doden van alles wat leeft en anderen te prijzen als zij afzien van doden. Dat is de juiste levenswandel in het handelen, dat voor iedereen geheel begrijpelijk is. Dat is hier geen aanwijzing, maar een uit zelfbeschouwing verkregen inzicht en dus de basis van alle ethische regels (de Silas).John Hick: Religion. Die menschlichen Antworten auf die Frage nach Leben und Tod. Diederichs Verlag, München 1996, , pag. 337.

Oude Oosterse Wijsheid De rond 700 v.Chr. tot stand gekomen spreukenverzameling van de Achiqar, waarin oudere spreuken uit andere bronnen opgenomen zijn,Ingo Kottsieper: Die Geschichte und die Sprüche des weisen Achiqar. In: Otto Kaiser, Günter Burkhard: TUAT, deel 3, aflevering 2: Weisheitstexte II. Verlagshaus Gerd Mohn, Gütersloh 1991, , pag. 322 ev. was wijdverbreid in het oude Midden-Oosten, als deel van een wijsheidsvertelling over een Assyrische ambtenaar aan het hof. In de na Christus vervaardigde Armeense vertaling van een vroege, verloren gegane Syrische versie, staan raadgevingen van de Achiqar aan zijn zoon, waaronder:Armenischer Achiqar A II, 88 en B 53; Merten Rabenau: Studien zum Buch Tobit, Walther de Gruyter, 1e editie 1994, , pag. 56, voetnoot 177.

Spreuken uit de Achiqarvertelling beïnvloedden uiteindelijk ook de tussen de vierde eeuw en 30 v.Chr. ontstane Leer van Chascheschonqi,Miriam Lichtheim: Late Egyptian Wisdom Literature in the International Context: A Study of Demotic Instructions. Orbis Biblicus et Orientalis, Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen 1983, , pag. 33 ev. waarin staat:Heinz Josef Thissen: Die Lehre des Anchscheschonqi. In: Otto Kaiser, Günter Burkhard: TUAT Deel. 3, aflevering 2: Weisheitstexte II. Gütersloh 1991, pag. 262 en 265.

Deze in kolom 15,23 vrijwel letterlijk herhaalde, uitspraak staat in de context van het Ma‘at-principe, dat gekoppeld was aan het verband tussen doen en ondergaan.

Zoroastrisme Het middel-Perzische geschrift Shâyast lâ-shâyast ("Het gepaste en het ongepaste“, ontstaan in 650-690 n.Chr.) geeft een opsomming van de juiste en onjuiste daden van de mens. Als religieus hoofddoel noemt het onder andere:Shayast-la-Shayast, Kapitel 13, Passus 29, in: Friedrich Max Müller (Samenst.), E. W. West (Vertaler): Pahlavi Texts Part I: The Sacred Books of the East Part Five, Kessinger Publishing, LLC, 2004, , pag. 363. Gearchiveerd op 8 oktober 2022.