Al Hoceima (Tamazight: ) is een havenstad van zo'n 50.000 inwoners aan de rand van het Rifgebergte, in het noorden van Marokko, gelegen aan een beschutte baai met een zandstrand aan de Middellandse Zee. De stad de is hoofdplaats van de gelijknamige provincie Al Hoceima in de regio Tanger-Tétouan-Al Hoceïma.

De stad wordt bewoond door Riffijnen, bewoners van de Rif. De taal die er voornamelijk gesproken wordt is het Riffijns, dat deel uitmaakt van de Berberse talengroep.

In de jaren 60 en 70 zijn veel jongere inwoners van Al Hoceima uitgeweken naar landen in West-Europa, zoals Nederland, Frankrijk, Spanje, Duitsland en België.

Geschiedenis

Al Hoceima tijdens de middeleeuwen Het is niet bekend wanneer Al Hoceima is gesticht, maar verschillende bronnen wijzen erop dat de stad honderden jaren oud is. Zo schrijft Leo Africanus al in 1550 over de stad in zijn boek Descrittione dell' Africa. De stad is vernoemd naar een plant die er al eeuwen groeit, de lavendel. De naam van de stad is afgeleid van het Arabische woord al-Khuzama, wat lavendel betekent.

In het jaar 710 vestigt Salih Ibn Mansur zich bij de haven van Temsaman, op enkele kilometers van Al Hoceima. De regio is op dat moment onder het bewind van Al-Walid Ibn 'Abd al-Malik, de Kalief en lid van de Omajjaden dynastie. In datzelfde jaar sticht Salih Ibn Mansur, onder goedkeuring van de kalief en met hulp van de Aith Wayagher en Aith Temsaman, het Emiraat van Nekor. Het werd hiermee het allereerste Riffijnse-Islamitische emiraat. De hoofdstad van het emiraat was Temsaman. De Riffijnen stichtten later de historische stad Nekor, onder hen bekend als Nkur, welke op termijn de hoofdstad werd van het gelijknamige emiraat. Daarnaast stichtten zij een andere belangrijke stad genaamd Al Mazamma, bekend als Rmzemmeth onder de lokale Riffijnse bevolking. De ruïnes van het historische Al Mazamma bevinden zich op enkele kilometers van het hedendaagse Al Hoceima.

In de winter van 859-860 meren Vikingen met 62 schepen aan bij het Emiraat van Nekor om er te plunderen. Volgens de historicus Ibn al-Quttiya bezochten de Vikingen het emiraat nadat zij al geplunderd hadden in Sevilla, waar twee van hun schepen gevangen werden genomen door de kustwacht van de Omajjaden. Sir Thomas Downing Kendrick, een Britse archeoloog en historicus, verteld in zijn boek A History of the Vikings ook over de plunderingen. Onder de Vikingen vielen er honderden doden en werden dertig schepen verwoest. Volgens de Andalusische historicus al-Bakri hebben de Vikingen acht dagen lang geplunderd in het Emiraat Nekor en namen zij enkele bewoners gevangen. Volgens de historicus Francis Donald Logan werden deze bewoners uiteindelijk als slaven verkocht in Ierland.

In het 11e eeuw valt Al Hoceima, samen met de rest van het hedendaagse Marokko, onder het bewind van de Berberse Almoraviden dynastie. De stichter, Abdullah ibn Yasin, deed een poging om één groot islamitisch rijk te creëren. Hiermee kwamen verschillende andere dynastieën, waaronder de Idrisiden, Midradiden en het Emiraat van Nekor tot een einde. In het begin van het 12e eeuw maken de Almoraviden na honderd jaar bewind ruimte voor de Almohaden, een andere Berberse dynastie. Zij bouwen in het 13e eeuw een fort op de plek wat nu onderdeel is van het Nationaal park van Al Hoceima. De bouw van dit fort verzekerde de Almohaden ervan dat zij zich beter konden verdedigen tegen vijanden en indringers. Het fort staat bekend als de Al Kal'a Torres en wordt door de Spanjaarden ook wel Torres de Alcalá genoemd. Het fort is uitgeroepen tot cultureel erfgoed en werd in 2021 met hulp van de Verenigde Staten gerenoveerd.

