De Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) was de oorlog tussen Groot-Brittannië en haar dertien koloniën in Noord-Amerika die later de Verenigde Staten zouden vormen. De oorlog was een onderdeel van de Amerikaanse Revolutie en resulteerde in de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten.

Achtergrond van de oorlog thumb|De slag om Bunker Hill Voor het begin van de oorlog waren de verschillen tussen de diverse koloniën vooral in economisch opzicht erg groot. Het Noorden was een gebied met handelaren en kleine boeren, terwijl de economie van het Zuiden bepaald werd door van slavernij afhankelijke tabaks-, rijst- en katoenplantages. De grenzen in Noord-Amerika lagen niet vast en regelmatig was er conflict met Nieuw Frankrijk. De vierde oorlog werd door de Fransen verloren. Met de vrede van Parijs (1763) kwam Nieuw Frankrijk in Britse handen. De oorlogen kostten de Engelsen handen vol geld en het Britse Parlement voelde zich genoodzaakt de belastingen te verhogen en voerde nieuwe wetten in, die nadelig waren voor de dertien kolonies. De weerstand tegen deze wetten leidde tot een politieke en sociale afsplitsing van het Britse Rijk en dreef de dertien kolonies ertoe zich te verenigen in een onafhankelijke staat: de Verenigde Staten van Amerika.

Ideologie De basisideeën die de Amerikaanse Verlichting, die schatplichtig was aan de Europese Verlichting, typeerden waren liberalisme, democratie, republicanisme en religieuze vrijheid. Het groeiende geloof door de kolonisten in deze concepten zorgde voor een nieuwe politieke en sociale identiteit. Het republicanisme, dat werd aangehangen door alle Founding Fathers, dreef de revolutie aan. Deze ideologie was dominant in de dertien kolonies in 1775 en was voornamelijk gericht tegen de corruptie, die volgens hen het Britse bestuur typeerde. Deze corruptie, die verpersoonlijkt werd door het parlement in Londen maar ook door de aristocratie in de kolonies, bedreigde de vrijheid van de kolonisten en werd door hen dan ook streng veroordeeld.

Polemische schrijvers als Thomas Paine en Patrick Henry speelden een grote rol in de groei van de revolutionaire geest onder gewone Amerikanen. Vooral Common Sense, een pamflet van Paine dat de monarchie zelf aanviel, was heel populair. Alleen al in 1776 verschenen er 25 edities van en er werden meer exemplaren van verkocht dan eender welk gedrukt document uit de koloniale geschiedenis van Amerika. Paine schreef in een taal en stijl die voor iedereen toegankelijk was en vermeed het wettelijke en logische jargon van andere pamfletten uit die tijd. Hij maakte ook gebruik van Bijbelse metaforen en gewone taal, die de lezers vanuit hun calvinistische achtergrond sterk aanspraken. In het pamflet viel Paine de Britse monarch aan en noemde hem "a royal brute" (een koninklijke bruut). Hij spoorde de Amerikanen aan om op te komen voor hun vrijheid. Duizenden lazen en luisterden naar Common Sense en werden erdoor geradicaliseerd.

De kerken van Dissenters stonden bekend als scholen van de democratie, ze predikten revolutionaire gedachten onder het mom van het vechten tegen tirannie zoals in het Oude Testament.

Belastingen Tijdens de Zevenjarige Oorlog in Amerika vochten voornamelijk Britse troepen tegen de Fransen. De Britse troepen werden gefinancierd met belastinggeld dat in Groot-Brittannië geïnd werd en na deze oorlog zocht het Britse Parlement compensatie voor de gemaakte kosten. Vanaf 1764 voerde Groot-Brittannië verscheidene "Acts" of wetten in die de Amerikaanse kolonies nieuwe belastingen oplegden en grote weerstand opriepen binnen de kolonies. De Amerikanen zagen door de directe belastingen hun rechten als Engelsman geschaad. Zonder verkozen vertegenwoordiging in het parlement waren deze wetten volgens de kolonisten onrechtmatig. Voor de Britten waren deze wetten noodzakelijk om de autonomie, die verkregen was met het oog op economische ontwikkeling ten behoeve van het vaderland, van de kolonisten terug te schroeven. Deze wetten waren:

De Sugar Act (1764) De "Sugar Act" was een aanpassing van de "Molasses Act" uit 1733 die ineffectief bleek te zijn omdat hij massaal omzeild werd. De wet versoepelde enerzijds de voorgaande door slechts 3 pence per gallon melasse te innen in plaats van 6 pence, doch stelde ze nieuwe maatregelen voor om de taks te innen.

