thumb|Houtsnede uit William Caxtons tweede editie van The Canterbury Tales, ca. 1484.Encyclopædia Britannica 15th Edition thumb|Chaucer als pelgrim, uit het Ellesmere Chaucer-manuscript in de Huntington Library in San Marino, Californië. thumb|The Pardoner, een personage uit The Canterbury Tales. The Canterbury Tales, in oude vertalingen ook wel bekend als De vertellingen van de pelgrims naar Kantelberg,Kantelberg is de verouderde Nederlandse naam voor de stad Canterbury in het Engelse graafschap Kent. is een verzameling verhalen uit de Middelengelse literatuur die in de 14e eeuw werden geschreven door Geoffrey Chaucer. De verhaalstructuur komt overeen met andere werken uit die tijd, zoals de Decamerone van Giovanni Boccaccio, die wellicht zijn inspiratiebron is geweest.Cooper, p. 11. Biggs, p. 1-10

Gezamenlijk vormen The Canterbury Tales een raamvertelling. Hierin wordt verteld hoe een aantal pelgrims samen op reis gaan. Zij besluiten om elkaar onderweg, om de tijd te doden en ter lering en vermaak, ieder vier verhalen te vertellen.That each of you, as if to shorten the day, Shall tell two stories as you wend your way To Canterbury town; and each of you On coming home, shall tell another two (vertaling in modern Engels) De pelgrims hebben een zeer gevarieerde achtergrond en dat komt ook tot uiting in de verhalen. De thema's lopen sterk uiteen en behandelen zaken als hoofse liefde, verraad, gierigheid en overspel. Ook wordt er gebruikgemaakt van verschillende vertelgenres waaronder fabliau (zoals The Miller's Tale), dierenfabel (zoals The Nun's Priest's Tale) en romance (zoals The Knight's Tale).

In plaats van het in de literatuur gebruikelijke Frans of Latijn, schreef Chaucer The Canterbury Tales in de alledaagse volkstaal, nu Middelengels genoemd. Twee van de verhalen zijn in proza, de overige 22 in verzen. Een deel van de verhalen is oorspronkelijk, maar er zijn ook verhalen bij die op andere teksten zijn gebaseerd. Sommige vertellingen zijn serieus van aard, andere zeer humoristisch. Alle getuigen zij van een diep inzicht in menselijke gevoelens en motieven, wat het werk ook voor moderne lezers de moeite waard maakt. Het werk geeft ook een beeld van het leven, de praktijken en de denkwijze in Chaucers tijd. Chaucers magnum opus is echter onvoltooid gebleven.

Synopsis Op een dag in april komt een groep Engelse pelgrims samen bij de Tabard Inn nabij Londen. De herbergier, Harry Bailey, sluit zich bij hen aan. Zij vertrekken op bedevaart van Londen naar Canterbury om hun eer te betuigen aan het graf van de heilige Thomas Becket in de kathedraal van Canterbury. De groep, die tot in de details wordt beschreven, bestaat uit personen uit alle lagen van de bevolking. Geestelijken, zoals een kloostermoeder (prioress), een monnik (monk) en een handelaar in aflaten (pardoner), reizen zij aan zij met onder andere een zeeman (shipman), een molenaar (miller), een timmerman (carpenter), een baljuw (reeve), een schildknaap (squire), een houtvester (yeoman)In The Riverside Chaucer (p. 25) wordt de yeoman in een voetnoot omschreven als a freeborn servant. en een ridder (knight). Harry Bailey stelt voor om een wedstrijd te houden, waarbij zij onderweg verhalen aan elkaar vertellen. De pelgrims stemmen erin toe om elk vier verhalen te vertellen, twee op weg naar Canterbury, en twee op de terugweg. De herbergier zal het beste verhaal kiezen en de pelgrim die het beste verhaal heeft verteld, krijgt een gratis avondmaal aangeboden door de rest van de groep. Het vertellen begint met de ridder en tijdens de tocht naar Canterbury vertelt iedere pelgrim een verhaal, dat ofwel zijn of haar sociale positie weerspiegelt, ofwel de spot drijft met de anderen in de groep. Op het einde van de bedevaart kiest de herbergier geen winnaar en hebben niet alle pelgrims hun verhalen verteld. Chaucer voegt een herroeping toe aan het werk, waarin hij zich verontschuldigt voor het schrijven van iets dat iemand beledigd zou kunnen hebben.

