Michail Alexandrovitsj Bakoenin (Russisch: Михаи́л Алекса́ндрович Баку́нин) (Prjamoechino (Gouvernement Tver), 30 mei 1814 - Bern, 1 juli 1876) was een Russische anarchistische denker en organisator. In eerste instantie was Bakoenin een democratische panslavist, maar rond zijn vijftigste werd hij anarchist. Zijn visie op een anarchistische samenleving wordt het collectief-anarchisme genoemd. Het collectief-anarchisme is een samenleving met vrijwillig gevormde arbeidsassociaties en gemeenschappen die zich kunnen federaliseren. Alle functionarissen worden democratisch gekozen en zijn op ieder moment afzetbaar. Ieder individu, iedere associatie en gemeenschap heeft zelfbeschikkingsrecht en kan op ieder moment een samenwerkingsverband verlaten. Bakoenin heeft tijdens zijn anarchistische periode een tactiektheorie uitgewerkt. Aanhangers van zowel zijn tactiektheorie als van het collectief-anarchisme staan bekend als bakoenisten.
Hij was de tegenstander van de communist Karl Marx binnen de Eerste Internationale.
Biografie Jonge jaren
Michail Bakoenin is volgens de huidige jaartelling geboren op 30 mei 1814. Zijn vader was Alexander Michajlovitsj Bakoenin die woonde op een landgoed in Prjamoechino. Alexander trouwde op zijn veertigste met de achttienjarige Varvara Alexandrovna Moeravjova. Het adellijke gezin telde vijf dochters en zes zonen. Michail was het derde kind en de oudste zoon. Alexander Bakoenin was de eigenaar van ongeveer 500 lijfeigenen.Arthur Lehning (redactie): Bakoenin: Een biografie in tijdsdocumenten; ingeleid en samengesteld door Arthur Lehning; Amsterdam 1977.Peter Marshall: Demanding the Impossible; 1992; Chapter 18.
In 1828 ging Michail Bakoenin studeren aan de artillerieacademie in Sint-Petersburg en werd in 1833 gepromoveerd tot vaandrig. In 1833 werd hij uitgezonden naar het gouvernement Minsk en daarna naar het gouvernement Grodno. Bakoenin kreeg een afkeer van het leger door het waarnemen van de slachtoffers van de mislukte Poolse Novemberopstand. Wegens zijn opstandige karakter werd Bakoenin in 1834 overgeplaatst naar het gouvernement Litouwen-Vilnius. In februari 1835 moest hij op missie naar het gouvernement Tver, maar in plaats daarvan ging hij naar huis en meldde zich ziek. Hiervoor werd hij ontslagen.James Guillaume: Michael Bakunin. A Biographical Sketch; 1907.
Bakoenin ging in 1835 filosofie studeren aan de universiteit van Moskou, waar hij deelnam aan de filosofische kring rond Nikolaj Stankevitsj met onder anderen Vissarion Belinski, Michail Katkov en Konstantin Aksakov. Bakoenin verdiende geld met het geven van les in natuurkunde en wiskunde. In 1836 maakte Bakoenin een Russische vertaling van Vorlesungen über die Bestimmung des Gelehrten van Johann Gottlieb Fichte. In 1838 vertaalde hij de Gymnasialreden van Georg Wilhelm Friedrich Hegel naar het Russisch. In 1839 verhuisde Bakoenin naar Sint-Petersburg, waar hij Alexander Herzen en Nikolaj Ogarjov ontmoette.George Woodcock: Anarchism; A History of Libertarian Ideas and Movements; 1962; A Pelican Book; Chapter 6.
