Helmuth Karl Bernhard (sinds 1870 Graf) von Moltke (Parchim (Mecklenburg-Schwerin), 26 oktober 1800 – Berlijn, 24 april 1891) was een Duitse generaal-veldmaarschalk, dertig jaar lang de stafchef van het Pruisische leger, en wordt algemeen gezien als een van de grootste strategen van de tweede helft van de 19e eeuw. Hij is de schepper van een nieuwere, modernere methode om legers in het veld aan te sturen. Hij wordt soms Moltke de Oude genoemd om hem te onderscheiden van zijn neef Helmuth von Moltke de Jonge, die bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog het bevel voerde over de Duitse legers.
Biografie Jeugd Moltke werd geboren in een familie van oude Duitse adel. Zijn vader vestigde zich in 1805 in Holstein en werd daar Deens onderdaan, maar verviel ongeveer tegelijkertijd in armoede door een brand in zijn landhuis en de plundering door de Fransen van zijn woning in Lübeck, waar zijn vrouw en kinderen verbleven (zie ook napoleontische oorlogen). De kleine Moltke groeide daarom in armlastige omstandigheden op. Op negenjarige leeftijd werd hij in de kost gestuurd naar Hohenfelde in Holstein en op elfjarige leeftijd als cadet naar Kopenhagen, voorbestemd voor het Deense leger en hof. In 1818 werd hij page bij de koning van Denemarken en tweede luitenant in een Deens infanterieregiment.
Op 21-jarige leeftijd besloot hij in Pruisische dienst te treden, ondanks het verlies in anciënniteit die dat met zich meebracht. In 1822 werd hij tweede luitenant in het 8e Infanterieregiment, dat in Frankfurt aan de Oder was gestationeerd. Op zijn 23e mocht hij toetreden tot de algemene krijgsschool (later de Oorlogsacademie), waar hij de volledige drie jaar studie afrondde en slaagde in 1826.
thumb|left|V.l.n.r. Otto von Bismarck, Albrecht von Roon en Helmuth von Moltke
Als jonge officier Moltke had een jaar lang de leiding over een cadetopleiding in Frankfurt aan de Oder, waarna hij een rol kreeg in het maken van stafkaarten van Silezië en Posen. In 1832 werd hij voorgedragen voor dienst bij de generale staf in Berlijn, waar hij in 1833 na zijn promotie tot eerste luitenant werd aangesteld. Zijn superieuren zagen hem als een briljante officier, onder anderen ook prins Wilhelm, op dat moment luitenant-generaal en later koning en keizer.
Hij werd warm onthaald aan het hof en de hogere standen in Berlijn. Zijn smaak lag in de literatuur, historisch onderzoek en reizen. In 1827 publiceerde hij een korte roman, "Die zwei Freunde" (de twee vrienden). In 1831 verscheen van zijn hand een essay met de titel "Holland und Belgien in ihren gegenseitigen Relationen, von ihrer Trennung unter Philipp II. zu ihrer Wiedervereinigung unter Wilhelm I." (De wederzijdse relatie van Holland en België, van hun scheiding onder Filips II tot aan de vereniging onder Willem I). Een jaar later schreef hij "Ein Konto der internen Umständen und der Sozialzuständen Polens" (een beschrijving van de interne toestanden en sociale situatie van Polen), een studie die zowel op een literatuuronderzoek als op persoonlijke observaties van het Poolse leven en de volksaard aldaar gebaseerd was. In 1832 nam hij een opdracht aan om een vertaling in het Duits te leveren van Gibbons' "The History of the Decline and Fall of the Roman Empire", waar hij 75 Reichstaler voor zou krijgen. Van dit geld wilde hij een paard kopen. Na achttien maanden had hij negen van de twaalf delen vertaald, maar de uitgever bracht het boek nooit op de markt en Moltke ontving nooit meer dan 25 Reichstaler.
