Alençon is een stad in het uiterste zuiden van het Franse departement Orne (regio Normandie). De agglomeratie telt zo'n 55.000 inwoners. De inwoners worden Alençonnais genoemd. Het is de grootste stad van het departement Orne, waarvan het ook de prefectuur is.

De bijnaam van de stad is la Belle Endormie of "De schone slaapster". Alençon is vooral bekend door haar naaldkant, die hier vanaf de 16e eeuw door duizenden kantwerksters wereldberoemd werd gemaakt. Het is ook de geboorteplaats van de heilige Theresia van Lisieux.Dit is een van de weinige Normandische steden die grotendeels intact is gebleven tijdens de Tweede Wereldoorlog, en een van de eerste die door de Tweede Pantserdivisie van generaal Leclerc werd bevrijd. Er werd een klein museum aan gewijd in la Maison d'Ozé, waar ook de Dienst voor Toerisme huist.

Naamgeving en toponymie Taalwetenschappers zijn in het geval van Alençon niet tot een eensluidende conclusie gekomen wat betreft de oorsprong van de naam. Een van de mogelijke verklaringen is een verwijzing naar de Gallische stam de Aulerici die van Alençon een soort pleisterplaats hadden gemaakt. Recent onderzoek toont echter aan dat deze Gallische stam meer in het noorden van Normandië richting de Eure verbleef. De plaats zou ook kunnen verwijzen naar een van oorsprong Indo-Germaanse stam de Alani of de Alanen die tijdens de volksverhuizingen in de 5e eeuw naar Normandië kwam. Alençon zou dan het fort van de Alanen kunnen betekenen. In de periode van de Merovingers (460-751) zou het kunnen verwijzen naar een man met de Gallische naam Alantius. Sommige heemkundigen beweren dat al (dicht bij), en (eiland) en ç-c-on (samenvloeien) dus «een eiland dicht bij de samenvloeiing van twee rivieren» betekent. Andere wetenschappers menen er dan ook weer een Keltische aanwezigheid in te herkennen waarbij in het sterk beboste Normandië van de eerste eeuwen na Christus al (van-bij), onn (es) en ci (woud) verwijzen naar «het woud/bos van essen». Nog een andere hypothese is dat Alençon geënt is op de Gallo-Romeinse naam Aluncus; al(voor) en uncus(gehaakt kant) en dus « gehaakt kant» waarvoor de stad bekendstaat, zou willen zeggen. Dit is erg onwaarschijnlijk. In de naam Alençon staat het prefix al bijna zeker voor een hydroniem. Dit is de meest recente veronderstelling, dan zou de naam verwijzen naar «toegang tot een waterrijk gebied». De naam bevat tegelijk de elementen “al-“ en “–anti/-onti”, die respectievelijk “voeding” en “plaats” betekenden, samen “voedselrijke plaats” wat in het geval van het Normandische Alençon ook meer dan mogelijk is.

Geschiedenis Oudheid Uit de namen van bepaalde gehuchten alleen al, blijkt dat er sprake is van zeer vroege bewoning, lang voor de romanisatie, zij het niet zozeer op de locatie van Alençon zelf, maar daaromheen. Wellicht was Alençon het dichtbevolkte centrum van de diverse opeenvolgende plattelandsculturen. Zelfs van de Gallo-Romeinse periode is in de stad zelf geen spoor te vinden. Alençon ontwikkelde zich aanvankelijk bij een oversteekplaats in de meander van de rivier Sarthe, ter hoogte van de huidige wijk Montsort, maar breidde vanaf de 10e eeuw uit over de voormalige moerasgronden. De regio werd gekerstend vanaf het midden van de 4e eeuw, in de eerste plaats door de Gallo-Romeinse grootgrondbezitters.

Middeleeuwen Het duurt relatief lang voor de Vikingen hier aankwamen en uiteindelijk, na de verovering van Sées in 924, een vestiging bouwden aan de noordelijke zijde van de Sarthe, tegenover Montsort-Alençon. In de 11e en 12e eeuw bleef Alençon van oorlogen gespaard en raakte niet betrokken in het conflict tussen de Bretons en de Normandiërs van Rouen en Caen. Ook tijdens de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) bleef Alençon gevrijwaard van felle strijd of verwoestingen. Het duurde daarna enige tijd voor de nodige overeenkomsten met het bisdom Le Mans konden worden getroffen. De familie De Bellême beheerde hierbij een soort bufferstaat tussen Normandië, het hertogdom Bretagne, Perche en Anjou, waardoor Alençon een geprivilegieerde positie kreeg.