De Currency Act (1764) De "Currency Act" verbood de dertien kolonies het aanmaken van papiergeld om zowel publieke als private schulden te vereffenen.

De Quartering Act (1765) De "Quartering Act" verplichtte de dertien kolonies tot het onderhoud en de huisvesting van Britse troepen in Amerika. De kolonies beschouwden deze wet als illegaal omdat hij indruiste tegen de "Bill of Rights" uit 1689, die een staand leger verbood.

De Stamp Act (1765) De "Stamp Act" legde de Amerikanen een belasting op die betrekking had op het gebruik van papier dat gecertificeerd werd door een zegel of stempel. Deze documenten bestonden onder andere uit kranten en juridische documenten.

De Townshend Acts (1767) De "Townshend Acts" waren vijf wetten die tot doel hadden een hoger inkomen uit de kolonies te genereren. Hiervoor werden er nieuwe belastingen geheven op lood en papier. Met de opbrengst hiervan werd het salaris van de rechters en gouverneurs binnen de kolonies betaald, zodat deze onafhankelijk van de kolonies zouden kunnen werken. Tevens werd met de nieuwe middelen New York gestraft, dat de "Quartering Act" niet naleefde. Hiermee schiep het Britse Parlement het precedent dat stelde dat het het recht had om de kolonies te berechten. Door de grote weerstand tegen deze wetten voelde het parlement zich in 1769 genoodzaakt Boston te bezetten, wat uiteindelijk zou leiden tot het Bloedbad van Boston in 1770.

De Tea Act (1773) De "Tea Act" vergrootte het monopolie van de Britse Oost-Indische Compagnie over de theehandel binnen alle Britse kolonies door toe te staan dat de Compagnie haar overschot mocht verkopen zonder koloniale invoerrechten te betalen. Door dit monopolie ontstond in de dertien kolonies een grote weerstand tegen Britse thee. Deze weerstand zou culmineren in de Boston Tea Party in 1773.

De Quebec Act (1774) De "Quebec Act" verlengde de grenzen van Quebec langs de rivier de Ohio. Hierdoor werden de claims van de dertien kolonies ongeldig.

De Intolerable Acts (1774) De vier wetten die samen de "Intolerable Acts" vormden, waren de laatste wetten die het Britse Parlement uitvaardigde voor de dertien kolonies. De "Massachusetts Government Act" veranderde het charter van Massachusetts en verbood publieke samenkomsten. De "Administration of Justice Act" stelde dat alle Britse soldaten die verdacht werden van een misdaad niet in de kolonies maar in Groot-Brittannië berecht moesten worden. De "Boston Port Act" sloot de haven van Boston af tot de Britse regering vergoed was voor de thee die verloren ging in de Boston Tea Party. De laatste wet, de "Quartering Act", was een uitbreiding van de wet met dezelfde naam uit 1765. Bij deze wet diende er geen toestemming van eigenaars te zijn wanneer Britse soldaten in hun huis gelegerd werden.

Politieke tegenstand thumb|Samuel Adams De Amerikaanse politieke oppositie werd oorspronkelijk gevoerd door koloniale raden zoals het "Stamp Act Congress". Deze raden bevatten vertegenwoordigers van alle kolonies. In 1765 werden de Sons of Liberty gevormd. Dit was een groepering die demonstraties, geweld en bedreigingen gebruikte om de uitvoering van de nieuwe wetten onmogelijk te maken. Hoewel ze openlijk vijandig waren tegen het Parlement, bleven de kolonisten smeekbedes en petities ter interventie sturen naar de koning, die zij nog altijd trouw waren.

