rechts|miniatuur|Schort en sjerp aangeboden aan keizerin Joséphine bij haar toelating tot de Loge de la Vertu in Straatsburg, 1805. Vrouwelijke vrijmetselarij omvat de verschillende vormen waarin vrouwen sinds de achttiende eeuw deelnemen aan de vrijmetselarij. Daaronder vallen zowel organisaties die uitsluitend vrouwen toelaten als gemengde obediënties waarin mannen en vrouwen op gelijke voet worden ingewijd. Daarnaast omvat het begrip historische vormen van vrouwelijke deelname, zoals de adoptievrijmetselarij en de vroegste vrouwelijke inwijdingen binnen mannelijke loges.

Hoewel de moderne vrijmetselarij zich vanaf het begin van de achttiende eeuw grotendeels ontwikkelde als een organisatie voor mannen, zijn uit dezelfde periode voorbeelden bekend van vrouwelijke vrijmetselaren, gemengde genootschappen en rituele systemen waarin vrouwen een actieve rol vervulden. Vanaf het midden van de achttiende eeuw ontstond in Frankrijk de adoptievrijmetselarij, gevolgd door de oprichting van gemengde vrijmetselaarsorden aan het einde van de negentiende eeuw en zelfstandige vrouwelijke obediënties in de twintigste eeuw.

Tegenwoordig bestaan wereldwijd zowel mannelijke, gemengde als uitsluitend vrouwelijke vrijmetselaarsorganisaties. De mate waarin deze organisaties elkaar erkennen verschilt sterk tussen de verschillende maçonnieke tradities. Binnen de continentale vrijmetselarij worden vrouwelijke en gemengde obediënties doorgaans beschouwd als volwaardige vormen van vrijmetselarij, terwijl veel obediënties binnen de Angelsaksische traditie vasthouden aan het beginsel dat uitsluitend mannen kunnen worden ingewijd.

Geschiedenis

Vrouwen en de vroege vrijmetselarij Hoewel de geschiedenis van de vrijmetselarij teruggaat tot de vroegmoderne periode, is geen expliciet verbod op de inwijding van vrouwen bekend van vóór de publicatie van de Constituties van Anderson in 1723. In de operatieve steenhouwerstraditie zijn echter wel vroege sporen van vrouwelijke deelname bewaard gebleven. In het Engelse York Manuscript No. 4, gedateerd 1693 en later als constituerend document gebruikt door de Grand Lodge of All England in York, komt de formulering hee or shee that is to be made mason voor. Maçonniek historicus Adolphus Frederick Alexander Woodford, die deze documenten bestudeerde en catalogiseerde, beschouwde die formulering als authentiek, hoewel anderen haar als drukfout hebben aangemerkt.

De formele uitsluiting van vrouwen hing samen met de transformatie van de Engelse vrijmetselarij van een ambachtelijke organisatie naar een sociëteit voor heren uit de hogere burgerij en adel. De vrijmetselarij ontwikkelde zich daarbij naar het model van de Engelse gentlemen's clubs, waarvan vrouwen eveneens waren uitgesloten. Op het Europese vasteland verliep deze ontwikkeling anders. Vooral in Frankrijk maakten aristocratische vrouwen deel uit van dezelfde sociale kringen als de mannelijke vrijmetselaren, waardoor al vroeg druk ontstond om vrouwen op een of andere wijze bij de vrijmetselarij te betrekken.

Incidenteel ingewijde vrouwen miniatuur|Elizabeth Aldworth in maçonniek ornaat, naar een mezzotint uit 1811. Ondanks de formele uitsluiting van vrouwen zijn verschillende gevallen bekend van vrouwelijke inwijdingen in de eerste helft van de achttiende eeuw. De bekendste hiervan betreft Elizabeth Aldworth (circa 1693–1775), een Ierse aristocrate die volgens de overlevering een logebijeenkomst had geobserveerd in het ouderlijk huis en vervolgens werd ingewijd om de geheimhouding van de orde te waarborgen. Haar grafsteen in de kathedraal van Cork vermeldt expliciet haar inwijding in loge nr. 44 op het landgoed Doneraile omstreeks 1712. Andere vroeg gedocumenteerde gevallen betreffen Mary Banister, Mrs Harvard en Mrs Beaton.

Deze inwijdingen bleven uitzonderingen en vormden geen aanleiding om vrouwen structureel toe te laten binnen de reguliere vrijmetselarij. Zij tonen echter aan dat de uitsluiting van vrouwen in de praktijk niet altijd strikt werd gehandhaafd.

