thumb|300px|Kaart van 8 november 1576 tot 23 juli 1577: De periode 1576–1579 in de Tachtigjarige Oorlog vanaf de Pacificatie van Gent (8 november 1576) tot aan de Unies van Atrecht (6 januari 1579) en Utrecht (23 januari 1579) vormde een cruciale fase van het gewapend conflict tussen het Spaanse Rijk en de opstandige Verenigde Provinciën, die uiteindelijk de onafhankelijke Noord-Nederlandse Republiek zouden worden. Deze periode, die ook wel de "algemene opstand" wordt genoemd, was de enige periode van de oorlog waarin de Staten-Generaal van alle Zeventien Provinciën van de Habsburgse Nederlanden, behalve Luxemburg, gezamenlijk actief politiek en militair in opstand kwamen tegen de Spaanse rijksregering door middel van de Pacificatie van Gent. De Pacificatie formuleerde verschillende overeenkomsten tussen de opstandige provincies onderling en legde hun eisen – waaronder de onmiddellijke terugtrekking van buitenlandse (vooral Spaanse, Italiaanse en Duitse) troepen uit de Nederlanden, herstel van oude rechten en privileges en zelfbestuur – voor aan koning Filips II van Spanje.
Van 8 november 1576 tot 23 juli 1577 voerde de nieuwe Spaanse landvoogd der Nederlanden Juan van Oostenrijk (in de geschiedschrijving bekend als "Don Juan") vredesonderhandelingen met de Staten-Generaal. De Eerste Unie van Brussel (9 januari 1577) bevestigde de Pacificatie en voegde eraan toe dat de Staten de katholieke godsdienst in hun provincies zouden handhaven. Door de ondertekening van het Eeuwig Edict op 12 februari 1577 in Marche-en-Famenne aanvaardde Don Juan nominaal alle eisen van de Pacificatie. De meeste vreemde (buitenlandse) troepen trokken zich terug op het grondgebied van Luxemburg, dat zich niet bij de Pacificatie had aangesloten. Hoewel er enkele belegeringen plaatsvonden van steden met Habsburgse garnizoenen die weigerden zich terug te trekken, werden deze meestal snel opgelost door hen af te betalen; in het algemeen bood de situatie mogelijkheden om een einde te maken aan de oorlog als er overeenkomsten konden worden gesloten en nageleefd tussen de partijen.
Van 24 juli 1577 tot 6 januari 1579, te beginnen met de inname van de Citadel van Namen, lanceerden Don Juan en zijn onderbevelhebber en opvolger Alexander Farnese, hertog van Parma een militair offensief tegen de Verenigde Provinciën, terwijl ze verzoeningspogingen deden met provincies die bereid waren zich onder bepaalde voorwaarden weer aan het Spaanse koninklijk bestuur te onderwerpen. In reactie hierop toonden de Staten-Generaal in de Tweede Unie van Brussel (10 december 1577) een feller en vastberadener verzet tegen de Spaanse regering, waarbij zij nu gelijke bescherming eisten (en zelf garandeerden) voor katholieken en protestanten in alle provincies van de Nederlanden. Willem van Oranje werd de de facto politiek leider van de Verenigde Provinciën, terwijl aartshertog Matthias van Oostenrijk werd binnengehaald om Don Juan te vervangen als landvoogd.
