Free Thought and Official Propaganda is een in 1922 door de Britse filosoof Bertrand Russell gehouden lezing, die later ook in gedrukte vorm verscheen. Het werk gaat over het belang van onbeperkte vrijheid van meningsuiting in de samenleving en over de manieren waarop de staat en de politieke klasse deze vrijheid belemmeren, onder meer door controle over het onderwijs, geldboetes, economische druk en het verdraaien van feiten.

Russell pleit in het essay voor wat hij de will to doubt (de wil om te twijfelen) noemt, als tegenhanger van de will to believe van de Amerikaanse filosoof William James. Volgens Russell is een rationeel-sceptische houding noodzakelijk om dichter bij de waarheid te komen.

Vrijheid van meningsuiting Russell begint met de constatering dat de term vrije gedachte meestal in een beperkte zin wordt gebruikt, namelijk om aan te duiden dat iemand de gangbare godsdienst van zijn streek niet kritiekloos aanvaardt, of in het ideale geval helemaal geen religie aanhangt. Belangrijker en algemener is volgens hem echter een tweede betekenis: de vrijheid om geen druk te ondervinden om bepaalde ideeën te aanvaarden, en de mogelijkheid om elke mening te hebben en uit te spreken zonder daarvoor gestraft te worden.

Russell stelt dat deze vrijheid in geen enkel land werkelijk bestaat, met als mogelijke uitzondering van de Republiek China van vóór de communistische periode. Zo kan men volgens hem de Verenigde Staten niet binnenkomen zonder te verklaren geen anarchist of polygamist te zijn, en eenmaal binnen mag men geen communist zijn. In Groot-Brittannië mag men zijn ongeloof in het christendom niet uiten, in Japan niet in het shintoïsme.

Landen die zichzelf als tolerant beschouwen, voeren volgens Russell vaak aan dat sommige denkbeelden zó "monsterlijk en immoreel" zijn dat tolerantie er niet voor hoeft te gelden. Hij wijst erop dat dit precies dezelfde redenering is die ten grondslag lag aan de marteling tijdens de Inquisitie. Volgens Russell moeten alle ideeën uitgedrukt kunnen worden, hoe verwerpelijk zij ook lijken.

Vervolgens illustreert Russell het gebrek aan vrije gedachte met voorbeelden uit zijn eigen leven. Zijn vader, een vrijdenker, had op zijn sterfbed bepaald dat de driejarige Bertrand als vrijdenker zou worden opgevoed, maar de rechter zette deze wens opzij en gelastte een christelijke opvoeding. In 1910 werd Russell als kandidaat voor het Britse Lagerhuis door de Liberale Partij afgewezen toen bekend werd dat hij agnost was. Toen hij later docent werd aan Trinity College in Cambridge, werd hem het lidmaatschap van het college (vergelijkbaar met een vaste aanstelling) geweigerd omdat het bestuur geen "antiklerikale" stem aan het bestuur wilde toevoegen. Toen Russell zich vervolgens openlijk tegen de Eerste Wereldoorlog uitsprak, werd hij ontslagen.

Volgens Russell beperkt deze onderdrukking door de politieke klasse zich niet tot godsdienst. Aanhangers van de vrije liefde of het communisme worden volgens hem zelfs nog harder aangepakt.

De wil om te twijfelen In dit gedeelte van het essay zet Russell zijn opvatting van de will to doubt uiteen. In 1896 had de Amerikaanse filosoof William James een invloedrijk essay geschreven over de will to believe, en Russell gebruikt deze tekst als tegenpool voor zijn eigen standpunt. James stelde dat men, zelfs zonder bewijs of bij tegenstrijdig bewijs, ervoor kan kiezen om iets te geloven — hij noemde het christendom als voorbeeld — eenvoudigweg omdat dat geloof gunstige gevolgen zou hebben.

Russell verwerpt deze redenering en betoogt, in lijn met onder anderen Alfred Henry Lloyd, dat juist de keuze om sceptisch te blijven rationeler is en uiteindelijk tot meer waarheid leidt. Een wil om te geloven bindt iemand volgens hem onvermijdelijk aan onwaarheden. Hij schrijft dat geen enkele overtuiging volledig waar is, en dat de manier om de mate van waarheid in onze opvattingen te vergroten bekend is: het aanhoren van alle kanten, het verzamelen van relevante feiten, het toetsen van eigen vooringenomenheid in gesprek met andersdenkenden, en de bereidheid om hypothesen die ontoereikend blijken op te geven.

Als voorbeeld van het nut van deze vorm van scepsis verwijst Russell naar Albert Einstein, die destijds de heersende inzichten in de natuurkunde omverwierp. Hij vergelijkt dit met de manier waarop Charles Darwin in de negentiende eeuw de Bijbelse letterlijkheid tegensprak. Russell vraagt zich vervolgens af wat er zou zijn gebeurd als Einstein iets even nieuws had voorgesteld op godsdienstig of politiek gebied. Volgens hem zou een dergelijk idee onmiddellijk door allerlei groeperingen zijn aangevallen vanuit hun eigen vooroordelen, en uiteindelijk niet door bewijs maar op het slagveld zijn beslecht. Dit, stelt Russell, is het logische gevolg van James' will to believe.

Oorzaken van irrationele zekerheid Uitgaande van het belang van rationele twijfel en fallibilisme gaat Russell vervolgens in op de vraag waarom irrationele zekerheid zo wijdverbreid is. Hij onderscheidt daarvoor drie hoofdoorzaken.

De eerste oorzaak is het onderwijs. In plaats van kinderen een gezonde leerhouding bij te brengen, wordt het openbaar onderwijs volgens Russell gebruikt om hen te indoctrineren met dogma's, die vaak aantoonbaar onjuist zijn — soms zelfs onjuist in de ogen van de overheidsfunctionarissen die het onderwijs opleggen.

De tweede oorzaak is propaganda. Nadat kinderen hebben leren lezen zonder te leren bewijs te wegen of een eigen mening te vormen, worden zij als volwassenen voortdurend blootgesteld aan dubieuze of duidelijk onjuiste beweringen.

De derde oorzaak is economische druk. De staat en de politieke klasse gebruiken hun controle over financiën en economie om hun ideeën op te leggen, door de keuzemogelijkheden van andersdenkenden te beperken.

Externe links Free Thought and Official Propaganda op Project Gutenberg

Categorie:Filosofisch boek Categorie:Werk van Bertrand Russell Categorie:Boek uit 1922