De bietengordijnzwam (Cortinarius umbrinolens) is een schimmel uit de familie Cortinariaceae. De soort werd in 1980 beschreven door de Britse mycoloog P.D. Orton.

Kenmerken Uiterlijke kenmerken Hoed De hoed heeft een diameter van ongeveer 1–5 cm, soms tot circa 6 cm. Hij is aanvankelijk kegelvormig tot klokvormig en wordt later uitgespreid, meestal met een duidelijke spitse of stompe umbo. De hoed is sterk hygrofaan. In vochtige toestand is hij donker kastanjebruin, umberbruin, roodbruin tot bijna zwartbruin in het centrum; bij opdrogen verkleurt hij naar kaneelbruin of lichtere bruintinten. Jonge vruchtlichamen zijn fijn zijdeachtig vezelig. Langs de rand kunnen witte tot bleekbruine resten van het velum aanwezig zijn.

Lamellen De lamellen zijn aangehecht tot iets uitgebocht aangehecht en staan matig dicht tot vrij ver uiteen. Ze zijn aanvankelijk licht- tot melk-koffiebruin of snuifbruin en worden later roestbruin tot roest-kaneelkleurig. De lamelsnede is meestal iets bleker of gelijkgekleurd.

Steel De steel is ongeveer 3–9 cm lang en 2–8 mm dik. Hij is min of meer cilindrisch, soms iets verdikt of versmald aan de basis, en wordt op latere leeftijd vaak hol. De kleur varieert van licht umberbruin tot donker kastanje- of roodbruin, waarbij de top meestal lichter is. Een witachtig tot bleekbruin velum vormt bij jonge exemplaren vezels, vlekken en vaak een duidelijke ringvormige zone op de steel; deze resten kunnen bij oudere exemplaren grotendeels verdwijnen.

Vlees, geur en smaak Het vlees is dun en bruinachtig en verbleekt bij indrogen. De geur kan in het veld vrij zwak zijn, maar wordt volgens de oorspronkelijke beschrijving vaak sterk nadat een vruchtlichaam enige tijd in een afgesloten doos is bewaard. Orton omschreef deze geur als karakteristiek, muf en bedompt; Keizer en Arnolds beschreven hem als sterk stoffig of aards.

Microscopische kenmerken De sporen zijn ellipsoïde tot enigszins amandelvormig en hebben een matig wrattig oppervlak. Orton gaf een sporenmaat van 8–10 × 4,5–5,5 µm. Nederlands materiaal onderzocht door Keizer en Arnolds vertoonde een aanzienlijk grotere variatie: 6,8–10,5(–10,8) × (4,0–)4,5–6,0 µm, met een Q-waarde van 1,4–1,9(–2,0). Zij vonden zowel relatief kleinsporige als grootsporige collecties, met daartussen overgangsvormen.

De basidia zijn viersporig en meten volgens de oorspronkelijke beschrijving 30–38 × 7–9 µm.

Cystiden ontbreken. De lamelsnede is fertiel en bevat dus voornamelijk basidia en basidiolen; Orton vermeldde expliciet dat geen cystiden aanwezig zijn en Keizer en Arnolds vonden eveneens geen cheilocystiden.

De hyfen van de hoedhuid zijn ongeveer 3–14 µm breed en kunnen hyaliene of geïncrusteerd gepigmenteerd zijn. Daaronder komen kortere en bredere hyfen voor die tot ongeveer 40 µm breed kunnen worden. De hyfen van het velum zijn ongeveer 4–9(–12) µm breed.

Ecologie De bietengordijnzwam vormt ectomycorrhiza, meestal met berk (Betula). In Nederland wordt hij daarnaast soms in verband gebracht met eik (Quercus) en den (Pinus). Hij groeit in loof- en gemengde bossen op droog tot matig vochtig, humeus en voedselarm zuur zand of leem. Orton beschreef de soort oorspronkelijk vooral uit berkenbossen en beschouwde de associatie met berk als een belangrijk kenmerk.

Verspreiding In Nederland is de bietengordijnzwam volgens de NDFF Verspreidingsatlas algemeen. De toename van het aantal Nederlandse meldingen sinds de jaren 1980 wordt volgens de Verspreidingsatlas waarschijnlijk voor een belangrijk deel veroorzaakt door een toegenomen kennis van de taxonomie van hygrofane gordijnzwammen.

Taxonomie De naam Cortinarius rigidus is in oudere Europese literatuur ten dele verkeerd toegepast op Cortinarius umbrinolens. De NDFF Verspreidingsatlas vermeldt onder meer C. rigidus sensu J. Lange en andere auteurs als misapplicatie. De geaccepteerde naam is Cortinarius umbrinolens P.D. Orton.

Categorie:Gordijnzwammen Categorie:Schimmelsoort