Mosasaurus, in het Nederlands wel maashagedis genoemd, is een geslacht van uitgestorven in zee levende sauriërs uit de familie Mosasauridae. De eerste fossiele overblijfselen werden gevonden bij Maastricht in de Sint-Pietersberg, die aan de oever van de rivier de Maas (Latijn: Mosa) ligt, en Mosasaurus is naar de rivier vernoemd. De soorten uit het geslacht leefden in het Maastrichtien, het laatste deel van het Krijt, ongeveer 75 tot 65 miljoen jaar geleden.

Fossielen wijzen erop dat Mosasaurus een wereldwijde verspreiding had, maar vooral in de Atlantische Oceaan en naastgelegen zeeën zijn veel overblijfselen gevonden. De lichamen van alle soorten waren enorm: de typesoort, M. hoffmannii, werd naar schatting zo'n 18 meter lang. Mosasaurus was waarschijnlijk een actief roofdier met een goed gezichtsvermogen. De schedel en de kaken waren stevig van bouw, en geschikt om vrijwel elk ander dier, waaronder ammonieten, beenvissen, haaien, inktvissen, vogels en andere mariene reptielen te verslinden. Vermoed wordt dat Mosasaurus als toppredator een belangrijke ecologische rol vervulde.

De ontdekkingsgeschiedenis van Mosasaurus gaat terug tot de achttiende eeuw. De imposante schedel die in 1778 werd ontdekt bij Maastricht werd door zijn grote wetenschappelijke waarde door Franse revolutionaire troepen in beslag genomen. In 1808 concludeerde de natuuronderzoeker Georges Cuvier dat het fossiel van een reusachtige zeehagedis zou moeten zijn die verwant was aan de varanen. Het fossiel speelde vermoedelijk een belangrijke rol in zijn beginnende ideeën over uitsterven. Tot op heden zijn de precieze evolutionaire verwantschappen van Mosasaurus onderwerp van discussie.

Beschrijving Algemene bouw, grootte en onderscheidende kenmerken Mosasaurus had net als de andere mosasauriërs een langgerekt maar stevig lichaam met een ruggengraat waarvan ongeveer 46 wervels de rug vormden en de ongeveer tachtig wervels in het verlengde daarvan een lange staart. Volgens de reconstructie van Lindgren et al. had de staart aan het eind een vin. (2010). Convergent Evolution in Aquatic Tetrapods: Insights from an Exceptional Fossil Mosasaur. PLoS ONE 5 (8) Het lichaam had zijdelings vier langgerekte vinnen met extra vingerkootjes (Latijn: phalanges). Het dier bewoog zich voort met behulp van zijdelingse bewegingen van de staart en stuurde met de vinnen. (2003). Co-ossified vertebrae of mosasaurs and cetaceans: implications for the mode of locomotion of extinct marine reptiles, hoofdstuk 9 in: On latest Cretaceous tetrapods from the Maastrichtian type area. Publicaties van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Reeks XLIV, aflevering 1. Stichting Natuurpublicaties Limburg, Maastricht (Mulders dissertatie)

Mosasaurus was een geslacht van soorten die tamelijk afgeleid in bouw waren. Alle soorten werden vrij groot. Mosasaurus hoffmannii was, met een lengte tot 18 meter, een van de grootste soorten uit de familie en daarmee een van de grootste mariene reptielen die ooit geleefd hebben.Met de inclusie van Mosasaurus maximus, door Mulder, E.W.A. (1999), 'Transatlantic latest Cretaceous mosasaurs (Reptilia, Lacertilia) from the Maastrichtian type area and New Jersey.' Geologie en Mijnbouw 78: 281–300, kan de soort tot 18 meter lang worden. De in de film Jurassic World getoonde "mosasaurus", met een lengte van zo'n zestig meter, overtreft verre de omvang van enige bekende mosasauride. 2016, "Mosasaurs – How large did they really get?", in: , 5th Triennial Mosasaur Meeting – a global perspective on Mesozoic marine amniotes. May 16–20, 2016 Museum of Evolution, Uppsala University: 8–10 Een stuk onderkaak van negentig centimeter lengte, specimen NHMM 009002 dat aan Mosasaurus hoffmannii toegewezen is, wijst op een schedellengte van 160 centimeter en een totale lengte van 17,6 meter. Een quadratum van 215 millimeter hoogte, specimen NHMM 003892, wijst op een overeenkomende grootte. Eveneens een lengte van zo'n zeventien meter bereikte een exemplaar dat in 2014 uit Penza in Rusland gemeld is. (2014). 'Giant Mosasaurus hoffmanni (Squamata, Mosasauridae) from the Cretaceous (Maastrichtian) of Penza, Russia.' Proceedings of the Zoological Institute of the Russian Academy of Sciences 318(2): 148–167