De Slag bij Gembloers (31 januari 1578) was echter een vernietigende nederlaag voor de rebellen en velen begonnen te praten over overgave. Bovendien hadden radicale calvinisten de macht gegrepen in verschillende steden in Vlaanderen en Brabant, met name in de zogenaamde calvinistische Gentse Republiek, waardoor katholieken werden vervolgd en veel katholieke bondgenoten, die tot dan toe de opstand hadden gesteund, van zich vervreemdden en malcontenten werden. Parma slaagde erin zijn diplomatiek talent op enkele van deze malcontenten uit te oefenen en onderhandelde met verschillende katholieke edelen en regenten in verschillende zuidelijke provincies met de belofte hun belangen te respecteren in ruil voor het opgeven van de opstand. Uiteindelijk stortte het verenigde front van de Staten-Generaal op 6 januari 1579 in toen het graafschap Artesië, het graafschap Henegouwen en de stad Dowaai de Unie van Atrecht ondertekenden, met als doel terug te keren naar het katholicisme en de Spaanse regering onder gematigder eisen dan de Pacificatie. Op 17 mei 1579 ondertekenden zij een afzonderlijk vredesverdrag met de koning. In reactie daarop probeerden de meeste andere provincies en steden (vrijwel alleen in de Nederlandstalige delen van de Nederlanden) hun verbintenis met de Pacificatie en de Tweede Unie van Brussel te herbevestigen en een nog hechter politiek en militair bondgenootschap te smeden door op 23 januari 1579 de Unie van Utrecht te sluiten.
Achtergrond
Ondanks zijn vlugge herovering van de meeste plaatsen die in 1572–1573 door de opstandelingen waren veroverd, was de hertog van Alva niet in staat de opstand in de Nederlanden neer te slaan, die medio 1573 was veranderd in een uitputtingsslag tegen de resterende rebellen in Holland en Zeeland. Na het zeven maanden durende Beleg van Haarlem vroeg en kreeg Alva in december 1573 toestemming om te worden afgelost. In zijn plaats benoemde Filips II Luis de Requesens tot landvoogd en er werd gepoogd om een nieuwe politiek van matiging te voeren. Requesens slaagde er echter niet in een beleid tot stand te brengen dat zowel voor de Spaanse koning als voor de Staten van Holland en Zeeland aanvaardbaar was. Na het Spaanse staatsbankroet op 1 september 1575 en de dood van Requesens op 5 maart 1576 zaten de Spaanse huurlingenlegers zonder soldij en leiding, wat leidde tot talrijke muiterijen. De daaruit voortvloeiende Spaanse Furie, een reeks plunderingen van steden door onbetaalde muitende Habsburgse troepen, bereikte in de loop van 1576 alarmerende proporties.
Muiterijen en bijeenkomst Staten-Generaal (maart–november 1576)
Overeenkomstig het protocol werd het bestuur van de koningsgezinde provincies na Requesens' dood tijdelijk overgedragen aan de Raad van State in afwachting van de benoeming van een nieuwe landvoogd. De Raad werd onmiddellijk onder druk gezet door de Staten van Brabant – die op eigen initiatief bijeen waren gekomen zonder toestemming – die hun eisen uit de mislukte vredesbesprekingen van 1575 in Breda erhaalden: het wegsturen van de buitenlandse troepen, de aanstelling van ambtenaren afkomstig uit de Nederlanden in plaats van het buitenland en het bijeenroepen van de Staten-Generaal, die niet alleen adviesrecht maar ook medezeggenschap zou moeten hebben. De Raad van State kwam zo in een lastig parket, vooral toen koning Filips de Raad op 12 juni 1576 liet weten dat hij noch de bijeenroeping van de Staten-Generaal, noch verdere vredesonderhandelingen met Holland en Zeeland zou goedkeuren.
Ondertussen trokken in maart en april 1576 ongeveer 1.300 Habsburgse lichte cavaleristen, van wie sommigen al zes jaar geen soldij hadden ontvangen, naar Vlaanderen en Brabant en begonnen te plunderen. Ook toen op 30 juni 1576 het Beleg van Zierikzee eindigde met een royalistische overwinning, sloegen regeringstroepen aan het muiten. 5.300 Spaanse muiters uit Zierikzee rukten op naar Vlaanderen; na onderweg het platteland te hebben geplunderend, beroofd en afgeperst, pleegden zij de Plundering van Aalst (25 juli 1576) en gebruikten Aalst (Oost-Vlaanderen) als uitvalsbasis voor verdere plunderingen, waarbij zelfs de hoofdstad Brussel werd bedreigd. De loyale provincies hadden de koninklijke regering tot nu toe met enige tegenzin gesteund tegen de opstand, maar nu was er een koningsgezinde stad geplunderd. Onder druk van de provinciale Staten verklaarde de Raad de muiters tot staatsvijanden en machtigde de Staten van Brabant om een leger op te been te brengen om zich te verdedigen tegen zowel de muiters als de troepen van Willem van Oranje. De Brabantse Staten wierven daarna inderdaad hun eigen troepen om Brussel te beschermen. De Vlaamse Staten volgden spoedig hun voorbeeld.
