Dit artikel geeft een algemeen overzicht van de grammatica van de Nederlandse taal.
Woord- en zinsdeelvolgorde
In het Nederlands geldt V2, waardoor de persoonsvorm in stellende hoofdzinnen altijd op de tweede positie staat.Jan Koster, ‘Dutch as an SOV Language.’ In: Linguistic analysis 1 (1975), p. 111-136, op dbnl.org
Hoofdzinnen Voor een hoofdzin geldt de SVO-volgorde.
onderwerp – persoonsvorm – meewerkend voorwerp – bijwoordelijke bepaling van tijd en plaats – lijdend voorwerp – werkwoordelijke – niet-werkwoordelijke rest.
Bijvoorbeeld: Pieter heeft Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven.
Wel zijn in stellende hoofdzinnen ook andere volgordes mogelijk, maar ook dan staat de persoonsvorm op de tweede positie. De volgende woordvolgordes zijn dan ook grammaticaal correct: Pieter heeft gisteren Jasper in de tuin een appel gegeven Pieter heeft gisteren in de tuin (aan) Jasper een appel gegeven Pieter heeft gisteren in de tuin een appel aan Jasper gegeven Aan Jasper heeft Pieter gisteren in de tuin een appel gegeven Gisteren heeft Pieter (aan) Jasper in de tuin een appel gegeven Gisteren heeft Pieter in de tuin (aan) Jasper een appel gegeven Gisteren heeft Pieter in de tuin een appel aan Jasper gegeven In de tuin heeft Pieter (aan) Jasper gisteren een appel gegeven In de tuin heeft Pieter gisteren (aan) Jasper een appel gegeven In de tuin heeft Pieter gisteren een appel aan Jasper gegeven Een appel heeft Pieter gisteren in de tuin aan Jasper gegeven
In al deze zinnen is "Jasper" het meewerkend voorwerp (indien voorafgegaan door "aan" een zgn. omschreven meewerkend voorwerp).
De persoonsvorm komt vóór het onderwerp als het onderwerp niet aan het begin van de zin staat. Als een ander zinsdeel dan het onderwerp aan het begin van de zin staat, gebeurt dit in de regel om het zinsdeel extra nadruk te geven.
Een bepaling van tijd staat bij voorkeur altijd vóór andere bijwoordelijke bepalingen, zoals die van plaats:Woordvolgorde, braint.nl Hij woont al drie jaar (tijd) in Amsterdam (plaats).
Bijzinnen Voor een bijzin geldt de SOV-volgorde.
In een bijzin is de basisvolgorde: voegwoord – onderwerp – meewerkend voorwerp – bijwoordelijke bepaling van tijd en plaats – lijdend voorwerp – persoonsvorm en werkwoordelijke – niet-werkwoordelijke rest.
Bijvoorbeeld: (Ik weet) dat Kees Jan morgen in de stad een boek wil geven vanwege zijn verjaardag.
Deze volgorde, waarbij de persoonsvorm vóór de rest van het werkwoordelijk gezegde (de werkwoordelijke eindgroep) staat, wordt ook wel de rode werkwoordsvolgorde genoemd. Daarnaast is er in bijzinnen nog een tweede mogelijkheid, bekend als de groene werkwoordsvolgorde, waarbij de volgorde van de werkwoorden andersom is:
(Ik weet) dat Kees Jan morgen in de stad een boek geven wil vanwege zijn verjaardag.
Vragende vorm
Wanneer een zin vragend is, treedt normaal gesproken inversie op, wat betekent dat onderwerp en persoonsvorm van plek worden verwisseld: Heeft Pieter Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven?
Wanneer het onderwerp toch vóór de persoonsvorm staat in een vragende zin, impliceert dat vaak een controlevraag: Pieter heeft Jasper gisteren in de tuin een appel gegeven? In deze laatste vorm is de intonatie van een of meer laatste woorden, namelijk hoger dan de rest, erg belangrijk. Hierdoor is het voor de luisteraar duidelijk dat het een vraag betreft en geen gegeven feit.
Werkwoorden
Zoals in de meeste Germaanse talen zijn de werkwoorden naar vervoeging in drie klassen onder te verdelen: sterk, zwak en onregelmatig.De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) kiest voor een iets andere classificatie, waarbij de werkwoorden waarvan de vervoeging in andere grammatica's "zwak" heet regelmatig worden genoemd, en alle overige werkwoorden tot de onregelmatige worden gerekend.