Vanaf 1772 werden onder impuls van Samuel Adams in Boston in alle dertien kolonies "Committees of Correspondence" opgericht. Deze comités zouden uiteindelijk het raamwerk vormen voor de rebellerende regering van de Verenigde Staten. In totaal dienden 7000 à 8000 patriotten in deze comités op zowel het lokale als koloniale niveau. De comités waren de leiders van het Amerikaanse verzet tegen de Britse acties en organiseerden grotendeels de krijgshandelingen op lokaal en staatsniveau.

Toen het Eerste Continentaal Congres besloot om massaal Britse producten te boycotten, waren het de comités die hierbij het voortouw namen. Ze inspecteerden handelsregisters en publiceerden de namen van de handelaars die zich niet aan de boycot hielden. Tevens stimuleerden ze patriottisme en huisnijverheid, waarbij ze Amerikanen aanraadden om eenvoudig te leven. Geleidelijk aan werd de macht van deze comités over alle deelgebieden van het publieke leven groter. In 1774-1775 hielden ze toezicht op de verkiezingen van de Provinciale Congressen. Deze zouden de taak van de koloniale raden overnemen. In 1774 werden afgevaardigden van alle provinciale congressen verenigd in het Eerste Continentaal Congres, dat een overlegorgaan was en diende voor de coördinatie van collectieve actie.

Oorlog en onafhankelijkheid De oorlog in het noorden 1775-1780 Massachusetts thumb|Washington crossing the Delaware op een schilderij van Emanuel Leutze.

Voor het uitbreken van de oorlog was Boston het centrum van revolutionaire activiteit, wat in 1774 tot de Massachusetts Government Act zou leiden. Deze wet hief het lokale bestuur in de kolonie op, wat tot grote weerstand leidde bij de lokale bevolking. Deze weerstand zorgde ervoor dat de Koninklijke ambtenaren in Massachusetts ontslag namen of zich moesten verschuilen in Boston, omdat revolutionairen de controle van Massachusetts overgenomen hadden. In Boston was luitenant-generaal Thomas Gage, die tevens opperbevelhebber was van het Britse leger in Noord-Amerika, gelegerd met 4000 Britse soldaten.

In de nacht van 18 april 1775 zond generaal Gage 700 soldaten uit om de munitie die de koloniale militie in Concord had opgeslagen in beslag te nemen. De militie werd gealarmeerd voor de komst van de Britten en toen deze in de ochtend van 19 april Lexington binnenmarcheerden stuitten ze op 77 militieleden op het dorpsplein. Na een schermutseling trokken de Britten verder richting Concord waar drie compagnieën aan de ‘North Bridge’ werden verdreven door 500 militieleden. De Britten trokken zich terug naar Boston maar gedurende deze terugtocht werden ze door duizenden minutemen aangevallen, waardoor de terugtocht een totale ramp werd. De slagen om Lexington en Concord luidden de officiële start in van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog.

De militie omsingelde Boston, terwijl 4500 man Britse troepen via de zee de stad versterkten. Het verzamelde Britse leger dat door generaal William Howe aangevoerd werd, veroverde met de Slag om Bunker Hill het schiereiland waar Charlestown lag. Hoewel de Amerikanen verslagen werden en zich terugtrokken, waren de Britten door zware verliezen niet in staat deze overwinning uit te buiten en de aanval door te zetten. Het beleg van de stad werd zodoende niet gebroken en generaal Gage werd door generaal Howe vervangen als opperbevelhebber.

In juli 1775 kwam de net aangestelde generaal George Washington aan buiten Boston om het bevel van de koloniale militie op te nemen en een Continentaal leger op te richten. Het Amerikaanse leger had een groot tekort aan buskruit en Washington vroeg om nieuwe voorraden. Hiervoor werden arsenalen geplunderd en buskruit geïmporteerd uit Frankrijk (90 procent van de beschikbare hoeveelheid werd tegen het einde van 1776 weer geïmporteerd). De patstelling bij Boston duurde tot in maart 1776 toen zwaar geschut, dat de militie buit maakte in Fort Ticonderoga, door kolonel Henry Knox werd aangevoerd en de Britten op 17 maart 1776 de stad deed uitvluchten naar Halifax in Nova Scotia. Na de inname van Boston verplaatste Washington het grootste deel van het continentale leger naar New York.

Quebec thumb|De Slag bij Valcour Island