Ceratosaurus is een geslacht van uitgestorven vleesetende theropode dinosauriërs, behorend tot de groep van de Neoceratosauria, dat tijdens het Laat-Jura, zo'n 150 miljoen jaar geleden, leefde in het gebied van de huidige Verenigde Staten van Amerika.

Het eerste fossiel van Ceratosaurus werd in 1883 gevonden. Het geslacht kreeg in 1884 zijn naam die zoiets als 'hoornsauriër' betekent toen de befaamde professor Othniel Charles Marsh de typesoort Ceratosaurus nasicornis benoemde. Later werden nog eens zes soorten benoemd in het geslacht. Daarvan weten we tegenwoordig dat het ook om C. nasicornis gaat of om heel andere dinosauriërs. Dat maakt Ceratosaurus nasicornis tot de enige echte soort van het geslacht. Van C. nasicornis zijn vijf vrij volledige skeletten gevonden. Hierdoor kregen de wetenschappers een goed beeld van de bouw van het dier.

Ceratosaurus werd ongeveer zes meter lang en zeshonderd kilogram zwaar. Hij liep op alleen zijn achterpoten. Daarbij hielden een horizontaal gehouden romp en staart elkaar in evenwicht. De voorpoten waren erg kort. De kop was groot en droeg heel lange tanden. Daarmee konden grote prooidieren worden aangevallen, zoals Sauropoda. Voor in de snuit stonden per zijde maar drie tanden in plaats van vier. Daarin week Ceratosaurus af van de meeste theropoden. De kop droeg drie opvallende hoorns. Eén hoorn stond voor op de neus. De andere twee stonden boven de ogen. Met de hoorns maakte het dier indruk op soortgenoten. Midden op de nek, rug en staart liep een rij beenschubben. Bij andere theropoden is zoiets nooit aangetroffen.

Ceratosaurus heeft zijn naam gegeven aan de groep van de Ceratosauria. Vroeger werd wel gedacht dat Ceratosaurus al in zijn tijd een soort 'levend fossiel' was, een laatste vertegenwoordiger van 'primitieve' roofsauriërs. Later werd echter duidelijk dat de ceratosauriërs een tot het eind van het Krijt zeer succesvolle groep bleven. Ceratosaurus vormde daarin een eigen tak, de Ceratosauridae. Een mogelijke andere ceratosauride is Genyodectes.

Ceratosaurus is een van de bekendere dinosauriërs omdat hij vaak vermeld en geïllustreerd werd in populair-wetenschappelijke boeken. Hij is ook opgevoerd in romans, speelfilms en documentaires.

