Hollandia-Kattenburg (volledige naam: NV Hollandia-Fabrieken Kattenburg & Co) was een Nederlandse textielproducent uit Amsterdam. Het bedrijf werd in 1909 opgericht door kleermaker Jacob Nathan (Jacques) Kattenburg (1877-1947). Hollandia-Kattenburg was het eerste Nederlandse bedrijf dat waterdichte regenkleding produceerde.
Op 11 november 1942 werden 367 personeelsleden van de Hollandia-Kattenburg bij een razzia opgepakt. Zij werden samen met hun familieleden via kamp Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Van de 826 gedeporteerde personen overleefden acht personen de oorlog. De razzia was de grootste Nederlandse bedrijfsrazzia.
Oprichting en beginjaren miniatuur|Het IJ met gezicht op Hollandia-Kattenburg Jacques Kattenburg was afkomstig uit een Haarlemse familie van textielproducenten. Zijn grootvader Levi Abraham Kattenburg richtte in 1856 stoffenhandel en kleermakerij Magazijn Nederland in Haarlem op. Samen met zijn tien zonen ("het elftal van Kattenburg") opende Levi Abraham Kattenburg door heel Nederland kledingwinkels. In de Amsterdamse confectiefabriek produceerde Kattenburg onder meer uniformen voor de politie, brandweer, de schutterij, de Kweekschool voor de Zeevaart en de adelborstenschool in Den Helder. Dankzij het bedrijf had de familie goede contacten in Engeland en Frankrijk.
Rond 1900 was Engeland hét productieland van waterdichte regenjassen. In zowel West-Europa als in de tropen was hier belangstelling voor, maar er waren problemen met de Britse pasvorm, ze werden lomp en onflatteus gevonden. Kattenburg importeerde de jassen en liet deze in een atelier aan de Warmoesstraat vermaken. Door de stiksels waren de jassen echter niet meer waterdicht. Jacques Kattenburg reisde in juni 1908 naar Manchester, Engeland om het productieproces van waterdichte regenkleding te bekijken. In 1909 richtte Jacques Kattenburg in het centrum van Amsterdam een textielfabriek op onder de naam Handelsvereniging Hollandia en datzelfde jaar introduceerde Kattenburg de gummiregenjas in Nederland. Vanaf 1910 begon de export naar andere Europese landen. In 1911 werd de naam van het bedrijf veranderd in Hollandia-Kattenburg. Op dat moment had de fabriek 300 werknemers in dienst voor het maken van regenjassen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstond er een tekort aan gummi voor de productie van de regenjassen. De in 1916 gevormde nv Vereenigde Nederlandsche Rubberfabrieken in Doorwerth (waarin de nv Amsterdamsche Rubberfabrieken v.h. Pompe & Co. deelnam) kreeg een aparte afdeling om hierin te voorzien.
Op last van de brandweer moest de productie van de regenjassen verhuizen. Kattenburg bezocht samen met architect Gerrit Langhout jr. Engeland en Schotland om moderne fabrieksgebouwen te bekijken. De keuze als locatie voor de nieuwe fabriek viel op een terrein aan de overkant van het IJ. In december 1915 werd de eerste steen gelegd en in juni 1916 werd de fabriek in Amsterdam-Noord aan de Valkenweg officieel in gebruik genomen. In dat jaar werd de onderneming ook omgezet in een nv. In 1919 werd het gebouw door de groeiende vraag uitgebreid. Het personeelsbestand groeide naar meer dan 900 personeelsleden. Als verwijzing naar de Valkenweg kregen de regenjassen de merknaam Falcon.
In 1927 werd een dochteronderneming in Manchester opgericht onder de naam Kattenburg Ltd.. Door de economische crisis van 1929 beperkte veel landen de import van producten waardoor besloten werd meer te richten op de binnenlandse markt. Enkele jaren later, in 1933, werd met anderen de Hollandsche Gummifabrieken Weesp (gummeeren van stoffen, vervaardiging kunstleder) opgericht naast een volle dochteronderneming, de nv ‘Regenkleedingfabriek Brabant’ te Tilburg die in 1937 fors werd uitgebreid. Vanaf 1936 nam de export naar het buitenland weer toe. Datzelfde jaar bracht Koningin Wilhelmina een bezoek aan de fabriek. In 1938 werd Kattenburg benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
Tweede Wereldoorlog miniatuur|De fabriek van Hollandia Kattenburg aan de Valkenweg. De auto’s wachten op de pont. In november 1940 traden directeur Kattenburg en de overige directieleden af. Aangezien zij Joods waren, mochten zij het bedrijf niet meer leiden. Zij stelden twee niet Joodse bekenden aan als directie, met de bedoeling het bedrijf zo goed mogelijk onder de Duitse bezetting voort te zetten. Op dat moment werkten er ongeveer 800 mensen bij Hollandia Kattenburg. De helft van het personeel was Joods. Het bedrijf moest uniformen voor de Wehrmacht gaan maken en werd begin 1943 onder bewind geplaatst van een Verwalter. De Joodse werknemers van de fabriek waren tijdelijk vrijgesteld van deportatie omdat zij nuttig waren voor het Duitse leger. Op 25 februari 1941 nam een groot deel van het socialistisch gezinde personeel deel aan de Februaristaking.
