De Slag bij Blenheim of (tweede) Slag bij Höchstädt was een belangrijke veldslag tijdens de Spaanse Successieoorlog, die plaatsvond op 13 augustus 1704. Blenheim (tegenwoordig Blindheim) is een dorp aan de Donau op 16 kilometer ten zuidwesten van Donauwörth in Beieren.

Bij de slag stonden de strijdkrachten van de Grote Alliantie van onder anderen Engeland, Oostenrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onder het commando van John Churchill, hertog van Marlborough, en prins Eugenius van Savoye. De Franse en Beierse legers werden aangevoerd door maarschalk Camille d'Hostun, keurvorst Maximiliaan II Emanuel van Beieren en maarschalk Ferdinand de Marsin.

Deze slag eindigde met een belangrijke overwinning voor de Grote Alliantie en betekende een keerpunt in de oorlog, waar de Franse legers tot dan toe het initiatief hadden genomen. De bedreiging van Wenen door de Frans-Beierse alliantie werd weggenomen. Tevens werd Beieren voor de rest van de oorlog uitgeschakeld.

In totaal vielen er bij de slag meer dan 30.000 doden en gewonden.

Het was de eerste zware nederlaag voor de Fransen in meer dan 60 jaar: onder Lodewijk XIV had Frankrijk het sterkste leger van Europa gehad. Het was ook de eerste keer dat Engelse strijdkrachten zich zo diep in het Europese continent waagden

Achtergrond In 1704 had de Spaanse Successieoorlog al drie jaar geduurd. Het voorgaande jaar was zeer succesvol geweest voor Frankrijk en zijn bondgenoten, vooral aan de Donau, waar maarschalk Villars en de keurvorst van Beieren een directe bedreiging vormden voor Wenen, de hoofdstad van het Heilige Roomse Rijk. Het verlies van Wenen zou vrijwel zeker het uiteenvallen van de Grote Alliantie betekenen.Chandler p. 125 De Grote Alliantie profiteerde van verdeeldheid tussen de Franse en Beierse aanvoerders, waardoor de briljante Villars uiteindelijk zou worden vervangen door de minder inspirerende Marsin.Chandler p. 124

De oostgrens van Oostenrijk werd al bedreigd door de Hongaarse opstand onder Ferenc Rákóczi, terwijl aan de Rijn maarschalk de Tallard voorbereidingen trof om door het Zwarte Woud op te rukken en het Frans-Beierse leger bij Ulm te versterken. Daarnaast dreigde een leger van 100.000 man onder Louis-Joseph de Vendôme vanuit het noorden van Italië binnen te vallen.

Om een tussenkomst van geallieerde troepen in Nederland bij de Donau te voorkomen, had het 46.000 man sterke leger onder maarschalk Villeroy de opdracht gekregen om de 70.000 man Staatse en Engelse troepen bij Maastricht bezig te houden. De enige troepen die direct beschikbaar waren om Wenen te verdedigen, waren een leger van 36.000 man onder Lodewijk Willem van Baden-Baden, die aan de linies van Stollhofen (de barrière die was opgeworpen om de Fransen te verhinderen om langs de Rijn vanuit Straatsburg op te rukken) waren gestationeerd om Tallard in de gaten te houden.

De hertog van Marlborough begreep de implicaties van de situatie aan de Donau. "Ik ben van plan om met de Engelsen naar Koblenz op te rukken en bekend te maken dat ik langs de Moezel op veldtocht wil gaan. Als ik daar aankom, zal ik echter naar de Hollandse Staten schrijven dat ik het van cruciaal belang voor het voortbestaan van het Rijk acht, dat ik met de troepen onder mijn bevel naar het zuiden opruk om me bij de troepen in Duitsland te voegen... om samen met prins Lodewijk van Baden maatregelen te treffen voor de spoedige nederlaag van de keurvorst van Beieren."Spencer p. 127 Hij was van plan om de keizerlijke strijdkrachten te versterken en het Frans-Beierse leger aan de Donau te vernietigen, voordat het kon worden versterkt door Tallard.

Aanloop De mars van Marlborough thumb|Marlborough “Een rode rups, waarop alle ogen tegelijk gericht waren, begon vastberaden, dag na dag over de kaart van Europa te kruipen en sleepte de hele oorlog achter zich aan.”Spencer p.136 Winston Churchill.