Zwakke werkwoorden
Veruit de meeste werkwoorden in het Nederlands behoren tot de klasse van de zwakke werkwoorden. Dit betekent dat ze in de onvoltooid verleden tijd de uitgang -de/-te krijgen, terwijl het voltooid deelwoord eindigt op -d of -t.
Sterke werkwoorden
Van sterke werkwoorden dient men drie vormen te kennen: de infinitief ofwel het hele werkwoord, de onvoltooid verleden tijd en het voltooid deelwoord.
Hieronder volgt als voorbeeld de vervoeging van het sterke werkwoord binden: binden – bond – gebonden
{| border="1" cellspacing="0" cellpadding="2" |- | ik || bind || bond || heb gebonden || bind ik? |- | jij || bindt || bond || hebt gebonden || bind jij? |- | hij/zij/u/het || bindt || bond | heeft gebonden || bindt hij/zij/u/het? |- | wij/jullie/zij || binden | bonden || hebben gebonden || binden wij/jullie/zij?
Nederlandse sterke werkwoorden worden in de tegenwoordige tijd (o.t.t.) op dezelfde manier vervoegd als zwakke. In de onvoltooid verleden tijd krijgt alleen de meervoudsvorm een uitgang -en, de andere vormen krijgen géén uitgang in de verleden tijd.
Onregelmatige werkwoorden De belangrijkste onregelmatige werkwoorden zijn hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen.
Zelfstandige naamwoorden De belangrijkste verbuigingen zijn de meervoudsvorm en de verkleinvorm van zelfstandige naamwoorden.
Verbuigingen van het zelfstandig naamwoord Meervoudsvorm
Zelfstandig naamwoord eindigend op een klinker Zelfstandig naamwoorden die eindigen op een klinker krijgen als regel de uitgang -s in het meervoud:
agente – agentes bureau – bureaus groente – groentes , maar ook: groenten
Wanneer verwarring zou kunnen ontstaan over de uitspraak van het meervoud wordt de uitgang -s voorafgegaan door een apostrof:
radio – radio's baby – baby's taxi – taxi's
Zelfstandige naamwoorden die eindigen op -ie of -ij en waarvan de klemtoon op de laatste lettergreep ligt, krijgen de uitgang -en in het meervoud:
boerderij – boerderijen categorie – categorieën
Zelfstandig naamwoord eindigend op een medeklinker Zelfstandige naamwoorden die eindigen op een beklemtoonde lettergreep eindigend op een medeklinker, krijgen als regel de uitgang -en in het meervoud:
stoel – stoelen
Er zijn uitzonderingen, zoals het woord kok (etensbereider) waarvan koks het meervoud is.
Ook treedt bij sommige woorden klankverandering op: lid – leden bad – baden
en is er een groep woorden met een stapelmeervoud, zoals: kind – kinderen rund – runderen
Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op een s verandert deze s bij de meervoudsvorm in een z, als de s wordt voorafgegaan door een lange klinker. huis – huizen kaas – kazen roos – rozen
Wordt de s voorafgegaan wordt door een korte klinker, dan wordt de s verdubbeld: bus – bussen das – dassen
Ook hier zijn er weer uitzonderingen die klankverandering ondergaan, zoals: glas – glazen
Wanneer de laatste lettergreep van een zelfstandig naamwoord dat op een medeklinker eindigt een niet-beklemtoonde e bevat krijgt het meervoud de uitgang -s: tafel – tafels emmer – emmers
Uitzonderingen Op bovenstaande regels zijn een aantal uitzonderingen. Zie daarvoor de lijst van onregelmatige meervouden.
Verkleinvorm Zelfstandig naamwoorden kunnen verkleind worden door de uitgang -je achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen:
klas – klasje
Soms treedt klankverandering op:
glas – glaasje
In het zuidelijk deel van het Nederlandse taalgebied worden zelfstandige naamwoorden veeleer verkleind door de uitgangen -ke en -ken achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen:
glas – glaske(n)
Wanneer een zelfstandig naamwoord eindigt op een klinker of op een van de medeklinkers l, n en ren de laatste lettergreep bevat een lange klinker of een sjwa, krijgt de verkleinvorm de uitgang -tje:
radio – radiootje paal – paaltje fietser – fietsertje
Maar gaat het om een woord dat bestaat uit één lettergreep met een korte klinker, dan wordt de uitgang -etje: pal – palletje
Wanneer een zelfstandig naamwoord eindigt op een m die wordt voorafgegaan door een lange klinker krijgt de verkleinvorm de uitgang -pje:
raam – raampje
Wanneer een twee- of meerlettergrepig zelfstandig naamwoord eindigt op ing krijgt de verkleinvorm doorgaans de uitgang -kje waarbij de g komt te vervallen:
buiging – buiginkje
Maar: hebbeding – hebbedingetje (van: ding – dingetje) en ook: verandering – veranderingetje slappeling – slappelingetje
Uitzondering: Wanneer de laatste lettergreep van een zelfstandig naamwoord eindigend op l, m, n, ng of r een korte klinker bevat, krijgt het verkleinwoord de uitgang -etje:
lam – lammetje kar – karretje gang – gangetje
Naamvallen In oudere fasen van het Nederlands werden in de geschreven taal naamvallen gebruikt. Tegenwoordig bestaan deze nagenoeg alleen nog in versteende taalvormen. Een aan de tweede naamval verwante vorm, de Saksische genitief, kent nog wel een actief gebruik.
