De geschiedenis van de volksmuziek begint bij het ontstaan van de mensheid.
Volksmuziek is van iedereen en vormt een bindend element in een gemeenschap. Volksmuziek is niet (bewust) gecomponeerd, of anders gezegd: er is meestal geen componist bekend. Er is niet slechts één kunstenaar die zich uit (zoals in de kunstmuziek of klassieke muziek), maar er is een gemeenschap die zich kan uiten in haar eigen volksmuziek. Volksmuziek werd (bijna) nooit opgeschreven, maar mondeling overgeleverd.
In de Oudheid was de meeste volksmuziek in Europa eenstemmig en vocaal. Volksmuziek was altijd functioneel: ze diende ter opluistering van belangrijke gebeurtenissen. In de middeleeuwen waren kunstmuziek en volksmuziek nauw met elkaar verbonden. Ook religieuze muziek en volksmuziek stonden dicht bij elkaar. Van de middeleeuwen tot in de 19e eeuw waren de grenzen tussen standen belangrijker dan de grenzen tussen landen. Dit heeft grote gevolgen gehad voor de muziek; elke stand had zijn eigen muziek, streng afgescheiden van elkaar.
In de 19e eeuw groeide het nationalisme. Elk volk werkte aan zijn eigen nationale volksmuziek, die de eigen identiteit moest versterken. Waar er nog geen nationale volksmuziek bestond, werd die gecomponeerd. In de 20e eeuw werd het onderscheid tussen stadsmuziek en plattelandsmuziek steeds groter. In de stad wist men vaak niet welke muziek men op het platteland zong en speelde. Sedert 1970 is er overal in Europa een enorme herwaardering voor de volksmuziek op gang gekomen. Stedelingen gingen naar het platteland om de "eigen" volksmuziek te ontdekken. Weldra ontstonden er overal muziekgroepen die de oude traditionele boerenmuziek gingen spelen, maar dan wel met moderne aanpassingen of arrangementen.
Inleiding Volksmuziek is zo oud als de mensheid. Wellicht kon de mens eerder zingen dan praten, net als de vogels, de olifanten en de walvissen. Volksmuziek is vanouds een gebruiksvoorwerp, net als een doopritueel, een bruiloftsgebruik, een traditioneel kostuum, streektaal, oude legenden en regionale architectuur. Volksmuziek hoorde bij de volkskunst. Daarbij ging het niet om de individuele expressie van een individuele kunstenaar, maar om een collectieve uitingsvorm van gemeenschappelijk herkende emoties. Veel volksliederen gingen over de geschiedenis van de groep (stam, clan), over legendarische helden, over gewonnen en verloren oorlogen. Daarnaast zijn veel volksliederen een maatschappelijk geaccepteerde uitlaatklep voor individuele gevoelens: van blijdschap en gelukservaringen tot ongelukkige liefdes, misoogsten, armoede, gevangenschap, tegenslagen en ongevallen.
Oudheid en Middeleeuwen
In de oudheid en de middeleeuwen was bijna alle muziek volksmuziek. De meeste muziek was muziek van het volk: dat wil zeggen muziek die iedereen kende en zong of speelde. De componist was onbekend: het lied was er en het lied was van iedereen. Gezongen liederen, instrumentale muziek en dans vormden een drie-eenheid: die hoorden altijd bij elkaar. De meeste volksmuziek is dansmuziek. Instrumentale muziek bestond vaak uit een bewerking en omspeling van de vocale muziek. De volksmuziek werd eenstemmig gespeeld door bijvoorbeeld een fluit, een doedelzak of een vedel, en daarbij begeleid door een trom en/of een bourdontoon (drone, aangehouden bromtoon).
Naast volksmuziek was er kerkmuziek, zoals het gregoriaans. Het is zeer aannemelijk dat het gregoriaans veel volksliedjes heeft gebruikt en bewerkt. Het is ook zeer aannemelijk dat het gregoriaans vroeger veel levendiger en gevarieerder werd uitgevoerd dan nu. Men gebruikte bijvoorbeeld maat en ritme (later werd dat verwijderd, waarschijnlijk omdat dat te frivool werd geacht). Ook gebruikte men waarschijnlijk micro-intervallen (kwarttonen).
