thumb|Holland-België door de KRO en de Mattheus-passion door de AVRO uitgezonden, Johan Braakensiek, 1931 Verzuiling is de verdeling van een samenleving in groepen op levensbeschouwelijke of sociaal-economische basis, waarbij de groepen in bepaalde mate van elkaar zijn afgeschermd. Dit kan worden bereikt door het oprichten van op de levensbeschouwing gebaseerde instituties als scholen, verenigingen, partijen, vakbonden, omroeporganisaties, kranten en ziekenhuizen.

De scheiding tussen levensbeschouwingen wordt als verticaal omschreven, terwijl die tussen sociale klassen dan horizontaal loopt. Levensbeschouwelijke zuilen omvatten dan meerdere sociale klassen.

Het begrip werd aanvankelijk vooral gebruikt om de situatie in Nederland en België te beschrijven, maar het model wordt tegenwoordig ook toegepast op Noord-Ierland, Zwitserland, Oostenrijk, Cyprus, Libanon en Maleisië.

De term heeft doorgaans een negatieve bijklank en wordt met name gebruikt door diegenen die de organisatie van maatschappelijke structuren op basis van levensbeschouwing niet wenselijk achten. Ze staat echter ook voor een zelfbewustzijn bij bevolkingsdelen die in de 19e eeuw werden bevoogd of zelfs onderdrukt door de liberale burgerij, die voor haar Verlichtingsdenken het alleenrecht opeiste.

Etymologie Verzuiling als 'verdeling in scherp gescheiden groeperingen' wordt in modern Nederlands voor het eerst in 1953 vermeld in het WNTWoordenboek der Nederlandsche Taal: M. de Vries, L.A. te Winkel e.a. (red., 1864-1998): in een verder voortschrijdende 'verzuiling' van ons organisatorisch bestel. Afleiding met het voorvoegsel 'ver-' van 'zuil' in de overdrachtelijke betekenis 'een van de grote levensbeschouwelijke stromingen in Nederland die in de loop van de 20e eeuw elk hun eigen organisatorische netwerk uitbouwden'. Deze metafoor moet in de jaren 1930 zijn opgekomen blijkens het rapport van de Arbeiders Jeugd Centrale Werk voor de werkloze jeugd (1933) waarin sprake is van de Moderne Centrale voor Werklozenzorg, de z.g. moderne zuil, die zich op verzoek der regering zal belasten met alle arbeid voor jeugdige werklozen, die binnen het raam der moderne arbeidersbeweging wordt verricht.

Naast deze sociaaldemocratische zuil waren er de protestants-christelijke, de rooms-katholieke en de liberale, neutrale of algemene zuil. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond er een vijfde humanistische zuil. Eind jaren 50 raakte het begrip verzuiling algemeen bekend en speelde in de tweede helft van de 20e eeuw een belangrijke rol in de Nederlandse en Belgische samenleving.J.C.H. Blom en J. Talsma (red., 2000), De verzuiling voorbij: godsdienst, stand en natie in de lange negentiende eeuw, Amsterdam

Zuilen in de samenleving Oorzaken Historicus Hans Righart publiceerde een vergelijkend onderzoek naar de opkomst van de katholieke zuilen aan het eind van de 19e en begin 20e eeuw in Nederland, België, Oostenrijk en Zwitserland , De katholieke zuil in Europa. Een vergelijkend onderzoek naar het ontstaan van verzuiling onder katholieken in Oostenrijk, Zwitserland, België en Nederland (Meppel, Amsterdam 1986) 273-274.. Hij beschouwt drie hypotheses over de oorzaken van de verzuiling in deze landen, namelijk politieke mobilisatie, emancipatie en bescherming tegen secularisering, en beargumenteert dat de eerste twee motieven niet opgingen voor alle landen (mobilisatie alleen voor Oostenrijk, emancipatie alleen voor Nederland en Zwitserland), maar het laatste motief wel en veel duidelijker. Righart concludeert derhalve dat de katholieke verzuiling hoofdzakelijk een strategie was om de eigen geloofsgemeenschap te beschermen tegen de secularisering.