De eeuwen erna valt het gebied, net als andere grote delen van het hedendaagse Marokko, onder het bewind van de Meriniden, de Riffijnse Wattasiden, de Saadiden en de Alaouieten. De lokale stammen trokken zich echter weinig aan van de dynastieën, gezien de stamhoofden in de praktijk het gezag voerden.

Op 28 augustus 1673 zond Spanje een garnizoen van 78 soldaten, gewapend met 4 stuks artillerie naar een eiland wat onder de lokale Riffijnse bevolking bekend staat als Thazrut n Nkur. Het eiland bevindt zich op ongeveer driehonderd meter van Al Hoceima en kreeg van de Spanjaarden de naam Peñón de Alhucemas. Het eiland wordt sinds 28 augustus 1673 permanent bezet door de Spanjaarden.

Al Hoceima onder het Spaanse protectoraat in Marokko In de 19e en 20ste eeuw, toen de Europese koloniale machten hun kolonies in Afrika en Azië aan het uitbreiden waren, liep Spanje steeds meer achterstand op. Na een voor de Spanjaarden desastreuze Spaans-Amerikaanse Oorlog in 1898, verloren de Spanjaarden bijna al hun koloniën. Om dit verlies enigszins te compenseren hadden de Spanjaarden hun ogen gericht op het Noorden van Marokko als start voor een nieuw koloniaal imperium. Op 27 november 1912 tekende Spanje daarom een verdrag met Frankrijk voor de creatie van een Spaans protectoraat en een Frans Protectoraat in Marokko. Het verdrag maakte onderscheid tussen twee geografisch gescheiden delen van het huidige Marokko, waarbij het Rifgebied, waaronder dus ook Al Hoceima, en de voormalige Spaanse Sahara onder het gezag van de Spanjaarden kwamen te vallen.

In de jaren die volgden broeide het antikoloniale sentiment onder de Riffijnen, met name onder de Aith Wayagher. Ze wilden af van het Spaanse gezag, dat op dat moment al sterk aanwezig was in meerdere Riffijnse steden, waaronder Nador, Chefchaouen en Tétouan, dat laatste werd uitgeroepen werd tot hoofdstad van Spaans-Marokko. De lokale Riffijnse stammen bedachten verschillende manieren om een strijd voor zelfbeschikking aan te gaan. Onder leiding van Mohammed Abdelkrim el-Khattabi braken in het najaar van 1920 de eerste openlijke schermutselingen uit. Het openlijke verzet tegen de Spanjaarden resulteerde later dat jaar in de Rifoorlog, een vijf jaar durende oorlog waarin de kleine Republiek van de Rif zich moest zien te verdedigen tegen Spanje en Frankrijk. Het gebied rondom Al Hoceima werd al gauw het centrale toneel.

De Rifoorlog (1920-1927) Na de uitbraak van de oorlog leden de Spanjaarden al gauw catastrofale verliezen. Zo onderschatte Manuel Fernández Silvestre, een Spaanse generaal die eerder deelnam aan de Spaans-Amerikaanse Oorlog, in het begin de capaciteiten van de Riffijnen. Hij leidde een offensief vanaf de door Spanje bezette kustlijn verder het land in, met een leger van ruim 23.000 Spaanse soldaten. Silvestre werd samen met zijn leger op 22 juli 1921 geconfronteerd met een groep van 3.000 Riffijnse verzetstrijders, onder leiding van Mohammed Abdelkrim el-Khattabi, in het door Silvestre bezette dorpje Annual, wat later onder de Spanjaarden bekend werd als het Disaster of Annual. Het kleine Riffijnse leger maakte het de Spanjaarden erg moeilijk in een twee weken durende slag met een verrassende Riffijnse overwinning. Silvestre verloor 13.000 van zijn soldaten. Het was het grootste Spaanse militaire verlies in de 20ste eeuw, en het was voor Silvestre het tweede verlies in korte tijd, na de slag in Dhar Ubarran.