Naast de volksmuziek had je wel enkele begaafde kunstenaars (componisten), die kunstliederen schreven (soms tegen betaling van kerk of hof), maar tot 1400 is weinig daarvan bewaard gebleven. Dit is het begin van de kunstmuziek, maar in die tijd stonden volksmuziek en kunstmuziek nog heel dicht bij elkaar. Als je luistert naar Europese middeleeuwse kunstmuziek, doet die sterk denken aan volksmuziek.
Stad en platteland In Europa is op het platteland de traditionele volksmuziek eeuwenlang goed bewaard en overgeleverd geweest (via mondelinge overlevering), terwijl nieuwe composities vaak in een stedelijke omgeving ontstonden.
De kerk was een van de weinige plekken waar muziek werd opgeschreven en men heeft daardoor zeer oude melodieën teruggevonden die misschien wel dateren van het begin van de christelijke jaartelling. De door de kerk betaalde componisten rond het jaar 1500 (Monteverdi, Heinric Isaac, Josquin des Prés, Palestrina) bedienden zich vaak van bestaande volksliedjes, die zij bewerkten tot meerstemmige (polyfone) kerkmuziek. Ook Luther, die veel nieuwe kerkliederen in de volkstaal schreef, maakte veel gebruik van bestaande volksliedjes. Dankzij die kerkelijke activiteiten hebben wij nog veel middeleeuwse volksmuziek kunnen reconstrueren. Dat geldt niet alleen voor Rome, Aken of Parijs, maar ook voor Byzantium, de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk (ook wel Byzantijnse Rijk genaamd).
Het Byzantijnse Rijk was rond 700 tot volle bloei gekomen. Dankzij de Byzantijnse kerkmuziek heeft men Griekse volksliedjes uit de Oudheid kunnen reconstrueren. Toen de Turken en Arabieren in 1453 de stad Byzantium (door de Grieken Konstantinopolis genaamd) overnamen, en daarmee het Byzantijnse Rijk, hebben zij ook veel kerkelijke (christelijke) muziek overgenomen en indirect dus ook eeuwenoude Griekse volksmuziek.
Als dus vandaag de dag de Grieken beweren dat de Turken veel Griekse (lees: Byzantijnse) muziek hebben overgenomen, dan hebben ze gelijk. Vele eeuwen later zullen de Turken beweren dat veel Griekse muziek (uit Klein-Azië) eigenlijk van oorsprong Turks is en dat is zeker waar voor de Smyrna- en Rebetika-muziek uit de tijd van 1880 – 1920.
Het Antwerps Liedboek uit 1544 is een van de oudste opgeschreven verzamelingen van Nederlandse en Vlaamse wereldlijke muziek, zowel volksliederen als kunstliederen. In die tijd was het een zeldzaamheid om liedteksten op te schrijven, dus dit boek is van groot belang voor een beeld van de volksmuziek in de 16e eeuw. Helaas waren er geen melodieën bij geschreven, maar wetenschappers hebben achteraf de melodieën achterhaald. De teksten gaan vaak over de liefde. Naarmate het onderwerp pikanter wordt, wordt de tekst implicieter of symbolischer (gecodeerd). Je denkt dan dat het lied gaat over een vogeltje dat tegen het raam tikt, maar in werkelijkheid gaat het over een minnaar die zijn geliefde opzoekt of die bij haar wil binnendringen (“Laat mij erin, laat mij erin”). In vele landen blijkt deze bedekte taal het gebruik te zijn.
Terwijl de stadsmens in geheel Europa zich gedurende de 17e en 18e eeuw meer en meer beschaafde (meer onderwijs, meer geld, meer kunst), werd de volksmuziek steeds meer een kenmerk van het (niet beschaafde) platteland. En ziedaar: een tweedeling was geboren. Volksmuziek associeerde men met varkenshokken en onbeschaafde mensen. Mensen die met bloed, zweet en tranen hun boerenverleden ontstegen, hadden weldra last van schaamte over hun nederige afkomst en wilden daaraan niet herinnerd worden, ook niet door bijvoorbeeld volksmuziek.