De schedel en onderkaak waren erg stevig, zonder de beweeglijkheid die meer basale mosasauriërs kenmerkt, die meer een typische lichte hagedissenschedel hadden. De tanden in de kaken waren krachtig en in staat om botten te breken en vlees te scheuren; Mosasaurus was dus niet meer genoodzaakt om de prooi in zijn geheel naar binnen te werken, en de tanden in het verhemelte waren dan ook gereduceerd. Deze bouw wijst op een specialisatie in het aanvallen van grotere prooidieren die aan het zeeoppervlak zwommen. Hierop duiden ook de kenmerken van de zintuigen: de schedelopening tussen de wandbeenderen voor het pariëtaaloog ("derde oog" boven in de kop) was het kleinst in vergelijking met alle bekende mosasauriërs; de oogkassen waren groot en de geurlobben klein. Het dier moet dus op het zicht gejaagd hebben. (1995). Anatomy and functional morphology of the largest marine reptile known, Mosasaurus hoffmanni (Mosasauridae, Reptilia) from the Upper Cretaceous, Upper Maastrichtian of the Netherlands. Philosophical Transactions of the Royal Society of London, B 347(1320): 155–180

In 1995 stelde Theagarten Lingham-Soliar een diagnose op, een lijst van onderscheidende kenmerken, van Mosasaurus hoffmannii. Het betreft een zeer grote mosasaurine. De voorste punt van het uitwendige neusgat ligt ter hoogte van de vierde of vijfde tand van het bovenkaaksbeen. Het bovenkaaksbeen strekt zich naar achteren uit tot het midden van het horizontale hoofdlichaam van het jukbeen. De voorkant van het wandbeen overlapt, en steekt in, een uitsparing aan de achterste onderkant van het voorhoofdsbeen. De botten van het verhemelte vormen een hecht geheel. Het uitgroeisel boven de inkeping in de achterkant van het quadratum is matig groot, het uitgroeisel eronder klein. Het pterygoïde ligt op een breed beenplateau van het verhemeltebeen en wordt erdoor overlapt. Op de binnenkant van de onderkaak is de naar voren en beneden lopende vleugel van het coronoïde goed ontwikkeld, de achterste vleugel zwak ontwikkeld. Het surangulare van de achterste onderkaak heeft een enorme uitholling op de buitenste zijkant. De voorste tak van het surangulare steekt in een opening in het spleniale. De tanden van de kaakranden hebben vele verticale facetten. De ribben zijn cilindervormig.

