De Priorij Scharn, ook wel Klooster Mariënbron of Augustinessenklooster van Scharn, later bekend als Hof van Sinnich, Het Kerkske(n) of Kerkskenshoeve , is een niet meer bestaande priorij of klooster van augustijner koorvrouwen in Scharn, tegenwoordig gelegen in de Nederlandse stad Maastricht. Het vrouwenklooster bestond ongeveer een eeuw, van 1145 tot 1246 en werd daarna verplaatst naar het klooster van Sinnich. Het waarschijnlijk meermaals herbouwde gebouwencomplex is na een brand in 1852 niet meer herbouwd.Van Agt (1962), p. 31.Ubachs/Evers (2005), p. 275: 'Kerkske, Het'; p. 461: 'Scharn, Adelbert van'; p. 465: 'Scheversteenhof'.

Geschiedenis Augustijnen en augustinessen De kloosterorde der augustijnen is waarschijnlijk in de elfde eeuw ontstaan, aanvankelijk als kluizenaarsorde, vanaf 1256 door paus Alexander IV erkend als reguliere bedelorde. De augustijner koorheren (Latijn: Canonici Regulares Sancti Augustini, afgekort CRSA of CanReg) waren reguliere kanunniken, leden van een religieus sticht, die in tegenstelling tot seculiere kanunniken in een kloostergemeenschap samenleefden, de priesterwijding hadden ontvangen en de orderegel van Augustinus van Hippo navolgden (de ordo antiquus of de ordo novus).

De vrouwelijke tak of tweede orde werd gevormd door augustijner koorvrouwen. Zij hadden weliswaar geen priesterwijding ontvangen, maar hadden wel plechtige kloostergeloften afgelegd, in tegenstelling tot de vele derde ordeleden of tertiarissen, die 'slechts' eenvoudige geloften aflegden. Zij hielden zich net als de augustijner koorheren bezig met het koorgebed en voorzagen daarnaast in hun eigen onderhoud.

thumb|Rolduc (Alexander Schaepkens, 1852)

Rolduc en de aanwezigheid van vrouwen De Abdij Rolduc werd in 1104 gesticht door Ailbertus van Antoing op een stuk land bij Kerkrade in het toenmalige Land van Rode. De grond was hem geschonken door Adalbert van Saffenberg. De abdij fungeerde enige tijd als familieklooster van de Van Saffenbergs. In 1119 werd het een klooster voor augustijner koorheren. Het aantal koorheren bedroeg circa 40. De abdij was oorspronkelijk een dubbelklooster, dat openstond voor zowel mannen als vrouwen, maar dat leverde al snel problemen op. Getracht werd het probleem op te lossen door de vrouwen te huisvesten op enige afstand van de abdij, nabij de dorpskerk van Kerkrade, maar ook dat werd niet door iedereen geapprecieerd.Offermans (2003), pp. 26-27.

Een oplossing werd gevonden toen zich de mogelijkheid voordeed om in het kerngebied van de Van Saffenbergs in het Ahrdal een nieuw vrouwenklooster te stichten, het (1137-1794). Toch werden er later weer vrouwen toegelaten tot Rolduc, zowel in de abdij zelf, als bij de dorpskerk in Kerkrade.Offermans (2003), pp. 78, 81-82, 87-88, 143-146.

Stichting, bloei en einde van de priorij In 1145 schonk de edelman Adelbert van Scharn (ca. 1110-na 1168), ook namens zijn echtgenote, genaamd Van Ellenburg, en hun zoon Johan, een deel van zijn goederen aan Erpo, abt van Rolduc. De schenking betrof een kapel en een hoeve te Scharn en daarnaast nog 18 bunder land op de Dousberg ("monte Dusenberg"). De schenking werd door abt Erpo gebruikt voor de stichting van een augustinessenklooster te Scharn. Volgens de Annales Rodenses was de stichting van het vrouwenklooster niet geheel volgens de wens van de schenker, die eigenlijk alleen maar wilde dat er in de kapel te Scharn missen zouden worden opgedragen door een priester van Rolduc. Ook de koorheren zelf zouden weinig op hebben gehad met de plannen van hun abt. Adelbert verkreeg de voogdij over het vrouwenklooster.Offermans (2003), pp. 87-88.