De standen Van de 17e tot de 19e eeuw werden de Europeanen meer verdeeld door de grenzen tussen de standen dan die tussen de landen. Er was een “lage” volkscultuur, een burgercultuur, een adellijke cultuur, een kerkelijke cultuur en een militaire cultuur. De verticale mobiliteit was gering. Een dubbeltje zou nooit een kwartje worden. Toch zagen de lagere standen op naar de hogere en iedereen wilde graag stijgen op de maatschappelijke ladder. Dus de boeren namen waar mogelijk de cultuur van de burgers over (taal, kleding, muziek en dansen), terwijl de burgerij zich mat met de adel (men probeerde de taal, kleding, muziek en dansen van de feodale hovelingen over te nemen). Hierdoor kon het gebeuren dat hoofse muziek en hoofse dansen uit de Renaissance (“hoge cultuur”) in volgende eeuwen “afdaalden” naar het gewone volk en geïntegreerd werden in de “lage cultuur”. Hoofse (adellijke) dansen, zoals de bourrée, de gavotte en de gigue, werden in de 19e en 20e eeuw de volksdansen van het gewone volk, ook op het platteland (in West-Europa). In Centraal-Europa gebeurde hetzelfde met de wals, de mazurka en de polka. De nationale dans van Hongarije, de csárdás, is voor het eerst aan de feodale hoven geïntroduceerd en is afgeleid van West-Europese dansen uit de Renaissance.
Het Hongaarse leger verzon de wervingsdansen (verbunkos): stoere mannendansen moesten het leger aantrekkelijk maken voor aankomende rekruten. Voor het leger werd speciale wervingsmuziek geschreven. In dezelfde tijd gaven Oostenrijkse muziekleraren muziekles aan de Turkse legers op de Balkan. Daarbij werd de oude Turkse militaire kapel in ere hersteld, de Turkse militaire kapel was namelijk al eerder door het Westen overgenomen wat nog blijkt uit de naam Turkse trom. De Turken kregen dus hun oude Mehter orkest in iets andere vorm weer terug. En passant werd daarbij de klarinet in het Ottomaanse Rijk geïntroduceerd, een Duitse uitvinding, die later zo’n succes werd in Turkije, dat velen dachten dat de klarinet een Turkse uitvinding was. In de twintigste eeuw waren het de zigeuners die een Turks blaasorkest vormden om de lokale volksmuziek leuker te maken: de zigeunerfanfare was geboren.
Nationalisme Sedert de Franse Revolutie braken de ideeën van de Verlichting eindelijk door naar het brede volk. Men ontworstelde zich aan de macht van de kerk en de adel. Dat betekende onder andere serieuze herwaardering voor en emancipatie van het gewone volk (boeren en arbeiders), dus ook herwaardering van en openlijke trots op cultuuruitingen van het gewone volk, zoals de erkenning van de eigen volkstaal, de eigen vertellingen en sprookjes. Men noemde dat de ontdekking van de naties, oftewel nationalisme. Sommige minderheidstalen werden voor het eerst in de geschiedenis opgeschreven, zoals Hongaars, Tsjechisch en Slowaaks. Tegelijk met de nationale trots en de nationale taal werden ook de nationale volksmuziek, volksdansen en volksgebruiken geherwaardeerd, opgeschreven resp. beschreven. Wij praten nu over de periode vanaf 1800.
Geleidelijk aan werden de (nieuwe) grenzen tussen de naties belangrijker dan de grenzen tussen de standen. De nationale trots was geboren. Elke natie zag in de eigen volksmuziek en volksdans een kans om de nationale identiteit te beleven. En waar geen duidelijke nationale muziek of dans aanwezig was, moest die maar worden geschapen. Zo was de hierboven genoemde Hongaarse csárdás een kunstmatige uitvinding, gebaseerd op internationale hofmuziek, maar met enkele typische Hongaarse trekjes. Daarentegen werden de wals en de polka vereenzelvigd met het Duitse volk.
De huidige Hongaarse volksdansmuziek valt eigenlijk in vier categorieën onder te verdelen: oude Hongaarse volksdansen, grotendeels solo mannendansen, magyar genaamd militaire wervingsdansen, verbunkos genaamd de nieuwe csárdás, een adellijke dans voor paren zogenaamde Duits/Oostenrijkse dansen, de wals en de polka. Voeg hier nog aan toe de tafelmuziek (luistermuziek, vaak klaagliederen) en je hebt een compleet beeld van de Hongaarse volksmuziek.