Datering thumb|left|De eerste bladzijde van het Hengwrt Chaucer-manuscript met het begin van de General Prologue. Het is moeilijk te achterhalen wanneer het idee voor het schrijven van The Canterbury Tales als raamvertelling ontstaan is. Het lijkt voor de hand liggend dat Chaucer pas na een aantal andere werken, zoals The Legend of Good Women, aan The Canterbury Tales is begonnen. In de Legend of Good Women worden The Canterbury Tales nog niet vermeld in de lijst van zijn andere werken. Bovendien ontstonden The Canterbury Tales waarschijnlijk na zijn Troilus and Criseyde, want Legend of Good Women had hij deels geschreven om zich te verontschuldigen voor het negatieve beeld van de vrouw, dat hij met het personage Criseyde had opgehangen. Troilus and Criseyde is ergens tussen 1382 en 1388 gedateerd, met kort daarop Legend of Good Women, mogelijk in 1386/87. In elk geval begon Chaucer in de late jaren 1380 aan The Canterbury Tales als geheel te werken en bleef hij dat doen tot kort voor zijn dood in het jaar 1400.Pearsall, p. 1.Cooper, p. 5.

Twee van de verhalen, The Knight's Tale en The Second Nun's Tale, werden waarschijnlijk geschreven voor er ooit aan de raamvertelling werd gedacht. Beide verhalen worden vermeld in de proloog van de Legend of Good Women.Pearsall, p. 2. Andere verhalen, zoals The Clerk's Tale en The Man of Law's Tale kunnen ook vroeger geschreven zijn en later opgenomen in het kader van The Canterbury Tales. Deze suggesties krijgen echter weinig wetenschappelijke ondersteuning.Pearsall, p. 4. The Monk's Tale is een van de weinige verhalen waarin een gebeurtenis beschreven is, die duidelijk gedateerd kan worden. De dood van Bernabò Visconti, die op 18 december 1385 plaatsvond, wordt erin beschreven, hoewel sommige onderzoekers geloven dat de versregels over hem werden toegevoegd nadat het hoofdverhaal al was geschreven.Pearsall, p. 5. The Shipman's Tale werd hoogstwaarschijnlijk geschreven voor The Wife of Bath's Tale, aangezien the Shipman soms spreekt alsof hij een vrouw is. Dat doet toonaangevende academici zelfs geloven dat The Shipman's Tale oorspronkelijk voor The Wife of Bath bestemd was, voordat ze een prominenter personage werd. Verwijzingen naar haar in Envoy to Bukton (1396) lijken erop te wijzen dat haar personage op dat moment heel beroemd was in Londen.Pearsall, p. 5-6.

Chaucers gebruik van bronnen verschaft ook aanwijzingen voor de chronologie. The Pardoner's Tale, The Wife of Bath's Prologue en The Franklin's Tale verwijzen frequent naar het Epistola adversus Jovinianum van St. Jerome. Het werk van Jerome vormt ook een aanvulling in Chaucers proloog in een revisie van Legend of Good Women, die gedateerd is in 1394, wat erop zou kunnen wijzen dat deze drie verhalen in het midden van de jaren 1390 geschreven werden. Onderzoekers hebben bij het dateren van sommige van zijn verhalen ook gebruikgemaakt van de astronomische verwijzingen van Chaucer. Uit de gegevens die Chaucer bijvoorbeeld verschaft in de proloog kunnen we opmaken dat de bedevaart waarover sprake is in The Canterbury Tales, in 1387 plaatsvond. Dit houdt echter in dat, wanneer we kijken naar de astronomische gegevens, we ervan uitgaan dat Chaucer het over de gebeurtenissen uit zijn tijd had.Pearsall, p. 7.