Verblijf in het buitenland thumb|Zelfportret van Michail Bakoenin gedateerd mei 1838. thumb|Portret van Michail Bakoenin uit 1843. In 1840 leende Bakoenin geld van Herzen om filosofie te gaan studeren in Berlijn. Bakoenin woonde daar op kamers met Ivan Toergenjev. Bakoenin nam contact op met de Jong-Hegelianen na het lezen van het boek Het wezen van het christendom van Ludwig Feuerbach. In januari 1842 meldde Bakoenin in een brief aan zijn zussen dat hij een atheïst was geworden. In 1842 schreef hij het artikel Die Reaction in Deutschland onder het pseudoniem Jules Elysard. In dit artikel betoogde Bakoenin dat er in de Duitse Bond een strijd bestond tussen een democratisch kamp en een reactionair kamp, waarbij de arme klassen werden vertegenwoordigd door het democratische kamp en de aristocratie door het reactionaire kamp. In navolging van Hegel was Bakoenin van mening dat veranderingen het gevolg zijn van conflictmatige contradicties, waarbij de contradictie tussen de twee kampen een vreedzame democratische verandering teweeg zou brengen. Bakoenin eindigde het artikel met: “Laat ons vertrouwen op de eeuwige geest die slechts vernietigt en verdelgt omdat hij de ondoorgrondelijke immer scheppende bron des levens is. De drift der vernietiging is een scheppende drift.”Anton Constandse: Anarchisme van de Daad; van 1848 tot heden; 1969; Hoofdstukken 4 en 5.Michail Bakunin: The Reaction in Germany; (1842): uit het boek Michael Bakunin: Selected Writings (1973).
In 1842 eiste de Russische regering dat Bakoenin moest terugkeren naar Rusland. In 1843 vertrok Bakoenin naar Zwitserland, omdat de Pruisische regering hem wilde uitleveren aan Rusland. Bakoenin ontmoette in Zwitserland de christelijke communist Wilhelm Weitling. Bakoenin schreef een artikel waarin hij het communisme bekritiseerde. Bakoenin was van mening dat het communisme van Weitling “geen werkelijk levende gemeenschap van vrije mensen” was.Michail Bakoenin: Bakoenin’s Biecht; Ingeleid door Arthur Lehning; Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam; 1976.
In 1844 vertrok Bakoenin naar Brussel omdat de Russische regering zijn uitlevering eiste van Zwitserland. In juni 1844 werd Bakoenin bij verstek veroordeeld tot dwangarbeid in Siberië. Ook werden zijn eigendommen in Rusland geconfisqueerd en vervielen zijn adellijke rechten. Bakoenin vertrok in juli 1844 naar Parijs. Hij zag Herzen daar weer en ontmoette ook Pierre-Joseph Proudhon, George Sand en Karl Marx. Bakoenin had samen met Proudhon lange gesprekken over filosofie, maar Bakoenin werd in deze periode niet overtuigd van de anarchistische denkbeelden van Proudhon. Het zou nog ongeveer twintig jaar duren voordat Bakoenin een anarchist werd.H.P.G. Quack: De socialisten: Personen en stelsels; Deel 6: In de tweede helft der XIXde eeuw, tweede gedeelte; derde druk; 1912; Hoofdstuk 6. Bakoenin verdiende geld met het vertalen van wiskundige en economische boeken uit het Duits naar het Frans.
Vanaf 1846 was Bakoenin een aanhanger van het panslavisme en pleitte hij voor Poolse onafhankelijkheid. Het panslavisme was een politieke stroming die alle Slavische volkeren wilde verenigen in een land of federatie. Op 29 november 1847 hield Bakoenin in Parijs een toespraak ter herdenking van de Poolse Novemberopstand van 1830 voor een zaal met 1500 Poolse vluchtelingen. In deze toespraak pleitte hij voor een bondgenootschap van het Poolse en het Russische volk tegen de tsaar. Onder druk van de Russische ambassadeur werd Bakoenin uit Frankrijk verbannen wegens deze toespraak. Bakoenin vertrok naar Brussel.
Deelname aan opstanden in Parijs, Praag en Dresden thumb|Portret van Bakoenin uit 1849. Na de uitbraak van de Februarirevolutie van 1848 reisde Bakoenin naar Parijs om de Franse opstandelingen te steunen. De revolutie verving de monarchie door een republiek. De nieuwe politieprefect Marc Caussidière zei over Bakoenin: “Wat een kerel! Goud waard op de eerste dag; op de tweede moet men hem neerschieten.” Hiermee bedoelde Caussidière dat Bakoenin fanatiek meestreed met de Franse revolutionairen, maar dat zijn doeleinden te radicaal waren voor de nieuwe Franse regering. Bakoenin kreeg een lening van 2000 frank van de Franse regering om in het Groothertogdom Posen een Poolse opstand te organiseren tegen Pruisen en Rusland. In 1848 verspreidde de Russische ambassadeur in Frankrijk de leugen dat Bakoenin een Russische spion zou zijn.