Vondst en naamgeving Ceratosaurus nasicornis thumb|Ceratosaurus was een van de vele dinosauriërs die door Charles Marsh benoemd werden Vanaf het voorjaar van 1882 groef Marshall Parker Felch in opdracht van professor Othniel Charles Marsh in de buurt van zijn ranch in Fremont County, Colorado, bij de Old Creek nabij de ingang van het Garden Park, opnieuw een groeve uit die al eerder, in 1876/1877, fossielen had opgeleverd en die nu bekend staat als de Marsh-Felch Quarry of de Felch Quarry 1. In 1883 ontdekte hij daarbij, direct naast en evenwijdig aan het fossiel van Stegosaurus stenops, het skelet van een grote theropode. Beide dieren waren vermoedelijk tijdens een droogteperiode omgekomen in de modder van een opdrogende poel. De theropode had zijn staart naar links over de heup van de planteneter gekromd. Het theropode skelet, 'numero vier', werd dat jaar en in 1884 geborgen en per spoor naar Marsh gezonden. De typesoort Ceratosaurus nasicornis werd in 1884 door Marsh benoemd en beschreven. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgriekse κέρας, keras, 'hoorn', een verwijzing naar de opvallende hoorn op de snuit. Dezelfde structuur inspireerde de soortaanduiding: nasus betekent 'neus' in het Latijn en cornu 'hoorn'. left|thumb|Het gerestaureerde holotype zoals tussen 1963 en 2015 opgesteld in het Smithsonian Het holotype USNM 4735 is gevonden in een zeer harde laag zandsteen van de Brushy Basin Member van de Morrisonformatie die dateert uit het Laat-Kimmeridgien, ongeveer 151 miljoen jaar oud. Het bestaat uit een uitzonderlijk compleet skelet met schedel. Het lag grotendeels in anatomisch verband. De schedel en de wervelkolom waren sterk zijdelings samengedrukt. De belangrijkste elementen die ontbreken, zijn de tanden in de voorste bovenkaken en onderkaken, een aantal ruggenwervels, de meeste ribben, de rechterschoudergordel, beide opperarmbeenderen, de rechteronderarm behalve de eerste, tweede en vierde middenhandsbeenderen en het eerste kootje van de derde vinger, beide duimen, het linkerscheenbeen, het linkerkuitbeen en de tenen behalve de vierde linkervoetklauw. Het specimen omvat huidafdrukken en osteodermen. Het gaat vermoedelijk om een volwassen individu. Marsh was erg trots op het exemplaar en liet het in 1892 gerestaureerd opstellen in het Yale Peabody Museum, gezien vanaf de rechterzijde; later was hij wegens geldgebrek gedwongen het te verkopen aan het Smithsonian Institution dat het nog steeds tentoonstelt. In 1892 publiceerde Marsh ook een verbeterde beschrijving met afbeelding. Deze tekening geeft een wat te optimistisch beeld van de compleetheid van de vondst doordat ontbrekende elementen werden aangevuld door hun tegenhangers van de andere zijde van het lichaam te spiegelen of door Allosaurus als model te nemen. Daarnaast zijn sinds de opgraving verschillende botten tijdens het vervoer beschadigd geraakt. Opmerkelijk bij de eerste skeletopstelling was dat het dier met een vrij horizontale rug en een van de grond geheven staart stappend werd getoond. Dat was geïnspireerd door de positie van het linkerdijbeen bij het fossiel dat zover naar achteren was teruggetrokken dat het kennelijk de normale loopbeweging liet zien, waarbij de staart het lichaam in balans bracht. In 1896 publiceerde Marsh echter een afbeelding met een meer opgerichte lichaamshouding waarbij de staart op de grond rust; later zou vaak ten onrechte worden aangenomen dat zo ook gelopen werd en de houding geldt daarom tegenwoordig als ouderwets. left|thumb|De bewaarde delen van het holotype In 1908 wijdde Oliver Perry Hay nadere beschouwingen aan de anatomie van Ceratosaurus in een artikel over theropoden. Hierin wist hij Marsh op bepaalde punten te verbeteren. thumb|De meer oorspronkelijke opstelling, vóór 1963 In 1920 verscheen een gedetailleerdere beschrijving door Charles Whitney Gilmore. Na een nieuwe restauratie in 1910 en 1911 door assistent-preparateur Norman H. Boss onder leiding van Gilmore werd het specimen door het Smithsonian getoond in een glazen vitrine. Daartoe werden de botten die Marsh, op de schedel en achterpoten na, slechts gedeeltelijk uit hun zandsteenblokken had laten beitelen, grotendeels helemaal blootgelegd. De romp werd ingekort. Aanvullende elementen in gips kregen een onderscheidende kleur. In 1963 werd dat gewijzigd in een open opstelling waarbij de linkerhelft van het skelet verzonken was in een laag gips. Later werd de schedel vervangen door een afgietsel. In 2015 werd het skelet geheel ontmanteld ter restauratie en verbeterde beschrijving. Het doel was het in 2019 door een compleet afgietsel te vervangen. Dat zal dan niet-verzonken tentoongesteld worden. Dit maakt de authentieke botten beschikbaar voor studie. In 2016 werd een moderne beschrijving gegeven van de onderarm.