Renaissance Vanaf 1414 was het een hertogdom dat voorbehouden was aan de zoon of de broer van de Franse koning. Hier regeerde Margaretha van Angoulême (1492-1549) vanaf 1509, na haar huwelijk met de hertog van Alençon. Zij was de zuster van Frans I en grootmoeder van de latere Hendrik IV. Zij werd algauw Margaretha van Alençon genoemd en maakte ook literair naam. Aan haar hof verbleven veel schrijvers en kunstenaars. Bovendien was zij de Reformatie niet ongenegen. Veel predikers, aanhangers van Luther en Calvijn, ontvluchtten de hoofdstad Parijs die de protestanten allesbehalve goedgezind was. Deze laatsten zochten hun toevlucht in deze intellectuele vrijhaven. Alençon werd zo dus het asiel voor de vervolgde geleerden, schrijvers, uitgevers en vertalers. In 1530 noemde iemand de stad “klein Duitsland”. Marguerite was ondertussen hertrouwd met Hendrik II van Navarra. Na haar werd het hertogdom opgeslorpt door de Franse kroon en de opeenvolgende koningen gebruikten het opnieuw als geschenk voor weduwes, douairières en 'verstoten' (stief)broers of (half)zusters. In 1533 bezetten de aanhangers van de Reformatie de stad. Ze plunderden de kerken en verboden de rooms-katholieke cultus. Na de dood van Frans II schonk diens zoon Karel IX het hertogdom aan zijn moeder, Catharina de' Medici, die met plezier in Alençon verbleef tot 1566 maar het daarna terugschonk aan de Franse kroon. In het midden van de 16e eeuw werd in Alençon een van de eerste drukpersen van Frankrijk geïnstalleerd door Simon Du Bois. Door het gunstig intellectueel klimaat en de verdraagzaamheid werd de stad al gauw de thuisplaats van een paar drukkerijen. Vooral de drukkersfamilie Malasis zorgde voor een lange continuïteit in Alençon.

Godsdienstoorlogen Van 1562 tot 1589 woedden er in heel Frankrijk godsdienstoorlogen. Het was een felle strijd tussen enerzijds de katholieken en anderzijds de hugenoten die pas eindigde met het Edict van Nantes (1589) waarbij de hugenoten enige mate van godsdienstvrijheid kregen. Onder Karel IX (1550-1574) werden de kerken geplunderd door de protestanten, en er volgde een kleine burgeroorlog die echter eindigde met een gelijke verdeling van de macht. De protestanten van Alençon ontsnapten zelfs aan de slachting van protestanten over heel Frankrijk na de Bartholomeusnacht in 1572 waarbij ongeveer 20.000 hugenoten werden afgeslacht.

Nieuwe Tijd Onder Kardinaal de Richelieu werd het hertogdom opgeheven, en werd Alençon, samen met Rouen en Caen, tot “généralité” van Normandië omgevormd.

Rond 1660 vond Marthe La Perrière de Franse naaldkant uit, of naaldkant van Alençon. Ze richtte in 1665 het bedrijf op dat van minister Jean-Baptiste Colbert het predicaat hofleverancier kreeg. De koninklijke manufactuur stelde in haar hoogdagen in de 18e eeuw tot wel 8.000 kantwerksters tewerk. Ondertussen fabriceerde Alençon ook diverse soorten laken onder de naam “fleuret” of “blancard”, wat een kleine industriële revolutie teweegbracht, en grote welvaart.

Bij de herroeping van het Edict van Nantes (Edict van Fontainebleau, 18 oktober 1685) verkozen de protestanten van Alençon de vlucht. Ze lieten een lege stad achter. Elisabeth de Guise kon niet veel meer doen dan de stoffelijke resten van protestanten uit het kerkhof opgraven en op straat gooien. Het ooit zo bloeiende kantwerk, de lakenindustrie en de drukkers hadden zich verspreid over Engeland, Nederland en de Kanaaleilanden, en de economie van Alençon stortte tijdelijk in. In de 18e eeuw herstelde de nijverheid en breidde de stad zich uit en werd de nieuwe wijk rond het stadhuis gebouwd.

Tijdens de Franse Revolutie bleef de stad relatief ongehavend, wat niet kan worden gezegd van de onmiddellijke omgeving ervan, die te lijden had onder de opstand van de Chouans. Zo werd ook de nochtans succesvolle cultuur van Chinese kool, ingevoerd onder (en door) Elisabeth van Orléans, en specialiteit geworden van het hertogdom Alençon, verworpen als “te adellijk”.

