Christiaan Zevenbergen (Puttershoek, 29 oktober 1897 - Utrecht, 2 februari 1976) was een Nederlands jurist. Zevenbergen was hoogleraar rechtsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht.
Zevenbergen werd geboren in de Hoeksche Waard en groeide op in Dordrecht als zoon van een landbouwer en vlashandelaar; zijn oudere broer Willem Zevenbergen zou eveneens hoogleraar rechten aan de VU worden. Hij volgde het Marnix Gymnasium te Rotterdam en studeerde vervolgens rechten aan de Vrije Universiteit Amsterdam, waar hij in 1911 zijn propedeuse behaalde, in 1913 zijn kandidaats en in 1918 zijn doctoraal. Hij was lid van het dispuut IVMBO en de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging. Aansluitend promoveerde hij op 29 september 1920 op Karakter en geschiedenis der iudicia bonae fidei; promotor was D.P.D. Fabius. In 1922 werd hij benoemd tot lector aan de VU met als leeropdracht het Romeinse recht, het handelsrecht en de burgerlijke rechtsvordering; hij hield zijn openbare les, getiteld Het karakter en de betekenis van het Romeinsch gewoonterecht, op 16 februari 1923. Volgens VU-historicus Arie van Deursen was Zevenbergens leeropdracht "buitengewoon zwaar" en lieten de hoogleraren een groot deel van hun eigen verantwoordelijkheid neerkomen bij Zevenbergen. In de controverse rondom de gereformeerde predikant Johannes Geelkerken steunde Zevenbergen net als hoogleraar Pieter Diepenhorst Geelkerken, wat hem in conflict bracht met de directeuren en curatoren van de VU. In 1927 verzorgde hij de uitgave van de Verzamelde opstellen van zijn in 1925 overleden broer Willem, die in ongenade was gevallen aan de VU; in het voorwoord nam hij het op voor zijn broer.
In 1928 werd hij vanwege het emeritaat van J.C. Naber benoemd tot gewoon hoogleraar aan de Universiteit Utrecht met als leeropdracht "Het Romeinsch recht, de Romeinsche rechtsgeschiedenis, de ontwikkeling van het recht bezien in het licht van het Romeinsche recht". Zijn oratie, gehouden op 15 oktober van dat jaar, was getiteld Aard en werking der goede trouw in het Romeinsche verbintenissenrecht. Tijdens de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog zette hij zich naar het oordeel van vele anderen niet duidelijk genoeg af tegen de bezetter; naast de niet-openbare berisping van de Utrechtse rechtenfaculteit als geheel kreeg Zevenbergen daarom een openbare berisping. De latere Groningse hoogleraar Herman Jan Scheltema noemde hem een "slapjanus". Op 15 januari 1968 ging hij met emeritaat als hoogleraar.
Zevenbergen was van 1930 tot 1944 redacteur van Themis (vanaf 1939 Rechtsgeleerd Magazijn Themis geheten) en van 1931 tot 1967 rechter-plaatsvervanger bij de Rechtbank Utrecht. Naast zijn rechtshistorische bezigheden had hij ook grote interesse in het moderne handelsrecht; hij schreef boeken over het order- en toonderpapier en over het afbetalingscontract en bewerkte delen van Willem Molengraaffs Leiddraad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht.
Categorie:Hoogleraar aan de Universiteit Utrecht Categorie:Nederlands rechtsgeleerde Categorie:Rechtshistoricus