De Grondwet van Elzas-Lotharingen (Duits: Gesetz über die Verfassung Elsaß-Lothringen) was een Duitse wet van 31 mei 1911 die het statuut van Elzas-Lotharingen binnen het Duitse Keizerrijk regelde.

De wet verleende een grotere autonomie op het gebied van politiek en bestuur aan Elzas-Lotharingen. Het was geen grondwet in de normale zin van het woord; het was een wet gestemd door de Duitse Rijksdag, niet door een volksvertegenwoordiging van Elzas-Lotharingen zelf. Door de wet kreeg Elzas-Lotharingen een statuut dat het in vele maar niet alle opzichten gelijkstelde aan de bondslanden. Elzas-Lotharingen kreeg een Landdag, een parlement met twee kamers waarvan de Tweede Kamer met algemeen stemrecht werd verkozen. Ook kwam er een vertegenwoordiging in de federale Bondsraad. Toch betekende de wet geen volledige integratie in het Duitse Keizerrijk.

Voorgeschiedenis Door de Vrede van Frankfurt (1871) werden de Elzas en een deel van Lotharingen (Moselle) een deel van het Duitse Keizerrijk. Aanvankelijk leefde er een breed gedragen rattachisme. De bevolking had de indruk in een bezet gebied te leven. Tienduizenden emigreerden naar Frankrijk. De wet van 9 juni 1871 verleende aan Elzas-Lotharingen het statuut van Reichsland. Het land had echter geen eigen parlement en ook geen vertegenwoordiging in de Federale raden, de Rijksdag en de Bondsraad. In 1874, toen de Duitse Grondwet van 1871 ook van toepassing werd in het Reichsland, verkreeg Elzas-Lotharingen een vertegenwoordiging in de Rijksdag. In de Bondsraad, waar alle bondslanden een vertegenwoordiging hadden, was Elzas-Lotharingen echter niet vertegenwoordigd. Door de wet van 4 juli 1879 kreeg Elzas-Lotharingen een eigen regering. Deze werd geleid door de Statthalter, die werd aangesteld door de keizer.

Door de emigratie van inwoners naar Frankrijk en de immigratie vanuit Duitsland wijzigde de samenstelling van de bevolking sterk tussen 1871 en 1914. Tegen 1914 was meer dan een op de tien inwoners van de Elzas afkomstig uit Duitsland en in Lotharingen was dit zelfs een op vier. Er was bovendien een nieuwe generatie opgegroeid die het Franse bestuur niet meer had gekend. Daarom groeide vanaf 1890 bij de bevolking een verlangen, niet naar de terugkeer naar Frankrijk maar naar een grotere autonomie door een volledige integratie in het Duitse Rijk, met een gelijk statuut als de bondslanden. De bevolking wenste haar eigenheid te behouden en niet te worden "verpruist" (Verpreussung). Deze roep naar grotere autonomie, een eigen parlement, en een vertegenwoordiging zowel in de Rijksdag als in de Bondsraad, viel samen met een eis uit sociaal-democratische hoek naar algemeen stemrecht.

Tegelijk kaderde het idee van een grondwet in een bredere beweging binnen het Duitse Keizerrijk; verschillende bondslanden namen in deze periode een nieuwe, moderne grondwet aan: Württemberg in 1904, Baden in 1906 en Hessen in 1909.

Totstandkoming miniatuur|Hugo Zorn von Bulach In 1909 werd Theobald von Bethmann Hollweg rijkskanselier. Hij was een voorstander van de integratie van Elzas-Lotharingen in het Duitse Rijk. Ook de nieuwe secretaris-generaal onder de Statthalter, Hugo Zorn von Bulach, de eerste Elzasser op deze positie, was voorstander van een grondwet.

Federaal staatssecreratis voor Binnenlandse Zaken Klemens Delbrück kreeg de opdracht om een ontwerp voor grondwet voor Elzas-Lotharingen voor te bereiden. Zijn eerste ontwerp van mei 1910 kon op weinig bijval rekenen. Dit voorstel voorzag een eigen parlement met twee kamers. Maar Elzas-Lotharingen zou niet worden geïntegreerd in het Rijk. De uitvoerende macht zou blijven berusten bij de Statthalter en Elzas-Lotharingen zou geen vertegenwoordiger krijgen in de Bondsraad.

Om tegemoet te komen aan de oppositie werden amendementen voorgelegd die de verkiezing van de Landdag via algemeen stemrecht (voor de mannelijke inwoners) voorzagen. De wet werd op 26 mei 1911 aangenomen door de Rijksdag met 212 stemmen voor en 94 tegen. Bij de volksvertegenwoordigers van Elzas-Lotharingen stemden er echter maar vier van de 25 voor de wet. Hij werd van kracht op 31 mei.

Bepalingen Artikel 1 van de wet bepaalde dat Elzas-Lotharingen gold als een bondsland (... es gilt für...) zonder evenwel dit statuut daadwerkelijk te krijgen. Zo behield het gebied een uitzonderingspositie binnen het Duitse Keizerrijk en kreeg het niet dezelfde soevereiniteit als de andere bondslanden. Dit bleek al uit het feit dat de grondwet een federale wet was, die het land niet zelf kon wijzigen of afschaffen.

De uitvoerende macht lag bij de keizer, die zijn bevoegdheden delegeerde aan de Statthalter die werd bijgestaan door vier ministers. Het was ook de Statthalter die drie personen mocht afgevaardigen naar de Bondsraad in Berlijn. Dit waren er evenveel als bijvoorbeeld Baden. Verschil was wel dat het niet de vorst van het land was, maar de Statthalter als vertegenwoordiger van de keizer die deze bevoegdheid kreeg. De regering zetelde in Straatsburg.

De wetgevende macht lag bij de Landdag van Elzas-Lotharingen, die de wetten en het budget stemde en ook zelf wetsvoorstellen kon indienen. Deze vergadering bestond uit twee kamers. De zestig leden van de Tweede Kamer werden rechtstreeks verkozen via het algemeen stemrecht (voor mannen).

De wet legde ook andere regels vast. Zo behandelde artikel 26 de taalwetgeving op scholen en in andere instellingen. Het Duits werd bevoordeeld al werd het gebruik van het Frans niet verboden.

Uitvoering miniatuur|Gebouw van de Landdag in Straatsburg In oktober 1911 werden de eerste verkiezingen voor de Landdag van Elzas-Lotharingen gehouden. Ook al was er bij veel groepen teleurstelling over de nieuwe grondwet, toch was de opkomst van de kiezers groot met 80%. Pijnpunt bleek dat de regering, benoemd door de keizer, geen verantwoording verschuldigd was aan de Landtag. Dit leidde regelmatig tot conflicten tussen regering en de verkozen Tweede Kamer, met name over de stemming van het budget. Ook was er een gespannen verhouding tussen de Eerste, niet verkozen, en de Tweede Kamer, door het heel verschillende profiel van hun leden.

De Landdag was actief tussen 1911 en 1914 en stemde wetten inzage handel, budget, belastingen, ambtenarenzaken en jacht. De wetten die later van invloed bleven in Elzas-Lotharingen nadat het terug Frans was geworden, werden al gestemd in Berlijn voor het in werking treden van de nieuwe grondwet.

Externe link Integrale wettekst

Categorie:Elzas-Lotharingen Categorie:Historische wet in Duitsland Categorie:Politiek in 1911