In de 19e eeuw werden weliswaar enkele fabrieken geopend, maar doordat Alençon de spoorlijn Parijs-Brest aan zijn neus voorbij zag gaan ten voordele van Le Mans, kwam er geen echt grote industriële ontwikkeling. Alençon werd een centrum van boekdrukkers. Alençon was ook een garnizoenstad met drie legerkazernes.

In de 20e eeuw opende Moulinex hier echter een van zijn fabrieken. Onder andere de beroemde groentemolen wordt hier vanaf 1937 gemaakt. De hele stad deelde mee in het nieuwe dynamisme en verloor haar reputatie van “Oud-Frans”.

Geografie De oppervlakte van Alençon bedroeg op ; de bevolkingsdichtheid was toen inwoners per km².

De onderstaande kaart toont de ligging van Alençon met de belangrijkste infrastructuur en aangrenzende gemeenten.

miniatuur|none|350px

Verkeer en vervoer miniatuur|Het treinstation De stad miste een aantal gelegenheden ter ontsluiting. Zo werd in 1848 besloten om de spoorlijn Parijs-Brest niet via Alençon, maar langs Le Mans en Laval te laten lopen, die altijd al de grote rivalen van Alençon waren geweest. Alençon kreeg een inferieure plaats aan de lijn Caen-Le Mans en verloor nogal wat bedrijvigheid aan de rivalen, die hun bevolking zagen verdubbelen en zelfs verviervoudigen dankzij de bijkomende werkgelegenheid.

In de jaren 1950-1970 profiteerde Alençon daarentegen van zijn positie aan de N12 (Versailles-Brest), toen het wegtransport snel aan belang won. Het dynamisme van Alençon wordt het best geïllustreerd door de vestiging van Moulinex.

Maar bij de aanleg van de snelweg A11 (Parijs-Bretagne) werd Alençon opnieuw gepasseerd, ten voordele van Le Mans dat bovendien vanaf eind 1980 bediend wordt door de TGV Atlantique vanuit Parijs. Alençon moest wachten op de snelweg A28 Rouen-Le Mans, geopend in 2005.

Tegenwoordig wordt de stad bediend door de A28 Calais-Bayonne (noord-zuid), naast de oude N138 (Rouen-Le Mans), en door de N12 (oost-west).

Alençon ligt aan de spoorlijn Caen-Le Mans-Tours, en kan vanuit Paris-Montparnasse gemakkelijk bereikt worden met de TGV Atlantique via Le Mans, of met de lijn Parijs-Granville.

Demografie

Onderstaande figuur toont het verloop van het inwonertal (bron: INSEE-tellingen).

Toerisme en bezienswaardigheden Erfgoed Civiel miniatuur|Château des Ducs Château des Ducs. In de 11e en 12e eeuw was er al een donjon met omwallingen en grachten. De versterking weerstond in die periode verschillende belegeringen. Het kasteel van de hertogen werd gebouwd onder hertog Peter II van Alençon, tussen 1367 en 1391. Tijdens de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) werd het tussen 1417 en 1449 ingenomen door Engelse troepen. Onder Hendrik IV (1553-1610) werd het kasteel in 1592 gedeeltelijk ontmanteld. Het overgrote deel van de machtige versterking werd met de grond gelijkgemaakt om Alençon te straffen voor zijn steun aan de hugenoten. In 1782, vlak voor de Franse Revolutie, werd ook de donjon gesloopt. Tussen 1768 en 1824 werd het gebruikt als tehuis voor daklozen. Na 1824 diende het ook een periode als een huis van bewaring. Er is nog slechts 10% van het oorspronkelijke geheel overgebleven, waaronder een weermuur, de toegangstoren en een gewelf. Het kasteel werd tijdens de nazibezetting gebruikt als gevangenis, waar velen gefolterd werden door de Gestapo. In 1962 werd het als monument historique geklasseerd, maar het bleef een gevangenis tot de gevangenen in 2010, samen met die van Le Mans, naar Coulaines werden overgeplaatst. Het kasteel, eigendom van het ministerie van Justitie, werd daarna aan de stad verkocht voor de symbolische prijs van 1 euro. Men hoopt er een bezoekersoord van te maken, waar men een deel van het leven van de hertogen van Alençon zal proberen te tonen.

Hôtel de Ville (Place Foch) miniatuur|Stadhuis van Alençon