Een ideologische onderbouwing van de verzuiling werd geleverd door de leer van de soevereiniteit in eigen kring van de neocalvinist Abraham Kuyper. Hij stelde dat elke levenskring zijn eigen onafhankelijk gezag heeft en niet onder dat van een andere levenskring staat. Zo zijn het gezin, de economie, de kerk en het onderwijs soeverein in eigen kring en daarin dient de overheid niet in te grijpen.

Praktijk Verzuiling gebeurde enerzijds door een scherpe scheiding tussen de bevolkingsgroepen,Bisschoppelijk Mandement van 1954. Johannes de Jong. Bisschoppelijk Mandement. De Katholiek in het openbare leven van deze tijd. 48 p.(Utrecht, 1954). Katholiek Archief, 9 (1954), pp. 489-520. Ook te leen in de grotere bibliotheken, o.a. Universiteitsbibliotheek Maastricht en Bibliotheek Arnhem. Zie ook Keesings Historisch Archief https://web.archive.org/web/20130901174033/http://www.kha.nl/index2.html anderzijds door middel van samenwerking van de elites aan de top. De scheiding werd vormgegeven doordat iedere zuil zijn eigen kerk, omroep, krant, standsorganisatie, vakbond, politieke partij, woningbouwvereniging, padvindersorganisatie, scholen, ziekenhuis, sportverenigingen en zelfs winkels en bedrijven had. Voor het midden van de 20e eeuw was deze situatie zelfs zo frappant, dat bijvoorbeeld bepaalde Nederlandse winkelbedrijven bij voorkeur personeelsleden aanstelden die lid waren van een bepaald kerkgenootschap. Dit leidde tot grote culturele verschillen, niet alleen in de steden, maar ook op delen van het platteland, met als resultaat dat hele bevolkingsgroepen naast elkaar leefden zonder veel contact te hebben. Tegelijkertijd werden door het systeem van verzuiling enerzijds en samenwerking aan de top anderzijds veel maatschappelijke spanningen afgewend.

Nederland Het is niet altijd mogelijk zuilen strikt te definiëren. In elk geval kunnen een protestants-christelijke, een rooms-katholieke en een socialistische zuil onderscheiden worden. Ook kan men de 'liberale' of 'algemene zuil' waarnemen. Daarbij dient aangetekend dat de liberalen tegen de verzuiling gekant waren, en dat hun instanties juist voor iedereen openstonden. Daar (orthodox-)protestanten, katholieken en in veel gevallen socialisten de algemene instellingen begonnen te mijden, bleven hier vooral de liberalen in over en vormden ze de facto een liberale zuil.K.J. Dijkstra, Verborgen verhoudingen. Relaties tussen de liberale politiek en journalistiek ten tijde van de verzuiling, Jaarboek Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNNP) 1998, p. 258-276. Online beschikbaar: Artikel Dijkstra. In dit artikel wordt verwezen naar: A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, Haarlem, 1980 (8ste druk), p. 74. Hier sprak Lijphart van zuilvorming door de liberalen "niet zozeer omdat ze het zelf wensten, maar omdat ze er door de andere zuilen toe werden gedwongen". Volgens Dijkstra ontkennen andere ’verzuilingsspecialisten’ zelfs geheel het bestaan van een aparte liberale zuil.

Ontstaan Eeuwenlang hadden er al bevolkingsgroepen naast elkaar bestaan van verschillende gezindte, waarvan de belangrijkste in omvang niet veel voor elkaar onderdeden. De verzuiling kwam echter pas aan het einde van de negentiende eeuw op gang. De pacificatie van 1917 was de bezegeling van het proces van verzuiling dat samen met het burgerlijk karakter de Nederlandse samenleving zou kenmerken tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw. De schoolstrijd was daarbij een belangrijke factor.

De parlementaire democratie bestond in de negentiende eeuw aanvankelijk uit onafhankelijke parlementsleden. Deze verenigden zich wel in informele allianties en kiesverenigingen waarbij een liberale en conservatieve stroming was te herkennen. Politieke partijen in de moderne zin bestonden niet. De schoolstrijd werd echter een belangrijke factor bij de vorming van confessionele partijen in oppositie tegen de uitsluiting van bijzonder onderwijs. In het parlement hadden de liberalen jarenlang het overwicht na de grondwetsherziening van 1848 met zijn scheiding van kerk en staat. Daarbij paste een neutrale openbare school die al sinds de onderwijswet van 1806 vrijwel een monopolie bezat. Bijzonder onderwijs was wel mogelijk, maar hiervoor werd veelal geen vergunning afgegeven. Met de onderwijswet van 1857 werd dit versoepeld, maar bijzondere scholen ontvingen nog steeds geen staatssteun.