Het klooster te Scharn (Scarnen, Scarnis, Scarnia) wordt in verschillende akten uit de twaalfde en dertiende eeuw genoemd. Daaronder bevindt zich een ongedateerde schenking, waarschijnlijk omstreeks 1180, van de Maastrichtse convers (lekenbroeder) Bertold Snabbo, elders Bertoldus Snabbe genoemd. Hij schonk aan het klooster diverse hofsteden in Maastricht en regelde tevens de bestemming van de te innen cijnsen. Een andere akte uit 1214 of 1215 vermeldt schenkingen van goederen te Aken, onder andere aan de vrouwenconventen te Rolduc en Scharn. Daaruit kan worden opgemaakt dat niet alle vrouwen Rolduc voor Scharn hadden verruild (wat bevestigd wordt in de Annales Rodenses). De schenking aan het klooster te Scharn betrof een huis gelegen buiten de Burtscheiderpoort in Aken.Polak/Dijkhof (2004), pp. 131-133. Van andere schenkingen zijn geen akten bewaard, maar worden wel vermeld in de Annales Rodenses. Zo schonk Warner, genaamd de Rossige, in 1150 een hoeve en landerijen te Niedermerz en Bettenhoven aan het klooster, "samen met de drie dochters die hij had; die hebben allen het kloosterkleed aangenomen en zijn in Scharn bij de zusters geplaatst". 1150 en 1150 in de Annales Rodenses, op kgv.nl, gearchiveerd op 22 juli 2015. De Maastrichtse geestelijke Udelricus schonk in 1152 een som geld aan Rolduc en daarnaast "zoveel andere dingen" (et alia quamplurima) aan de zusters te Scharn.

De priorij van Scharn lag vlak bij de Oude Akerweg, een oude en belangrijke verbindingsweg tussen Maastricht en Aken (tegenwoordig Bemelerweg-Keerderstraatje). De burcht van de ridders van Scharn lag min of meer om de hoek (zie Huis te Scharen). Tussen het kasteel en het klooster liep echter een grens: het kasteel lag in Heer, een van de elf banken van Sint-Servaas, eigendom van het Sint-Servaaskapittel; het klooster lag in het Land van Valkenburg en viel onder de hoofdbank Meerssen. De officiële naam van het klooster zou Mariënbron (Latijn: Fons Beate Marie) zijn geweest, een naam die later werd meegenomen naar Sinnich.Ubachs/Evers (2005), p. 275: 'Kerkske, Het'. Over het functioneren van de priorij is vrijwel niets bekend. Aangenomen wordt dat de bewoonsters dezelfde kloosterregel volgden als hun mannelijke collega's in Rolduc. Dat was in elk geval zo in het acht jaar eerder vanuit Rolduc gestichte vrouwenklooster Marienthal. De zusters mochten uit hun midden een overste voordragen, die door de abt van Rolduc bevestigd moest worden.Offermans (2003), p. 81. Enkele namen van priors zijn bekend: Arnoldus, prior de Scarnen (genoemd in 1211/1212),Polak/Dijkhof (2004), p. 125. Adulphus, prior de Scarnis (1223/1224)Polak/Dijkhof (2004), p. 156. en Cornelius, prior Scarnensis (1233).Polak/Dijkhof (2004), pp. 163, 428. Van die laatste staat vast dat hij kanunnik van Rolduc was, hetgeen vrijwel zeker ook voor de andere priors van Scharn gold (zoals dat na 1246 ook voor de priors van Sinnich zou gelden).Offermans (2003), p. 369.

De priorij werd in 1246 opgeheven, toen de zusters verhuisden naar het eveneens vanuit Rolduc gestichte Klooster van Sinnich, feitelijk ook een priorij. De verhuizing naar Sinnich en de overheveling van bezittingen naar de nieuwe priorij werd geregeld in een viertal bewaard gebleven akten, waaronder de pauselijke goedkeuring door paus Innocentius IV vanuit zijn vluchtoord Lyon in 1246.Polak/Dijkhof (2004), pp. 176-184. Over de reden van de verhuizing is weinig met zekerheid bekend. Vermeld wordt slechts dat het "in overeenstemming was met het bevel van de hertog van Limburg en zijn vijf dienaren" (dapiferi) en dat het "ter ere van God en voor hun eigen voordeel was".Polak/Dijkhof (2004), p. 182. Mogelijk had de verplaatsing te maken met het feit dat Sinnich in het hertogdom Limburg lag en Scharn niet; Rolduc lag in het Land van 's-Hertogenrade, dat sinds 1136 een personele unie vormde met Limburg. Geopperd is ook dat de zusters in Scharn last hadden van personen die in Maastricht voor een gesloten stadspoort kwamen te staan.