Lidwoorden
Bepaalde lidwoorden Het Nederlands kent twee bepaalde (of bepalende) lidwoorden: de, mannelijk of vrouwelijk (overkoepelend ook wel "zijdig" genoemd) het, onzijdig. In gesproken taal vaak klemtoonloos uitgesproken als t.Het wordt enkel gebruikt voor een enkelvoudig onzijdig woord. Om een meervoud aan te duiden wordt altijd de gebruikt. Voorbeelden: de sleutel - de sleutels de vakantie (vrouwelijk enkelvoud) - de vakanties het gebouw (onzijdig enkelvoud) - de gebouwen de boom (mannelijk enkelvoud) - de bomen het bos (onzijdig enkelvoud) - de bossen
Onbepaald lidwoord Het Nederlands kent slechts één onbepaald (of onbepalend) lidwoord: een, in gesproken taal vaak uitgesproken als n.
Het onbepaalde lidwoord een wordt in het Nederlands alleen gebruikt voor een enkelvoud, om een onbepaald meervoud aan te duiden wordt simpelweg géén lidwoord gebruikt. Voorbeeld: Daar staat een huis (onbepaald enkelvoud, dus een) Daar staan huizen (onbepaald meervoud, dus geen lidwoord)
De zuidelijke dialecten van het Nederlands kennen drie onbepaalde lidwoorden: ne of nen voor een onbepaald mannelijk enkelvoud (ne man) een voor een onbepaald vrouwelijk enkelvoud (een vrouw) e voor een onbepaald onzijdig enkelvoud (e kind)
Ontkennend lidwoord Het ontkennend lidwoord geen duidt op de afwezigheid van iets of op een ontkenning: We hebben geen kaas meer (duidt op de afwezigheid van kaas) Dat is geen goede grap (Dat is niet een goede grap)
Verbuiging lidwoorden Daarnaast kent het Nederlands nog enkele oudere verbuigingsparadigma's die gedicteerd worden door vier traditionele naamvallen. In principe worden de bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn, haar, ons, uw, jullie en hun) en het ontkennend lidwoord geen vervoegd zoals het onbepaalde lidwoord een, bijvoorbeeld: Dat is zijns inziens een slecht idee (eens inziens). In het meervoud bestaat er geen onbepaald lidwoord in het Nederlands, daarom is in het schema het woord geen gebruikt.
lidwoorden: Nederlandsche spraakkunst in drie leergangen voor de middelbare scholen, colleges, athenea en normaalscholen, Brugge 1920, achtste druk, p. 14 en 15.enkelvoudmeervoud mannelijk vrouwelijk onzijdig alle geslachten bepaald onbepaald bepaald onbepaald bepaald onbepaald bepaald onbepaald ontkennend nominatief de een de een (ene) het een de – geen (gene) genitief des eens der ener des eens der – gener datief de (den) een (enen) de (der) een (ener) het (den) een (enen) de (den) – geen (genen) accusatief de (den) een (enen) de een (ene) het een de – geen (gene)
Verbogen lidwoorden (ene, eens, ener, enen; des, der, den) worden nauwelijks nog gebruikt (daarom staan de oorspronkelijke verbuigingen tussen haakjes in het schema). Sinds de jaren tachtig is bijvoorbeeld commissaris van de Koning(in) gangbaarder dan commissaris der Koningin of des Konings (CdK). Bij procureur des Konings heeft de oude vorm daarentegen standgehouden, net als in bepaalde namen en staande uitdrukkingen: Den Helder 's-Hertogenbosch (des Hertogen bosch, ook wel Den Bosch) Het Koninkrijk der Nederlanden De vader des vaderlands ten enenmale
Verbogen lidwoorden worden wel volop gebruikt in bijvoorbeeld de GBS-Bijbel.
Lidwoord voor een bezittelijk voornaamwoord