Het werd een voor de Spanjaarden moeizame oorlog. Om de oorlog toch te kunnen winnen, gingen zij in 1924 over tot chemische oorlogsvoering. Hiermee werd Spanje het allereerste land wat gebruik maakte van chemische wapens op grote schaal tegen burgers. De Spanjaarden maakten volgens onderzoekers onder andere gebruik van fosgeen, difosgeen, trichloornitromethaan en het door Duitsland (wat tegen het Verdrag van Versailles in ging) geleverde mosterdgas. Door het gebruik van chemische wapens op de lokale bevolking, werden de Riffijnse verzetsstrijders op den duur genoodzaakt om zich over te geven aan de koloniale machten.

Op 8 september 1925, kwamen de Fransen en Spanjaarden, onder leiding van Miguel Primo de Rivera, José Sanjurjo en Philippe Pétain, met meer dan honderd gevechtsvliegtuigen, tientallen schepen, tanks en duizenden soldaten aan op het nu bekende strand Quemado in het centrum van Al Hoceima. Deze amfibische landing werd later bekend als de Landing van Alhucemas. Een van de leiders, de Spaanse officier José Sanjurjo, claimde de stad en veranderde haar naam in Villa Sanjurjo. Er kwamen ongeveer vijfduizend Spanjaarden in de stad wonen. Ze bouwden er onder andere een haven en de nodige logistieke infrastructuur. In de jaren 30 veranderen de Spanjaarden de naam van Villa Sanjurjo naar Villa Alhucemas, en in de jaren 40 werd de naam weer veranderd naar Alhucemas.

De 'Jaren van Lood' (1950-1999) De jaren waarin Mohammed V en Hassan II het land regeerden werden ook wel de 'Jaren van Lood' genoemd, met name omdat mensen werden beschoten met loden kogels tijdens protesten. De bevolking mocht geen enkele vorm van kritiek tonen jegens het koninkrijk en de staat. Er deden zich vele conflicten voor, met name tijdens de heerschappij van Hassan II. Honderden politieke tegenstanders werden gevangen genomen, gemarteld en zelfs vermoord, honderden mensen verdwenen spoorloos.

Al Hoceima, Ajdir, Imzouren, Bni Bouayach en omliggende dorpen kregen het tijdens de 'Jaren van Lood' zwaar te verduren. Kort na de onafhankelijkheid van Marokko, ontstond er een frictie tussen de Istiqlal Partij, de belangrijkse politieke partij, en het koningshuis om de macht en invloed binnen Marokko. Zij hadden ook hun ogen gericht op het Rifgebied omdat deze regio historisch bekend was om haar verzet tegen onderdrukking en invloeden van buitenaf. De Istiqlal Partij en het koningshuis hadden op dat moment nauwelijks invloed of macht in dit gebied van Marokko.

Het Jaar van de Helmen (1958-1959) In het jaar 1957, kort na de onafhankelijkheid van Marokko, werden de inwoners van Al Hoceima en omgeving slachtoffer van marginalisatie, waarbij hen onder meer het kiesrecht werd ontnomen. De lokale bevolking kwam in opstand voor gelijke rechten en wilde een beter economisch en politiek beleid. Een Riffijnse delegatie reisde, onder leiding van Mohammed Sellam Amezian, enkele keren af naar Rabat om te spreken met de toenmalige koning Mohammed V. De delegatie hield verschillende petities en kwam uiteindelijk met een lijst van socio-economische en politieke eisen: onder meer de demilitarisatie van de Rif, de terugkeer van Abdelkrim el Khattabi, kiesrecht en vrije verkiezingen voor de Riffijnen. Een andere belangrijke eis van de Riffijnen was de ontbinding van de overheersende Istiqlal Partij, die op dat moment op zoek was naar macht en invloed in de Rif. Koning Mohammed V beloofde de verzuchtingen van de Riffijnen in overweging te nemen. In het geheim maakte hij echter gebruik van deze situatie om zijn minimale invloed op en controle over het Rifgebied te versterken. Hij besloot om de viering van de troonsbestijging niet meer in Marrakesh, maar in Tétouan te houden. Zo vond hij een excuus om 13 duizend soldaten over te brengen naar het noorden van het land. De provincie Al Hoceima werd vervolgens op 26 november 1957 uitgeroepen tot militaire zone. Zo werd er een beperking ingevoerd op de politieke vrijheid en werd de eliminatie van politieke oppositiepartijen in het gebied werkelijkheid.