Orde der Mopsen Een van de vroegste organisaties waarin mannen en vrouwen gezamenlijk werden toegelaten was de Orde der Mopsen (Mopsorden), een para-maçonniek genootschap dat omstreeks 1740 in Beieren ontstond. De orde wordt doorgaans in verband gebracht met de pauselijke bul In eminenti uit 1738, die katholieken verbood lid te zijn van de vrijmetselarij, en zou zijn opgericht als alternatief voor hen die door dit verbod waren getroffen. De orde kende rituelen geïnspireerd op de vrijmetselarij en stond open voor zowel mannen als vrouwen; het centrale thema was trouw, gesymboliseerd door de mopshond.

De orde genoot enige tijd populariteit aan het Pruisische hof, waar Wilhelmina van Pruisen, zuster van Frederik de Grote, een prominente rol vervulde. De orde vormde een vroeg voorbeeld van gemengde maçonnieke sociabiliteit, vooruitlopend op de latere adoptievrijmetselarij.

Adoptievrijmetselarij

rechts|miniatuur|Initiatie van een vrouw in een adoptieloge, gravure uit het Eerste Keizerrijk. De eerste duurzame institutionele vorm van vrouwelijke deelname aan de vrijmetselarij was de adoptievrijmetselarij, die in Frankrijk ontstond in de jaren 1740. De vroegste gedocumenteerde adoptieloge bevindt zich in Bordeaux (1746), waar archivalia spreken van loges de Franches-Maçonnes ditte sœurs de l'Adoption. Anders dan vaak wordt aangenomen waren de vroegste adoptieloges niet uitsluitend voor vrouwen bestemd. Pas na de officiële erkenning door het Grand Orient de France in 1774 werden zij formeel verbonden aan mannelijke moederloges en in de praktijk uitsluitend toegankelijk voor vrouwen, waarbij het Grand Orient ze beschouwde als ateliers de récréation van secundair belang.

In de jaren 1780 telde Frankrijk meer dan honderd adoptieloges. De bekendste was loge La Candeur in Parijs, opgericht in 1775 onder voorzitterschap van prins Louis-Philippe van Orléans, wiens zuster Bathilde d'Orléans de titel Grande Maîtresse de toutes les loges d'adoption de France droeg.

Adoptieloges verspreidden zich over verschillende Europese landen. Tot de vroegst bekende voorbeelden buiten Frankrijk behoren loges in Jena (1748), Kopenhagen (1750) en Den Haag (1751). De Haagse Loge de Juste geldt als een van de oudste gedocumenteerde adoptieloges van Europa. Verder zijn adoptieloges gedocumenteerd in Hamburg, Polen, Zweden, Spanje, Italië en de Zuidelijke Nederlanden.

Gedurende de achttiende en negentiende eeuw vormde de adoptievrijmetselarij de belangrijkste institutionele vorm van vrouwelijke vrijmetselarij. In Frankrijk ontwikkelde zij zich tot een belangrijk forum voor vrouwelijke sociabiliteit, al bleven de adoptieloges ondergeschikt aan hun mannelijke moederloges en werden de adoptierituelen door veel broeders als minder volwaardig beschouwd.

De strijd voor gelijkwaardige toelating rechts|miniatuur|Gravin Ilona Hadik-Barkóczy, ingewijd in 1875 in de Hongaarse loge Egyenlőség. In de tweede helft van de negentiende eeuw groeide binnen delen van de Europese vrijmetselarij de overtuiging dat vrouwen niet slechts in afzonderlijke adoptieloges, maar op gelijke voet met mannen moesten kunnen worden ingewijd.

In Hongarije werd gravin Ilona Hadik-Barkóczy in 1875 ingewijd in de loge Egyenlőség (Gelijkheid) te Unghvár, met steun van grootmeester Ferenc Pulszky van de Sint-Jans Grootloge. De inwijding werd door het Grand Orient van Hongarije nietig verklaard en de betrokken broeders werden gestraft. De gravin verdedigde haar aanspraak op het vrijmetselaarschap met een juridisch betoog dat verwees naar haar rechtsstatus, haar kennis van de vrijmetselarij en het ontbreken van een uitdrukkelijk genderverbod in de grondwet van het Grand Orient.