Tekst In totaal zijn er 83 middeleeuwse manuscripten van The Canterbury Tales bekend. Dat is meer dan van welk ander Middelengels literair werk ooit. Dit bewijst al hoe populair het werk was in de 15e eeuw.Pearsall, p. 8 Van 25 van deze manuscripten wordt gedacht dat ze ooit compleet waren, terwijl er 28 zo fragmentarisch zijn, dat er moeilijk te zeggen valt of ze deel uitmaakten van een enkel verhaal of een onderdeel waren van een groter geheel.Cooper, p. 6-7 De tekst van The Canterbury Tales verschilt van manuscript tot manuscript. Veel van de kleinere verschillen kunnen te wijten zijn aan fouten van kopiisten. Andere verschillen wijzen er echter op dat Chaucer zelf voortdurend toevoegingen en veranderingen in zijn werk aanbracht. Er bestaat geen officiële volledige versie van The Canterbury Tales en met de informatie die voorhanden is, is het onmogelijk om de volgorde vast te stellen die Chaucer in gedachten had.Cooper, p. 7Pearsall, p. 14-15 Onderzoek heeft geleid tot twee manieren om de verhalen te ordenen. Academici verdelen de verhalen in tien fragmenten. De verhalen die een fragment vormen zijn rechtstreeks verbonden met elkaar en geven een duidelijke aanwijzing over hun volgorde, gewoonlijk met het ene personage dat het woord doorgeeft aan het andere. Tussen de fragmenten onderling is er echter minder verbinding. Dit betekent dat er verschillende mogelijke manieren zijn om de fragmenten en dus ook om de verhalen zelf te ordenen. De meest voorkomende volgorde van de fragmenten is als volgt: thumb|Geoffrey Chaucer, 1380, New Catholic Encyclopedia

Fragment Verhalen Fragment I (A) General Prologue, Knight, Miller, Reeve, Cook Fragment II (B1) Man of Law Fragment III (D) Wife, Friar, Summoner Fragment IV (E) Clerk, Merchant Fragment V (F) Squire, Franklin Fragment VI (C) Physician, Pardoner Fragment VII (B2) Shipman, Prioress, Sir Thopas, Melibee, Monk, Nun's Priest Fragment VIII (G) Second Nun, Canon's Yeoman Fragment IX (H) Manciple Fragment X (I) Parson

In een alternatieve volgorde wordt fragment VIII (G) voor VI (C) geplaatst. In andere gevallen volgt de bovenstaande rangschikking de volgorde uit de oudste manuscripten. Daarin volgen fragment I en II bijna altijd op elkaar, net zoals VI en VII, en ook IX en X. De plaats van de fragmenten IV en V daarentegen verschilt van manuscript tot manuscript.

Zelfs de oudste overgeleverde manuscripten zijn geen originelen van Chaucer. Het oudste manuscript is MS Peniarth 392 D, het Hengwrt Chaucer-manuscript genoemd, en het is na de dood van Chaucer door een scribent samengesteld. De scribent gebruikte de volgorde die hierboven getoond wordt, maar hij lijkt niet de beschikking gehad te hebben over de volledige verzameling van de verhalen van Chaucer, dus een deel ontbreekt. Het meest gewaardeerde manuscript van The Canterbury Tales is het Ellesmere Chaucer-manuscript. Veel uitgevers hebben in de loop der eeuwen tot op de dag van vandaag de volgorde van dit manuscript gevolgd. Het laatste manuscript is de gedrukte uitgave van William Caxton uit 1478, die tevens de eerste in drukvorm gepubliceerde versie van The Canterbury Tales is. Aangezien deze versie is gebaseerd op een nu verloren gegaan manuscript, wordt het bij de 83 handschriften gerekend.Cooper, p. 8

Chaucers bronnen thumb|left|260px|A Tale from the Decameron door John William Waterhouse. Tijdens het schrijven van The Canterbury Tales werd Chaucer geïnspireerd door literaire teksten en door culturele gebruiken.

Literaire concours Hoewel het concept van literaire concours al in de middeleeuwen bestond, was het ongebruikelijk dat vertellingen het onderwerp van die wedijver waren. Meestal waren het poëziewedstrijden tussen telkens twee deelnemers en vóór Chaucers tijd in het Provençaals, Frans of Latijn. Dichter aanleunend bij The Canterbury Tales was de London Pui, een broederschap van Londense kooplieden, uit de sociale kring van Chaucers grootouders, die zich bezighield met religieuze vieringen en die een concours voor de beste lyrische teksten op muziek organiseerde. De leden van de London Pui verkozen jaarlijks een prins, die het winnende lied moest kiezen. De winnaar kreeg een kroon en een gratis middagmaal. In The Canterbury Tales vormen de pelgrims ook een gezelschap, kiezen ze een 'ceremoniemeester' en combineren ze een verhalenwedstrijd met vrome overpeinzingen.Cooper, p. 10

Verhalenbundels Chaucer ontleende verhalen aan het klassieke Metamorphosis van Ovidius en aan Confessio amantis van zijn tijdgenoot en vriend John Gower, aan verzamelingen heiligenlevens en dierenfabels, maar hij plaatste ze in een totaal eigen schema.

De Decamerone