De mars van Marlborough begon op 19 mei in Bedburg, vlak bij Maastricht. Het leger was verzameld door de broer van de hertog, generaal Charles Churchill. Het bestond in eerste instantie uit 66 eskadrons, 31 bataljonsAan het begin van de veldtocht bestond een Engels eskadron uit 150 mannen te paard, terwijl een bataljon uit 700 man voetvolk bestond. Spencer p.134 en 38 kanonnen en mortieren, in totaal 21.000 manschappen. Daarvan waren 14.000 man afkomstig uit Groot-Brittannië en Ierland. Dit leger zou onderweg nog worden versterkt, zodat Marlborough bij het bereiken van de Donau 40.000 man onder zich had, 47 bataljons en 88 eskadrons. Terwijl Marlborough zijn leger aanvoerde, zou generaal Ouwerkerk een defensieve positie in de Republiek innemen met de Staatse troepen. (De hertog maakte zich verder geen zorgen om hun veiligheid, omdat hij ervan uitging dat Fransen eerder hem zouden achtervolgen dan de Lage Landen binnenvallen). Marlborough had gelijk: Villeroy schaduwde hem met 30.000 manschappen, onderverdeeld in 60 eskadrons en 42 bataljons. Zijn mars om Wenen van de vijand te redden, besloeg in totaal 400 kilometer en was een meesterwerk van misleiding, nauwgezette planning en organisatie. Marlborough liet de Staten-Generaal van de Nederlanden weten dat hij zinnens was de Fransen aan de Moezel aan te vallen, een logische voortzetting van de operaties aan de Maas en de Rijn van het voorgaande jaar. Op 2 mei hadden de Staten daar met tegenzin mee ingestemd en hij haastte zich om de voorbereidingen af te ronden, voordat de Staten van gedachten zouden veranderen.

De hertog moest haast maken: op 14 mei was Tallard langs prins Baden geglipt met 10.000 man versterking (waaronder 2400 cavaleristen en 200 kanonnen) voor het Frans-Beierse leger, om vervolgens via dezelfde route door het Zwarte Woud terug te glippen en zijn positie tussen de Rijn- en Donaulegers weer in te nemen.

Misleiding was essentieel om Marlboroughs plan te laten slagen. Op 26 mei bereikte de hertog Koblenz, waar hij zijn troepen beval de Rijn over te steken. Hij hield alleen halt om 5000 wachtende manschappen uit Hannover en Pruisen aan de zijne toe te voegen. De Fransen realiseerden zich snel dat Marlborough niet van plan was naar de Moezel op te rukken, waarop ze bedachten dat zijn doel weleens een geallieerde inval in de Elzas en een aanval op Straatsburg zou kunnen zijn. Marlborough speelde handig in op deze angst, door bij Philippsburg bruggen over de Rijn te laten bouwen en door zijn artillerie naar Mannheim te laten optrekken. Door deze schijnbeweging werd Villeroy aangemoedigd om Tallard te hulp te komen en de Elzas te verdedigen.

Marlborough stak echter op 3 juni de Main over en vier dagen later de Neckar. Op 6 juni liet Marlborough uiteindelijk aan de Staten weten dat zijn echte bestemming de Donau was, maar het echt gevaarlijke gedeelte van zijn mars was toen al voorbij, daar de linies van Stollhofen en de troepen van Baden inmiddels binnen bereik waren.

Nu de mars op zijn einde liep, reed Marlborough vooruit naar Großheppach om daar Baden en prins Eugenius te ontmoeten en de definitieve geallieerde strategie vast te stellen. Op 10 juni ontmoette hij prins Eugenius voor het eerst in Mundelsheim. Drie dagen later voegde Baden zich bij hem in Großheppach. Er werd besloten dat Eugenius tussen 10 juni en 14 juni met 28.000 man naar de linies van Stollhofen zou oprukken, terwijl Marlborough en de troepen van Baden, in totaal 80.000 manschappen, zouden worden gecombineerd voor de mars naar de Donau en het Frans-Beierse leger.Marlborough en Eugeius wilden absoluut samenwerken, maar Baden was hoger in rang dan Eugeius. Daarom kreeg Eugenius de wat minder 'prestigieuze' rol van het verdedigen van de linies van Stollhofen toebedeeld. Spencer p.166