In dienst van het Ottomaanse Rijk In 1835, na zijn promotie tot kapitein, kreeg hij zes maanden verlof om door Zuidoost-Europa te reizen. Hij verbleef kort in Constantinopel, waar hij van sultan Mahmud II het verzoek kreeg om mee te helpen bij de modernisering van het Ottomaanse leger. Van Berlijn kreeg hij toestemming om aan het verzoek te voldoen. Hij verbleef twee jaar in Constantinopel, leerde Turks en bracht de stad, de Bosporus en de Dardanellen in kaart. Tevens reisde hij door Bulgarije, Roemelië en andere gebieden aan beide zijden van de zeestraat.
In 1838 werd hij aangesteld als adviseur van de Ottomaanse generaal die het bevel voerde over de troepen in Armenië, die op veldtocht zou gaan tegen Mohammed Ali van Egypte. Tijdens de zomer ging Moltke uitgebreid op verkenningstocht, waarbij hij meerdere duizend kilometer te paard aflegde. Hij stak de stroomversnellingen van de Eufraat over en bezocht vele delen van het Ottomaanse Rijk, die hij ook in kaart bracht. In 1839 verplaatste het leger zich naar het zuiden om tegen de Egyptenaren te vechten, maar bij de ontmoeting met de vijand weigerde de generaal naar het advies van Moltke te luisteren. Moltke bedankte voor zijn rol als stafofficier en nam het bevel over de artillerie over. In de Slag bij Nizib op 24 juni 1839 werd het Ottomaanse leger verslagen (Mohammed Ali werd maar een of twee keer in zijn leven verslagen). Moltke wist met grote moeite de Zwarte Zee te bereiken, en van daaruit Constantinopel. Zijn patroon, sultan Mahmud II, was inmiddels overleden, dus keerde hij terug naar Berlijn. Daar kwam hij in december 1839 met een gebroken gezondheid aan.
Eenmaal thuis, publiceerde hij een aantal van de brieven die hij had geschreven onder de titel "Briefe auf Bedingungen und Fällen in der Türkei in den Jahren 1835 bis 1839" (brieven over de toestanden en gebeurtenissen in Turkije in de jaren 1835 tot 1839). Dit boek werd destijds goed ontvangen. Vroeg in het volgende jaar trouwde hij met een jonge Engelse vrouw, Mary Burt. Zij was de stiefdochter van zijn zuster. Het was een gelukkig huwelijk, hoewel er geen kinderen uit voortkwamen.
In 1840 had Moltke een positie verkregen bij de staf van het 4e legerkorps, dat was gestationeerd in Berlijn. Hij had zijn kaarten van Constantinopel gepubliceerd en samen met andere Duitse reizigers een nieuwe kaart van Klein-Azië en een verhandeling over de geografie van dat gebied op de markt gebracht. Hij had een fascinatie voor spoorlijnen ontwikkeld en was een van de eerste directeurs van de spoorlijn Hamburg-Berlijn. In 1843 publiceerde hij een artikel over de verschillende overwegingen die de koers van een spoorlijn bepalen.
In 1845 verscheen van zijn hand "die Russo-Türkische Kampagne in Europa, 1828-1829" (de Russo-Turkse veldtocht in Europa, 1828-1829), dat in militaire kringen uitstekend werd ontvangen. In datzelfde jaar diende hij in Rome als persoonlijk adjudant van prins Hendrik van Pruisen, waardoor hij een nieuwe kaart van de "Eeuwige Stad" kon maken, gepubliceerd in 1852. In 1848 werd hij, na een kort verblijf bij de generale staf in Berlijn, stafchef van het 4e legerkorps, dat zijn hoofdkwartier had in Maagdenburg. Daar zou hij zeven jaar blijven en het tot luitenant-kolonel en kolonel schoppen.
In 1855 diende hij als persoonlijk adjudant van prins Frederik Willem (de latere keizer Frederik III). Hij vergezelde de prins naar zijn huwelijk in Engeland, evenals naar Parijs en naar de kroning van Alexander II in Sint-Petersburg.
Stafchef van de Duitse generale staf In 1857 werd hij benoemd als chef van de Pruisische "Großer Generalstab", een positie die hij de komende dertig jaar zou bekleden. Zo gauw als hij deze positie had bereikt, begon hij met het invoeren van veranderingen in de strategische en tactische methodes van het Pruisische leger, aanpassingen in de bewapening en communicatiemethodes, veranderingen in de opleidingen voor stafofficieren en in de mobilisatieprocedures van het leger. Hij voerde ook een formele studie van de Europese politiek in, gecombineerd met plannen voor eventuele toekomstige veldtochten. Kortom, hij voerde in korte tijd de kenmerken van een moderne generale staf in.
