János Tornyai (Hódmezővásárhely, 18 januari 1869 – aldaar, 20 september 1936) was een Hongaarse kunstschilder, die werd gerekend tot de "School van de Grote Hongaarse Laagvlakte" (Alföldi iskola).
Levensloop János Tornyai werd geboren in een familie zilversmeden. Met behulp van een beurs van de stad Hódmezővásárhely studeerde hij tussen 1886 en 1889 af aan de Hongaarse Academie voor Schone Kunsten in Boedapest. Zijn leraren waren Bertalan Székely, Károly Lotz en János Greguss. In 1894-1896 ging hij, met steun van de stad, ook naar Parijs om te studeren aan de Académie Julian.
Tornyai werd niet direct beïnvloed door de impressionistische schilderkunst in Parijs, maar als zijn leermeester en rolmodel beschouwde hij Mihály Munkácsy, die hem ook goed advies gaf over schilderstijl en patriottische ideeën. In die tijd waren de herinnering aan de mislukking van de revolutie van 1848-1849 en onafhankelijkheidsoorlog, en de hoop op nationale onafhankelijkheid, nog levendig.
In 1896-1897 bezocht Tornyai Duitsland en Italië, en na zijn terugkeer vestigde hij zich in Hódmezővásárhely, maar pas in 1903 had hij een atelier. In het begin van de twintigste eeuw schilderde hij de ellende van de actualiteit, het eenvoudige en droevige Hongaarse leven in zijn genrestukken, en hij was geïnteresseerd in historieschilderkunst. Hij schilderde de ballingschap van Ferenc II Rákóczi in Rodošto en een levensgroot portret van Miklós Bercsényi. Intussen richtte hij samen met zijn vrienden Béla Endre, Gyula Rudnay en János Pásztor de fabriek voor majolica en aardewerk van Hódmezővásárhely op. Samen met de etnograaf Lajos Kiss verzamelde hij de volkskunstrelikwieën van Hódmezővásárhely, waarmee hij de basis legde voor het Hódmezővásárhely-museum, dat in 1904-1905 werd opgericht.
Tornyai hield zich zijn hele leven bezig met zijn schilderij Juss. Aanvankelijk schilderde hij het onderwerp in een lyrische stijl, later in steeds dramatischer stijl. Het beeldt de felle strijd uit tussen de leden van een arm boeren gezin die een schamele erfenis delen, en gedurende zijn leven maakte hij ongeveer 30 olieverfschilderijen en meer dan 100 tekeningen over dit thema. Ook zijn andere genrestukken met betrekking tot de arme boerenstand werden in het begin van de twintigste eeuw steeds meer gevuld met dramatische spanning, somberheid en donkere kleuren.
Zijn relatie met het stadsbestuur van Hódmezővásárhely was evenmin vlekkeloos. Zijn atelier werd hem meerdere malen afgenomen en het kostte hem veel moeite om er een ander voor in de plaats te krijgen. Hij vatte zijn autobiografie samen in het schilderij Het eenzame Hongaarse paard in 1908.Het eenzame paard symboliseert artistieke, menselijke eenzaamheid en verlatenheid van het steppelandschap. Rond de jaren 1910 verhuisde hij naar Mártély. De natuurlijke omgeving daar bevrijdde zijn gemoedstoestand en het was in die periode dat hij zijn mooiste landschappen van de Grote Hongaarse Laagvlakte schilderde (naast het eerdergenoemde Het eenzame Hongaarse paard, Gémeskút, Nagyborulás, Mártélyi nagy fa).
In 1919 verhuisde Tornyai naar Boedapest, waar hij af en toe schilderde in Szentendre. Zijn kleuren werden helderder, zijn schilderijen vrolijker en lyrischer, en hij raakte steeds meer geïnteresseerd in schilderen in de open lucht. Hij raakte betrokken bij het leven van de kunstenaarsverenigingen in Pest, was succesvol en won prijzen op zowel binnenlandse als buitenlandse tentoonstellingen.
In 1934 richtten enkele intellectuelen van Vásárhely ter ere van hem de Tornyai János Vereniging op, nodigden de schilder bij hun thuis uit en organiseerden een tentoonstelling van zijn werken. Het stadsbestuur kende hem een jaarlijkse toelage van 120 pengő toe, en uit dankbaarheid schonk Tornyai al zijn grafische werken en schilderijen aan de stad. Zijn nalatenschap wordt sinds 1951 bewaard in het naar hem vernoemde Tornyai János Museum en wordt tijdens tentoonstellingen aan het publiek gepresenteerd. Het Tornyai Museum bewaart ook de 718 schilderijen van Tornyai die in 1984 werden gevonden, waarvan er 80 tot 100 bij elke tentoonstelling worden getoond. Het zijn vrolijke, mooie schilderijen die de kunstenaar voor zijn eigen plezier schilderde, maar het is ook mogelijk dat hij er zijn weduwe mee wilde helpen. De vondst werd postuum gedaan, onder de vloer van het atelier van de schilder in Pest.
Categorie:Hongaars kunstschilder Categorie:19e-eeuws schilder Categorie:20e-eeuws schilder