In Colorado zijn later, uit even oude lagen, in de Dry Mesa Dinosaur Quarry beenderen gevonden die aan Ceratosaurus zijn toegewezen. In 1981 wees John Stanton McIntosh een onderkaak toe die hij in een museumcollectie had aangetroffen, specimen CM 21706. Het gaat verder voornamelijk om losse beenderen zoals wervels en middenvoetsbeenderen, waarvan Brooks Britt er in 1991 een aantal toewees. Het betrof toen zeventien staartwervels, de specimina BYUVP 4838, BYUVP 4853, BYUVP 4908, BYUVP 5092, BYUVP 5103, BYUVP 5254, BYUVP 8910, BYUVP 8937, BYUVP 8938, BYUVP 8974, BYUVP 8982, BYUVP 9108, BYUVP 9136, BYUVP 9141, BYUVP 9152, BYUVP 9161, BYUVP 9162 en BYUVP 9163; zes ruggenwervels, de specimina BYUVP 4951, BYUVP 4952, BYUVP 8907, BYUVP 9142, BYUVP 9143, BYUVP 9144; en twee derde middenvoetsbeenderen, BYUVP 5008 en BYUVP 5010.

In Utah is in 1992 specimen BYUVP 12893 gevonden (onderste Brushy Basin Member van de bovenste Morrison-formatie, San Rafael Swell, Emery County), een gedeeltelijk skelet met schedel van een groter exemplaar dan het holotype. Van deze vindplaats, die kleiner is dan twee meter diameter, werd door Richmond en Stadtman (1996) een sedimentologische studie gemaakt die uitwees dat de dunne zandsteenlaag waarin BYUVP 12893 zich bevond gevormd werd door sedimenten van een rivier die ten gevolge van een overstroming door de oevers braken en de beenderen bedekten. Het skelet lag deels in natuurlijk verband en is een van de meest volledige C. nasicornis specimina ooit gevonden (onder meer Britt, 1991). De schedel werd gedeeltelijk in natuurlijk verband aangetroffen en is niet samengedrukt, wat heel uitzonderlijk is. Tezamen met de bewaard gebleven beenderen achter de schedel wierp het nieuw licht op enkele voorheen onbekende en belangrijke kenmerken van de soort. Volgens Richmond en Stadtman stierf specimen BYUVP 12893 mogelijk tamelijk dichtbij de vindplaats op de toenmalige overstromingsvlakte. Nadat het skelet gedeeltelijk uit verband raakte, werden de meer mobiele delen ervan door water en sediment van een rivier meegesleept, verplaatst en ingebed. Ontbrekende delen van het specimen kunnen ten westen van de vindplaats terechtgekomen zijn en ingebed, nu bedekt door een dikke laag moddersteen en alluvium. Het is natuurlijk ook mogelijk dat de ontbrekende delen van het skelet vóór de inbedding door de activiteiten van predatoren en/of aaseters verloren gingen, of dat ze door verwering vernietigd werden. Uit Wyoming, de Bone Cabin Quarry West in Albany County, is in 1999 een specimen van een jong dier gemeld, een gedeeltelijk skelet met schedel in 1996 opgegraven door het commerciële Western Paleontological Laboratories en na aankoop tentoongesteld in het North American Museum of Ancient Life, dat echter gevonden is in de oudere Salt Wash Member en waarvan het verband met C. nasicornis daarom onzeker is. Behalve delen van de schedel omvat het ongeveer dertig procent van het postcraniaal skelet waaronder het hele bekken. De schedel is vierendertig procent korter dan bij het holotype. Het Bone Cabinspecimen werd in 2024 doorverkocht aan Fossilogic LLC van Brock Sisson die het verder prepareerde en monteerde; en op 16 juli 2025 veilde bij Sotheby's voor een bedrag van $30 510 000, op dat moment het op twee na duurste fossiel, na de stegosaurus Apex en de tyrannosaurus Stan. Sisson zag af van het geven van een bijnaam. Voorwaarde voor de verkoop was dat het specimen wetenschappelijk bestudeerd zou worden.