De naam Scheldevelde is in zijn verschillende etymologische vormen een geografisch gebied gelegen langs een oude Romeinse heirbaan gelegen tussen Destelbergen en Brakel als aftakking van de belangrijke heirbaan die van Bavay over Velzeke naar Colijnsplaat liep. Marc Rogge (2003). Het wegennet van de Romeinen in Gallië en Germanië – in Vlaanderen 53, kaartje p. 175.

Langs weerszijden van deze baan waren heiden en bossen gelegen, waarvan er één in de 9e eeuw met de naam Sceldehelt wordt aangeduid.Annales abbatiae sancti Petri Blandiniensis, p.72 ... et in silva que vocatur Sceldehelt

Het was een restant van het zogenaamde Scadeholt of Scheldeholt, het Karolingische koningswoud dat zich in de 9e eeuw uitstrekte van Gent tot Sint-Eloois-VijveBoretius-Krause, Capitularia regum Francorum, II, blz. 361 en nadien, onder impuls van de ontginningen, degenereerde tot een wastine. Ook de Hospicebossen gelegen in Nazareth zijn nog een restant van dit woud.

Pachtboerderij In de 13e eeuw werd het Scheldeveld genoemd als een grote oppervlakte woeste grond. In 1259 werd hier door de paters Benedictijnen van de Sint-Pietersabdij uit Gent een ontginningshoeve gebouwd, die echter maar beperkt belang had.

Op het einde van de 13e eeuw was Scheldevelde veruit het grootste pachthof in de streek tussen Gent en Oudenaarde, waardoor het van grote waarde was. De abt van de Sint-Pietersabdij schonk het in cijns aan Willem II van Vlaanderen, kleinzoon van Gwijde van Dampierre, ter gelegenheid van diens huwelijk met Beatrix van Brabant, dochter van de hertog van Brabant.

Kasteel Scheldevelde miniatuur|Kasteel Scheldevelde In de tweede helft van de 18e eeuw werd op de plaats van de boerderij een landhuis gebouwd, het latere Kasteel Scheldevelde, Van hier uit liepen straalsgewijs een zevental dreven, aangelegd omstreeks 1777.

Het domein met inmiddels versterkte hoeve met omliggende landerijen bleef in handen van de Sint-Pietersabdij tot aan de gedwongen openbare verkoop in 1797 als gevolg van de confiscatie tijdens de Franse overheersing. Het kwam in bezit van de familie Speelman en daarna van de familie De Potter-Surmont.

Sloop en herbouw In 1846 werd in opdracht van deze familie het landhuis gesloopt en een kasteeltje gebouwd in neoclassicistische stijl, naar ontwerp van Louis Minard.

Er is een gedeeltelijk omgracht kasteel met rechts daarvan een 18e-eeuws dienstgebouw en hoeve, en links een nieuw aangebouwde vleugel. In het aanliggende park zijn de zeven dreven nog aanwezig. Twee ervan vormen de noord-zuidverbinding.

Achter het kasteel zijn nog diverse koetshuizen en dienstgebouwen, de laatste gaan terug tot 1769.

De laatste private eigenaar was Zoë De Potter, echtgenote van Alfons Borluut, die het bij haar testament gedicteerd ten overstaan van notaris Van Acker op 4 juni 1858, legateerde aan aan het Bureau van Weldadigheid van Nazareth met de bedoeling er een godshuis in te richten voor bejaarden uit De Pinte. Het bejaardenhuis werd geleid door de Zusters van Liefde. Uiteindelijk kwam het aan het OCMW (een opvolger van het Bureau van Weldadigheid).Peter Lootens (1984), Van De Ponte tot De Pinte, blz. 59

Kasteel Scheldevelde is gelegen aan de Kasteellaan 33-41 in De Pinte.

Scheldevelde Categorie:Onroerend erfgoed in De Pinte Categorie:Beschermd cultuurhistorisch landschap in Vlaanderen Categorie:Geografie van Oost-Vlaanderen