Bakoenin nam in juni 1848 deel aan het panslavische congres in Praag. Tijdens het congres brak een opstand in Praag uit, nadat een Tsjechische betoging tegen de benoeming van de nieuwe landvoogd werd aangevallen door het Oostenrijkse leger. Bakoenin vocht mee met de opstandelingen. De opstand werd neergeslagen, waarna Bakoenin naar Duitsland vluchtte. Bakoenin schreef toen de Oproep aan de Slaven, waarin hij betoogde dat de Slavische volkeren in Oostenrijk-Hongarije en de Duitse Bond zich onafhankelijk moesten verklaren. Bakoenin pleitte voor een bondgenootschap van alle Europeanen tegen ondemocratische overheden. Hij wilde dat alle Slavische volkeren zich zouden verenigen in een democratisch land dat lid zou worden van “de Universele Federatie van Europese Republieken”.Michail Bakoenin: Oproep aan de Slavische volken; 1848.
In de krant Neue Rheinische Zeitung – waarvan Karl Marx de hoofdredacteur was – werd op 6 juli 1848 een artikel geplaatst waarin Bakoenin werd beschuldigd van spionage voor Rusland. Het artikel beweerde dat George Sand hiervoor bewijs had. Sand stuurde een open brief naar de krant, waarin zij schreef dat dit onjuist was en dat zij geen enkele twijfel had over de integriteit en betrouwbaarheid van Bakoenin. Marx publiceerde een rectificatie met daarbij de brief van Sand in de editie van 20 juli.
thumb|left|Schilderij over de Meiopstand in Dresden van 1849 Bakoenin vertrok in maart 1849 naar Dresden. De Duitse vorsten draaiden democratische verworvenheden terug nadat de Pruisische koning had geweigerd de grondwet van het Frankfurter Parlement te ondertekenen. Op 1 mei 1849 liet de Saksische koning Friedrich August II het Saksische parlement ontbinden, wat leidde tot demonstraties. Op 3 mei brak in Dresden de Dresdner Meiopstand uit, nadat Saksische troepen hadden geschoten op de demonstranten. Bakoenin nam deel aan de opstand en ontwierp samen met Gottfried Semper de linie van barricades. Op 6 mei trokken Pruisische troepen de stad binnen, maar zij moesten zich terugtrekken door hevige weerstand van de revolutionairen. De leider van de opstandelingen was Otto Leonard Heubner. Bakoenin werd een adviseur van Heubner. De Saksische en Pruisische troepen konden niet door de barricades van de revolutionairen komen. De Saksische en Pruisische troepen vermeden daarna straatgevechten door het slopen van muren tussen huizen, zodat ze via de huizen konden oprukken. Op 9 mei was de Pruisische overmacht te groot en op advies van Bakoenin besloot Heubner om Dresden te verlaten om op een betere verdedigbare locatie te hergroeperen. Op uitnodiging van de burgerwacht van Chemnitz gingen de opstandelingen naar Chemnitz om daar een Saksisch parlement bijeen te roepen. Toen Heubner en Bakoenin ’s avonds op 10 mei in Chemnitz aankwamen – ze waren voor de revolutionaire milities uit gereisd – werden ze door de burgemeester naar een hotel gebracht. Het bleek een valstrik te zijn, want nadat ze in slaap waren gevallen, werden ze door soldaten gearresteerd. Naar schatting stierven er ongeveer 200 revolutionairen en 31 militairen tijdens de Meiopstand.Der Dresdner Maiaufstand von 1849; Dresdner Hefte, Heft 43 1995.
Gevangenschap, ballingschap en ontsnapping thumb|De cel van Bakoenin in de Petrus- en Paulusvesting.