Vijf jaar later, in 1880, werd gravin Júlia Apraxin ingewijd in de Spaanse loge Fraternidad Ibérica in Madrid – de eerste vrouwelijke inwijding in een mannelijke loge in Spanje, uitvoerig gerapporteerd in het Franse maçonnieke tijdschrift Chaîne d'Union. Anders dan in Hongarije bleef het in Spanje niet bij een enkel geval: in de periode 1871–1898 werden in Spanje naar schatting bijna duizend vrouwen ingewijd, verspreid over circa 180 loges, die daarmee feitelijk gemengd werden.

Een ander vroeg gedocumenteerd geval betreft de in Duitsland geboren Marie-Henriette Heiniken, beter bekend als Madame de Xaintrailles, die tijdens de Napoleontische oorlogen vermomd als man in het Franse leger diende. Volgens de maçonnieke overlevering werd zij, nadat haar identiteit was ontdekt bij de Loge des Frères Artistes in Parijs, ingewijd in de eerste graad van de mannelijke loge als erkenning voor haar militaire dienst. De vroegste vermelding van dit verhaal is te vinden bij Bégue Clavel (1843).

Deze ontwikkelingen vonden plaats tegen de achtergrond van de opkomende vrouwenemancipatie en discussies over politieke en maatschappelijke gelijkberechtiging.

Gemengde vrijmetselarij

miniatuur|Maria Deraismes, in 1882 de eerste vrouw die werd ingewijd in een reguliere Franse loge. Een beslissende stap werd gezet door de Franse feministe Maria Deraismes. Op 9 januari 1882 maakte haar loge, Les Libres Penseurs te Le Pecq, zich los van de Grande Loge Symbolique Écossaise om haar op 14 januari 1882 te kunnen inwijden volgens de ritus van de Schotse ritus. Na de inwijding trad Deraismes tijdelijk terug om haar loge in staat te stellen zich opnieuw aan te sluiten bij haar obediëntie; zij bleef daarna jarenlang vrijmetselaar zonder vaste loge.

Samen met Georges Martin, een medevoorvechter voor vrouwenrechten, werkte Deraismes vervolgens aan een zelfstandige gemengde loge. Tussen juni 1892 en april 1893 werden zestien vrouwen ingewijd, en op 4 april 1893 werd de obediëntie opgericht als Grande Loge Symbolique Écossaise de France, Le Droit Humain, spoedig omgedoopt tot Ordre Maçonnique Mixte International Le Droit Humain. Deraismes werd gekozen tot eerste presidente, maar overleed reeds in februari 1894.

Le Droit Humain groeide in de twintigste eeuw uit tot de grootste gemengde vrijmetselaarsorde ter wereld. Vóór de Eerste Wereldoorlog telde de orde naar schatting 12.000 tot 14.000 leden in circa vijfhonderd loges, met sterke federaties in het Verenigd Koninkrijk, onder leiding van Annie Besant, en de Verenigde Staten.

Vrouwelijke obediënties

Frankrijk De moderne vrouwelijke vrijmetselarij in Frankrijk ontstond direct uit de adoptievrijmetselarij. Na de Tweede Wereldoorlog werkten de overgebleven adoptieloges van de Grande Loge de France aan een zelfstandig bestaan. Op 21 oktober 1945 werd de Union Maçonnique Féminine de France opgericht, onder voorzitterschap van Anne-Marie Gentily. Op 29 september 1952 nam de organisatie de naam Grande Loge féminine de France aan, waarmee zij zich nadrukkelijk als volwaardige vrijmetselaarsobediëntie profileerde. In 1959 adopteerde zij de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus in plaats van het historische adoptieritueel, waarmee haar maçonnieke gelijkwaardigheid aan mannelijke obediënties formeel werd bevestigd.

De Grande Loge féminine de France groeide uit tot de grootste vrouwelijke vrijmetselaarsobediëntie ter wereld. In 2015 telde zij naar schatting 32.000 leden in Frankrijk.

België In België ontstond in 1981 de Vrouwengrootloge van België, voortgekomen uit Belgische loges van de Grande Loge féminine de France via de loge La Croisée des Chemins, die was opgericht om de vrouwelijke vrijmetselarij internationaal te verspreiden. De obediëntie groeide uit tot de belangrijkste vrouwelijke vrijmetselaarsorganisatie van België en onderhoudt relaties met andere vrouwelijke en liberale obediënties in Europa. Omstreeks 2015 telde België naar schatting 6.000 vrouwelijke vrijmetselaren tegenover 14.000 mannelijke.

Verenigd Koninkrijk