Pachthoeve van Sinnich thumb|Klooster van Sinnich (Alexander Schaepkens, 19e eeuw) De voormalige priorij van Scharn bleef tot aan het einde van het ancien régime in bezit van Sinnich. De hof werd door de zusters verpacht als "Hof van Sinnich te Scharn". (zonder jaartal): Teuven. Cisterciënzerinnenabdij (sic!) van Sinnich (inventarisatie van het archief van de Abdij van Sinnich, 13de - 18de eeuw, BE-A0515.2121). Het Rijksarchief in België, Hasselt (online tekst op search.arch.be; zoektermen: 'oprichting', 'Hof van Sinnich' en 'Schaarn'). In de kapel werden nog tot in de 16e eeuw missen opgedragen ten gerieve van de omwonenden. Mogelijk is in die periode de lokale benaming "Het Kerkske(n)" ontstaan.Van de Venne (1957), pp. 167-169.

In 1432 werd de hoeve (toen ca. 50 bunder groot) verpacht aan een zekere Rutten uit Epen. De pachtprijs die hij jaarlijks in natura aan het klooster betaalde bedroeg 32 mud rogge, 24 bossen "peyen" (wortelen), bedoeld voor de varkens van het klooster, een kar "unne" (uien), te leveren vóór Vastenavond, met Pasen 200 eieren, en 40 grote bossen brandhout. Daarnaast verplichtte hij zich tot het leveren van hand- en spandiensten. In 1779 was Christianus Frijns pachter van de hoeve.'Onderhoud aan de weg', op amiepedia.nl, geraadpleegd op 26 augustus 2023.

De Hof van Sinnich heeft ongetwijfeld meerdere belegeringen moeten doorstaan. In 1486 zou het goed door Luikse troepen onder leiding van de graaf van Arenberg zijn verwoest. Later werd het echter weer opgebouwd, inclusief de kapel. Bij het beleg van Maastricht van 1632 werd met name in de omgeving van Amby hevig slag geleverd. Ook bij andere belegeringen lag Het Kerksken net binnen of buiten de circumvallatielinie.Zie kaartdetail op Wikimedia Commons.

Franse tijd en later thumb|Detail van de Tranchotkaart (1828) met de omgeving van Scharn ("Schaarn"). Bij de gele pijlen de Kerkskenshoeve en de Withuishof, hier "Schoenmaekershuys" genoemd In de Franse tijd werden alle kerkelijke goederen door de Franse overheid onteigend en als domeingoed verkocht. Dat gebeurde ook met de voormalige priorij van Scharn en de bijbehorende 74 bunder land. Opmerkelijk is dat op 28 september 1798 de gebouwen en een deel van de landerijen werden toegewezen aan ene C.J. Reul, oud-rentmeester van het klooster te Sinnich, als gevolmachtigde van de uit hun klooster verjaagde zusters. Zij kochten dus zelf hun bezit in Scharn weer terug.

Op de gedigitaliseerde kadasterkaart van 1842 is af te lezen dat de voormalige Hof van Sinnich met omliggende landerijen tot het omvangrijke bezit behoorde van de weduwe Schoenmaeckers-Sleypen.Zie interactieve kaart Maastricht en omgeving op hisgis.nl. Selecteer bij kaartlagen: 'Kadaster 1842 percelen (rood, open)', 'Kadaster 1842 gebouwen (naar soort)' en 'Luchtfoto'. Maria Anna Sibylle Sleypen (1768-1851) was waarschijnlijk geboren op de Withuishof, slechts enkele honderden meters verwijderd van Het Kerkske. In 1792 trouwde ze met Martin Jacob Schoenmaeckers. Drie jaar later trouwde haar zuster met een broer van Schoenmaeckers. De families Sleypen en Schoenmaeckers stonden in de Franse tijd bekend als strategische opkopers van voormalig kerkelijk en adellijk goed. Door de huwelijken van Maria Anna Sibylle en haar zuster vloeiden geld en goederen samen in één familie, waardoor een 'vastgoedimperium' ontstond "dat zijn weerga in Zuid-Limburg niet kende". (1999): Landgoed Sint-Gerlach. Kruispunt van culturen in het Land van Valkenburg, p. 80. Verschenen in de reeks Provincie Limburg van De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst. Waanders Uitgevers, Zwolle / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist (online tekst op dbnl.org).

Omstreeks 1850 was de Kerkskenshoeve eigendom van de heer Kicken, die er waarschijnlijk ook woonde. In de nacht van 3 op 4 juni 1852 werd de hoeve door een hevige brand verwoest. De schade bedroeg meer dan 10.000 gulden. Het complex moest als verloren worden beschouwd en werd niet meer herbouwd.

Andere vestigingen van augustijnen en augustinessen in Maastricht