Veel leden van de loyale oppositie waren echter niet tevreden met het antwoord van de Raad van State, aangezien deze nog steeds weigerde de Staten-Generaal bijeen te roepen en vredesbesprekingen met de rebellen te voeren. Op 4 september 1576 namen Brabantse soldaten onder leiding van de heer van Heeze de leden van de Raad van State gevangen te Brussel. Het is onbekend wie er achter deze staatsgreep zat; hoewel Willem van Oranje de peetvader van Heeze was, zou het ook Filips III van Croÿ (hertog van Aarschot) kunnen zijn geweest, die zelf lid was van de Raad en leider van de katholieke royalistische gematigden die vrede zochten met Willem. De volgende dag werd de pro-Spaanse regering afgezet en op 6 september stuurden de Staten van Brabant uitnodigingen naar de provincies om de Staten-Generaal bijeen te roepen. Daarmee schonden ze het koninklijk voorrecht om de Staten-Generaal bijeen te roepen en legers op de been te brengen. Aanvankelijk zouden alleen Vlaanderen en Henegouwen op de Brabantse uitnodiging ingaan. Om hun gevoel van legitimiteit te vergroten, lieten de Brabantse Staten enkele leden van de Raad weer vrij, zoals de ouder wordende Viglius, om nieuwe uitnodigingen te schrijven en te versturen. thumb|Anonieme verbeelding (geschilderd rond 1585) van de Spaanse Furie te Antwerpen (collectie Museum aan de Stroom) De onlangs door de Brabantse Staten aangeworven troepen werden verslagen door een muitende Spaanse troepenmacht in de Slag bij Vissenaken (14 september 1576). Om verdere wreedheden in hun provincie te voorkomen, besloten de Staten van Vlaanderen tot het Beleg van het Spanjaardenkasteel (15 september – 11 november 1576), een kasteel in Gent met een Spaans garnizoen dat dreigde te gaan muiten. Ze hadden echter moeite om de aanval uit te voeren en besloten hulp te vragen aan Willem van Oranje, die eind september Hollandse soldaten naar Gent stuurde. De vergadering van de Staten-Generaal begon op 25 september 1576 en werd aanvankelijk alleen bijgewoond door vertegenwoordigers van Brabant, Vlaanderen en Henegouwen. De Staten-Generaal stelden een Raad van Oorlog in als het nieuwe hoogste orgaan van het Habsburgs-Nederlandse leger, benoemden Aarschot tot nieuwe opperbevelhebber, Filips van Lalaing (stadhouder van Henegouwen) tot luitenant-generaal en Anton van Goignies tot veldmaarschalk (marischal du camp). In oktober en november 1576 werden andere edelen benoemd in hoge militaire functies.
Intussen had de situatie als gevolg van de grootschalige muiterijen het dagelijks leven in Vlaanderen en Brabant grondig ontwricht, waar plattelandsbewoners zich bewapenden tegen de muiters (en daarvoor soms hun koeien verkochten), of vluchtten naar de veiligheid van de ommuurde steden. Ook besmettelijke ziekten verspreidden zich. Burgers probeerden de bewegingen van de muiters te beperken door wegen te blokkeren, bruggen af te breken en schepen tot zinken te brengen, waardoor het verkeer werd verstoord, inclusief de postcommunicatie die nou juist belangrijk was voor de coördinatie van gezamenlijke acties. De Spaanse Furie te Maastricht (20 oktober 1576) leidde tot nog meer Spaanse muiters die een stad plunderden en veel zichzelf verdedigende burgers mishandelden en doodden.