Door de liberale grondwet van 1848 was de positie van het katholieke bevolkingsdeel aanmerkelijk verbeterd en kwam het in 1853 tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie. Ook tijdens de protesten hiertegen, de Aprilbeweging van protestantse en conservatieve tegenstanders van het herstel, steunden de liberalen de katholieken op grond van de scheiding van kerk en staat en de godsdienstvrijheid.

Onder invloed van de schoolstrijd kwam er echter een einde aan het verstandshuwelijk tussen liberalen en katholieken. Zo stelden de bisschoppen in het bisschoppelijk Mandement van 1868 dat onderwijs in een openbare neutrale school hooguit een droeve noodzakelijkheid kon zijn. Men brak een lans voor onderwijs dat niet alleen de katholieke godsdienst respecteert, maar deze ook onderricht.

Vanuit protestantse zijde was het Réveil een beweging die zich keerde tegen het verlichtingsdenken van de liberalen. In de politiek waren dit de antirevolutionairen waarvan Groen van Prinsterer aanvankelijk de belangrijkste voorman was. In 1860 richtte hij de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs op waarmee protestants-christelijke scholen moesten worden gefinancierd. Abraham Kuyper sloot zich daarbij aan met de oprichting van het Anti-Schoolwet Verbond in 1872. Dit verbond werd in 1879 gevolgd door de Anti-Revolutionaire Partij als eerste landelijke politieke partij.

Ondertussen werden de onderste sociale lagen van de samenleving steeds meer zichtbaar als arbeidersklasse onder invloed van de industrialisatie, de migratie richting de steden en daarmee verstedelijking. Hieruit ontstond een arbeidersbeweging die zich ook begon te organiseren in vakbewegingen en later politieke partijen. Belangrijk daarbij was de these van Karl Marx met zijn klassenstrijd waarin de kapitalistische dictatuur van de burgerij vervangen zou moeten worden door aanvankelijk een socialistische dictatuur van het proletariaat en uiteindelijk een communistische maatschappij.

Kuyper stelde daar de antithese tegenover waarin de tegenstelling tussen seculiere en christelijke krachten de bepalende politieke tegenstelling zou zijn. Daarmee dreef Kuyper een wig tussen christelijke en sociaaldemocratische arbeiders en trachtte hij de christelijke werkgevers, middenstanders en arbeiders in een enkele beweging te verenigen tegenover de sociaaldemocratie en het liberalisme. De weerstand tegen de onderwijswet van 1878 maakte dat de protestanten en katholieken inderdaad dichter bij elkaar kwamen. De wet voorzag slechts in overheidsfinanciering van openbaar onderwijs, terwijl bijzonder onderwijs wel aan de nieuwe hogere eisen moest voldoen. Als protest hiertegen werd het volkspetitionnement van 1878 gehouden dat er weliswaar niet in slaagde de wet te keren, maar protestanten en katholieken bij elkaar bracht in de zogenaamde coalitie met hun eis van volledige gelijkstelling van staatssteun voor openbaar en bijzonder onderwijs.

thumb|300px|Schoolstrijd tegen kiesrecht. In hinderlaag, Albert Hahn, 1915. Afgebeeld als Bram is Abraham Kuyper. Naast de schoolstrijd werden uitbreiding van het kiesrecht en verbetering van de sociale omstandigheden van de arbeiders belangrijke politieke thema's. De kwestie van uitbreiding van het kiesrecht bracht scheuren teweeg aan zowel confessionele als liberale zijde. Zo splitste het conservatieve deel van de ARP zich af in wat uiteindelijk de Christelijk-Historische Unie zou worden en ook de Liberale Unie zag afsplitsingen van onder meer de conservatievere Vrije Liberalen en de progressievere Radicale Bond en later Vrijzinnig-Democratische Bond. Voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij was uitbreiding van het kiesrecht essentieel, aangezien het overgrote deel van de achterban was uitgesloten van het censuskiesrecht. Dit gold echter ook voor een groot deel van de achterban van de ARP, de 'kleyne luyden'.