In 2017 werd een nieuwe diagnose gegeven van het geslacht. De premaxillae vormen een korte kegelvormige tandeloze snuit. Het bovenkaaksbeen wordt niet of nauwelijks uitgehold door het neusgat. Het jukbeen heeft een gebogen voorste tak en een gereduceerde maar opvallende onderste achterste tak. Het prefrontale en het postorbitofrontale raken elkaar onder het voorhoofdsbeen, het voorhoofdsbeen van de rand van de oogkas dringend. De achterste binnenste takken van het voorhoofdsbeen dringen diep in het wandbeen om het foramen pineale te omvatten. De tandrij van het pterygoïde is recht. Het quadratum is hoger dan lang waarbij de stapediale inkeping boven het middelste punt van de schacht ligt. De processus suprastapedialis is kort, de processus infrastapedialis is gereduceerd tot een bult op de achterste binnenkant van de schacht. De stapediale put is ovaal, schuin staand op de verticale as van de schacht. De (tympanische) kam op de vleugel van het quadratum is gegroefd met een opvallende voorste bovenste hoek. Het dentarium van de onderkaak heeft aan de voorzijde een korte ronde tandeloze boeg. Het angulare neemt naar achteren snel in hoogte af waarbij slechts een kort stuk achter het dentarium aan de buitenzijde zichtbaar is. Het coronoïde heeft een hoge bovenste tak en een achterrand die hol gekromd is in zijaanzicht. Het surangulare is hoog met een steil oprijzende coronoïde stut die op de bovenrand uithollingen of bulten toont. Het retroarticulair uitsteeksel is naar buiten gedraaid tot in het horizontale vlak. De tanden op de kaakranden hebben facetten op de buitenzijde en twee snijranden. De centra van de halswervels zijn rond. De staartwervels hebben vergroeide chevrons. Het schouderblad en het ravenbeksbeen zijn ongeveer even groot. Het schouderblad van achteren langer dan van voren. Bij het opperarmbeen is de processus postglenoideus robuust en afstaand. Het opperarmbeen is distaal breder dan verticaal hoog; het facet met het spaakbeen is recht, het facet met de ellepijp bol. Het schaambeen heeft een naar voren uitstekende bult op de bovenste schacht.Hallie P. Street & Michael W. Caldwell. 2017. "Rediagnosis and redescription of Mosasaurus hoffmannii (Squamata: Mosasauridae) and an assessment of species assigned to the genus Mosasaurus". Geological Magazine. 154(3): 521–557

In 2017 werd ook een diagnose gegeven van de typesoort Mosasaurus hoffmannii. De rand op de vleugel van het quadratum heeft een extra voorste onderhoek. Er staan dertien tanden in het bovenkaaksbeen, veertien in het dentarium en acht in het pterygoïde. De tanden op de kaakranden hebben snijranden die vooraan asymmetrisch zijn met een binnenste omtrek die groter is dan de buitenste. De halswervels hebben langwerpige zijuitsteeksels met weinig versteviging aan de onderzijde. Het dijbeen is sterk verbreed aan de binnenzijde en onderzijde waarbij de gewrichtsvlakken bijna haaks op elkaar staan. De binnenste trochanter is robuust en afstaand.

Skelet De schedel van Mosasaurus is langwerpig met een lange snuit. De schedel is laag met een recht bovenprofiel in zijaanzicht. De bovenkant loopt bijna horizontaal zodat de snuit naar voren toe maar weinig in hoogte verliest. Vlak voor het voorste uiteinde van de schedel is er een kromming naar beneden zodat een afgeronde snuitpunt ontstaat. In bovenaanzicht herhalen zich deze trekken: de zijden van de snuit zijn recht en tegen het einde buigen ze naar elkaar toe wat tot een tongvormige punt leidt. Het voorste snuitbot is de praemaxilla. Beide praemaxillae vormen een breed vlak op de voorste snuitpunt maar versmallen naar achteren al snel. Ze leveren daarom maar een kleine bijdrage aan de kaakrand en dragen ieder maar twee tanden die relatief klein zijn en iets naar voren hellen. Naar achteren lopen de praemaxilae in zeer lange takken uit die helemaal tot aan de voorhoofdsbeenderen reiken zonder dat er neusbeenderen tussen zitten. De gezamenlijke rechte en nauwe beenbalk zo gevormd wordt, scheidt de langwerpige grote neusgaten. De balk heeft in het midden een lage afgeronde lengtekam. De zijkanten van de snuit bestaan uit de lange bovenkaaksbeenderen. Ieder van deze maxillae draagt veertien tanden. Deze maxillaire tanden staan in een licht bol gebogen kaakrand en zijn de grootste in de kop. Ze zijn robuust en kegelvormig met een naar achteren gebogen punt.

Ontdekkingsgeschiedenis thumb|De oudste vondst: TM 7424 (Teylers Museum, Haarlem) thumb|De mosasaurus in het Dinosauruspark van Christal Palace, 19e eeuw. Eerste vondsten