Razzia De hoogste SS-er in Nederland H.A. Rauter wilde een eind maken aan de uitzonderingspositie van Joden die voor de Wehrmacht werkten. Hij zocht naar een middel om ze verdacht te maken. Die gelegenheid kreeg hij nadat de Joodse verzetsman Sally Dormits op 17 oktober 1942 in Rotterdam werd aangehouden nadat hij een damestasje had gestolen. Dit deed hij waarschijnlijk omdat hij een vals persoonsbewijs voor zijn vriendin nodig had. Dormits was de leider van de Nederlandse Volksmilitie, een verzetsgroep met communistische inslag. Op het politiebureau pleegde Dormits zelfmoord vlak voordat een agent hem wilde fouilleren. Zijn huis werd doorzocht door de politie en zij troffen daar lijsten van Rotterdamse verzetslieden aan. In een notitieboekje trof de Sicherheitsdienst ook de naam aan van een ontslagen medewerker van Hollandia Kattenburg, Martha Korthagen. De SD wist haar in de Scheveningse strafgevangenis zover te krijgen dat zij verklaarde dat een groep Joodse arbeiders betrokken was bij sabotagepraktijken in de fabriek. Dat klopte niet met de werkelijkheid, maar H.A. Rauter had de valse beschuldiging nodig om zijn plannen met Joden die voor het Duitse leger werkten, door te zetten.
Op 11 november 1942 vond een razzia plaats in de fabriek en 367 Joodse personeelsleden werden door de Grüne Polizei en Nederlandse politieagenten opgepakt en overgebracht naar het hoofdkwartier van de Sicherheitspolizei aan de Euterpestraat. Op het politiebureau werden de personeelsleden die Martha Korthagen aanwees als saboteurs, gescheiden van de anderen. De personen die niet werden geselecteerd werden direct afgevoerd naar kamp Westerbork. Dezelfde avond en de volgende dag werden de familieleden van huis gehaald. Later werden ook hun gezinsleden gearresteerd en afgevoerd. Van de gearresteerde personeelsleden werden 130 personen, aangewezen door Korthagen, afgevoerd naar de strafgevangenis in Scheveningen waar zij mishandeld werden tot zij misdaden bekenden die zij niet hadden gepleegd.
Op maandag 30 november 1942 werden 826 personen, de personeelsleden van de Hollandia-Kattenburg en hun gezinsleden, gedeporteerd naar Auschwitz. Dit transport staat om die reden bekend als het 'Kattenburg-transport'. Acht personen overleefden de oorlog. De zijdeur waardoor de personeelsleden werden afgevoerd werd na de oorlog dichtgemetseld. De foto's van de werknemers zijn verzameld in het 'Boek der tranen'.
Jacques Kattenburg en zijn vrouw werden afgevoerd naar Westerbork. Daar zette Kattenburg een kledingbedrijf op. Hij en zijn vrouw verbleven zo'n twee jaar in Westerbork en keerden in 1945 terug naar Amsterdam. miniatuur|Tegeltableau van Hollandia fabrieken Kattenburg & Co in 1917 Na de Tweede Wereldoorlog Na de oorlog droeg Kattenburg de leiding van de fabriek over aan zijn zoon. Jacques Kattenburg overleed in 1947. Rond 1950 werd de onderneming uitgebreid met ateliers in Volendam en Grootebroek. De productie toonde een sterk stijgende lijn, midden jaren vijftig telde Hollandia circa 1100 medewerkers. Naast de regenkleding, te verdelen in twee hoofdsoorten, te weten geïmpregneerde regenkleding van gabardine, tweed en katoen onder de merknamen Falcon en Majestic, en gegummeerde regenkleding onder de merknaam Big Ben, vervaardigde Hollandia plastic regenkleding en sinds 1949 ook pantalons en sportcostumes. Vanaf de jaren zestig liepen de winsten terug door concurrentie met lagelonenlanden.
Het bedrijf werd in 1969 overgenomen door Chas Macintosh Confectie. De fabriek werd afgebroken om plaats te maken voor een woonwijk. Door de woonwijk loopt het Hollandia Kattenburgpad, dat herinnert aan de textielfabriek. miniatuur|Monument Hollandia-Kattenburg
Monument Hollandia-Kattenburg Ter nagedachtenis aan de deportatie van de werknemers van Hollandia-Kattenburg werd een monument opgericht op het IJ-plein. De slachtoffers worden ieder jaar op 11 november herdacht.
Literatuur en links
Hollandia Kattenburg een naam Falcon een begrip, Nederlands Fabrikaat 1959 Herdenking Hollandia-Kattenburg Hollandia Kattenburg: Een fabriek in oorlogstijd. Andere Tijden (2020) Annemieke van Bockxmeer, ‘De kleermakers van de nazi’s, de razzia bij de joodse regenjassenfabriek Hollandia Kattenburg, Walburgpers 2025.
Categorie:Textielbedrijf Categorie:Voormalig bouwwerk in Amsterdam Categorie:Economie in Amsterdam