In 1859 leidde de oorlog tussen Oostenrijk en Sardinië in Italië ertoe, dat het Pruisische leger werd gemobiliseerd. Het nam echter geen deel aan de gevechten. Na de mobilisatie werd het leger gereorganiseerd en verdubbelde bijna in mankracht. De reorganisatie was niet het werk van Moltke, maar van prins-regent Wilhelm en de minister van Oorlog, Albrecht von Roon. Moltke volgde de Italiaanse veldtocht nauwgezet en schreef er een geschiedenis van, gepubliceerd in 1862. Deze geschiedenis werd op de titelpagina toegeschreven aan de historische afdeling van de Pruisische staf, nog een primeur.
In december 1862 werd Moltke gevraagd om zijn mening over het militaire aspect van het conflict met Denemarken. Hij was van mening dat het moeilijk zou worden om de oorlog tot een einde te brengen, omdat het Deense leger zich bij de eerste gelegenheid terug zou trekken naar de eilanden. Omdat de Denen de zee onder controle hadden, zouden ze daar niet kunnen worden aangevallen. Hij schetste een plan om de flank van het Deense leger te overvleugelen voor de aanval op de Deense posities in Sleeswijk. Volgens hem zou op die manier de Deense terugtocht kunnen worden verhinderd.
Oorlog met Denemarken Toen de oorlog uiteindelijk uitbrak in 1864 werd Moltke in Berlijn gehouden, in plaats van de Pruisische troepen te vergezellen. Zijn strijdplan werd verkeerd uitgevoerd, waardoor het Deense leger naar de forten Düppel en Fredericia wist te ontsnappen. Beide forten bewaakten een mogelijke vluchtroute over een zeestraat naar een eiland. Düppel (Deens: Dybbøl) en Fredericia werden belegerd. Düppel werd na een stormaanval ingenomen (zie:Düppeler Schanzen) en Fredericia zonder bestorming door de Denen opgegeven. Het leek er echter niet op dat de oorlog snel afgelopen zou zijn. Het Deense leger zat veilig op de eilanden Alsen en Funen.
Op 30 april 1864 werd Moltke als stafchef naar de geallieerde (Duitse) troepen gestuurd. Na een wapenstilstand van twee maanden, viel het Duitse leger de Denen uiteindelijk aan op het eiland Alsen (29 juni). De Denen evacueerden Alsen en stemden kort daarop in met de Duitse vredesvoorwaarden. Vanaf het moment dat Moltke ten tonele verscheen, had de oorlog een andere koers genomen. Zijn invloed bij de koning was inmiddels stevig verankerd. Toen in 1866 het conflict met Oostenrijk escaleerde, werden Moltkes plannen dan ook overgenomen en uitgevoerd.
Moltkes theorie over oorlog Von Moltke was een volgeling van Clausewitz, wiens theorie over oorlogsvoering een poging was om de essentie van oorlog te vinden, meer dan van de Franse strateeg van een generatie eerder en rivaal van Clausewitz, baron Jomini, die een ingewikkeld systeem van regels voorstond, waarbij oorlog als een exacte wetenschap werd opgevat. Moltke zag strategie als "de praktische kunst van middelen aanpassen aan de doelen". Hij heeft de methoden van Napoleon verder ontwikkeld en aangepast aan de veranderde omstandigheden van zijn tijd. Hij was de eerste die de grote defensieve kracht van moderne vuurwapens inzag, en leidde daaruit af dat een omsingelingsaanval een betere tactiek was dan een frontale aanval.
Hij bestudeerde de tactieken van Napoleon bij de Slag bij Bautzen, waarbij de keizer het korps van Michel Ney langs een andere route had laten opmarcheren tegen de flank van zijn tegenstanders, in plaats van het vóór de slag bij de rest van zijn leger te voegen. Daarnaast had Moltke lering getrokken uit de gecombineerde acties van de geallieerden bij de Slag bij Waterloo.