Tallard en Villeroy wisten inmiddels dat Marlborough op weg was naar de Donau. Tallard ontmoette Villeroy op 13 juni in Landau om snel een plan op te stellen voor de redding van Beieren. Het Franse commandosysteem was echter zo rigide, dat alle afwijkingen van het originele plan moesten worden goedgekeurd door de legerleiding in Versailles.Chandler p. 133 De toestemming van Lodewijk XIV arriveerde op 27 juni: Tallard zou Marsin en de keurvorst versterken, die nu hun kampement opgeslagen hadden bij Augsburg. Hij zou door het Zwarte Woud oprukken met 40 bataljons en 50 eskadrons. Villeroy zou de geallieerden bij de linies van Stollhofen vastzetten, of zich bij Tallard voegen als de geallieerden al hun strijdkrachten naar de Donau zouden verplaatsen. Luitenant-generaal Coignies zou met 8000 man de Elzas beschermen. Op 1 juli begonnen Tallard en zijn leger van 35.000 man aan hun mars.

Ondertussen hadden de troepen van Marlborough bij Lonsee contact gemaakt met de keizerlijke troepen onder Everhard Lodewijk van Württemberg. Ze marcheerden samen verder, op zoek naar de keurvorst van Beieren en maarschalk Marsin aan de Donau. Om diep door te kunnen dringen in vijandelijk gebied, had deze grote strijdmacht een basis voor de bevoorrading nodig. Daarom bestormde Marlborough op 2 juli het belangrijke fort Schellenberg op de hoogten nabij het stadje Donauwörth. Na een felle en bloedige strijd, waarbij aan beide zijden zware verliezen werden geleden, werd Schellenberg uiteindelijk ingenomen. Daardoor was kort daarop Donauwörth eveneens gedwongen zich over te geven. Na Donauwörth was het geluk van de geallieerden echter kennelijk op. De keurvorst weigerde te vechten of zich over te geven en hield zijn troepen achter de sterke fortificaties rond Augsburg.Chandler p.139

Marlborough werd door deze terughoudendheid aangemoedigd om op een controversiële rooftocht door Beieren te gaan. Hij liet gewassen en gebouwen verbranden, vastbesloten om de keurvorst achter zijn verdedigingswerken vandaan te lokken voor een gevecht, voordat Tallard met zijn versterkingen zou arriveren."[Baden] haatte de nieuwe koers, waardoor hij in zijn eigen woorden gedwongen was zich 'als een huzaar' te gedragen - de gehate Hongaarse cavalerist, met zijn reputatie van sluwe beestachtigheid". Spencer p.218 Door de aangerichte verwoestingen, samen met een lange belegering van Rain, klaagde prins Eugenius: "...sinds Donauwörth kan ik hun prestaties niet meer bewonderen." Later schreef hij nog dat "als hij naar huis moet zonder zijn doel te hebben bereikt, zal hij zeker geruïneerd zijn".Spencer p.215

Op 18 juli had Tallard inmiddels gehoord dat Eugenius bij de linies van Stollhofen was weggeglipt en met 18.000 man op weg was naar Beieren, in de hoop zich bij de hertog te voegen en de vijand tot een slag te verleiden. Op 19 juli bereikte de Franse maarschalk Ulm.

Laatste voorbereidende manoeuvres thumb|Voorbereidende manoeuvres Op 5 augustus kwam Tallard aan bij Augsburg, waarmee de totale Frans-Beierse troepenmacht op 56.000 man kwam. Hun gecombineerde legers marcheerden op naar de Donau. Eugenius bereikte Höchstadt eveneens op de 5e.

Marlborough wist dat het nodig was om nog een oversteekplaats van de Donau te bemachtigen, voor het geval Donauwörth ingenomen zou worden door de vijand. Daarom maakten op 7 augustus de eerste van de 15.000 keizerlijke manschappen onder Baden zich los van de hoofdmacht van Marlborough (twee dagen later gevolgd door de rest) om het zwaar verdedigde Ingolstadt te belegeren.Als Ingolstadt kon worden ingenomen, zouden de geallieerden de Donau tot aan Passau onder controle krijgen. Daarnaast zou Baden door een succesvolle belegering roem verwerven, onafhankelijk van Marlborough. Spencer p.221 Marlborough was er niet gerust op dat Baden de stad in zou kunnen nemen, maar er waren nog twee voordelen: het vooruitzicht dat de Beierse keurvorst zijn verschansing zou verlaten om de stad te hulp te komen en dat Marlborough en Eugenius even van hun opvliegende collega af zouden zijn.Spencer p.221

Op 10 augustus kwam er een dringend bericht uit Münster van Eugenius, waarin hij meldde dat hij zich terugtrok naar Donauwörth.