Johann Gerhard Oncken (26 januari 1800 - 2 januari 1884) was een pionier in de Duitse baptistenkerk en heeft een aantal titels zoals: "vader van de continentale baptisten", de "vader van de Duitse baptisten" en de "apostel van de Europese baptisten" genoemd. Samen met Gottfried Wilhelm Lehmann (1799–1882) en Julius Köbner (1806–1884) stonden ze bekend als het baptistenklaverblad. Oncken hielp een halve eeuw lang met de groei en ontwikkeling van de baptisten in heel Duitsland en in een groot deel van Europa.
Zijn jeugd Johann Gerhard Oncken werd geboren in Varel, een stad in het hertogdom Oldenburg . Zijn vader was om politieke redenen naar Engeland gevlucht en omdat zijn moeder voor de kost moest zorgen is hij opgevoed door zijn grootouders Als kind is Oncken luthers gedoopt en in 1814 deed hij confirmatie.
Al op jonge leeftijd begon Oncken met werken in een restaurant. Daar ontmoette hij de Schotse koopman John Walker Anderson. De koopman nam hem mee op reizen naar Schotland, Nederland, Engeland en Frankrijk.
In Engeland kwam hij in contact met christenen uit de opwekkingsbeweging. Zo kwam Johann als een overtuigd christen terug in Duitsland. Hij ging in Hamburg wonen en werkte voor de British Bible Society Continental Society for Promoting the Gospel. In Hamburg vond hij ook zijn kerkelijk thuis bij een vrije Duitse/ Engelse gemeente die huissamenkomsten hielden, totdat in 1827 een kerk werd gebouwd.
In 1825 werd in Hamburg door het werk van Oncken en dominee Rautenberg de eerste Duitse zondagsschool opgericht. Ze leerden de armste kinderen behalve lezen en schrijven ook het christelijke geloof. Oncken had in 1826 het plan om ook in Bremen een zondagsschool voor de arme kinderen op te richten. Maar kreeg hiervoor geen toestemming van de senaat van Bremen. Tegelijkertijd kreeg de Bremer politie opdracht om Oncken uit de stad te verwijderen. Dit is niet gelukt, want uit bronnen blijkt dat zowel op 30 november als op 4 december van hetzelfde jaar "tot vele honderden mensen in Bremen" predikte .
Oncken ondernam veel zendingsreizen in Noordwest Duitsland. In 1828 ontving Oncken een aanstelling van de Edinburgh Bible Society. Hij besteedde meer dan een halve eeuw aan het verspreiden van traktaten en bijbels en in 1879 schatte hij dat hij meer dan twee miljoen bijbels had uitgedeeld.
Oncken wordt baptist Door intensieve bijbelstudie kwam Oncken tot het besef dat een christelijke kerk alleen kan bestaan uit degenen die persoonlijk hebben besloten om Jezus Christus te volgen en zich laten dopen als gevolg van deze beslissing. Vanaf dat moment beschouwde hij een band tussen kerk en staat als onbijbels.
Hoewel hij in 1829 nog steeds lid was van een kerk die de kinderdoop onderwees was hij niet langer overtuigd van de kinderdoop. Want in dat jaar weigerde hij zijn kind te laten dopen. Hij besprak de doopkwestie met zijn predikant T.W. Matthews en anderen. Hierdoor raakte Matthews ervan overtuigd dat hij door onderdompeling gedoopt moest worden hij nam ontslag uit zijn kerk en reisde naar Engeland om zich te laten dopen. In 1829 correspondeerde Oncken met James Haldane uit Schotland. Haldane raadde Oncken aan zichzelf te dopen, zoals John Smyth had gedaan. Oncken miste daarvoor een Bijbelse onderbouwing, en zei over Haldane's advies: "Zelfs grote mannen kunnen fouten maken." Oncken correspondeerde ook met Joseph Ivimey. Van Ivimey kreeg hij de uitnodiging om naar Londen te komen en de doop van gelovigen te ontvangen. Maar ook dit aanbod sloeg Oncken af.
Hij had ook in Hamburg gedoopt kunnen worden; er was een kring rondom de heer von Lücken die de volwassendoop praktiseerde maar Oncken zag zichzelf als een calvinist terwijl deze groep geloofde in de leer van de universele verzoening.
Dat Oncken uiteindelijk werd gedoopt en vervolgens lid werd van de baptistenbeweging is te danken aan een bijzondere omstandigheid. De Amerikaanse kapitein Calvin Tubbs, een lid van de Sansom Street Baptist Church in Philadelphia moest in de herfst van 1829 vanwege het ijs overwinteren Hamburg. Hij werd opgenomen door de familie Oncken. In zijn zes maanden lange verblijf kreeg hij goed contact met Oncken en maakte hem bekend met de leer en praktijk van de American Baptist Churches . Bij zijn terugkeer lichtte Tubbs zijn gemeenteleden in over de gesprekken die in Hamburg werden gevoerd. Het nieuws bereikte ook Barnas Sears, een baptistentheologieprofessor en dominee die van plan was aan Duitse universiteiten te gaan studeren. Na zijn aankomst in Duitsland nam hij contact op met Oncken en de kring die zich om hem heen had gevormd en doopte hem en zes andere doopkandidaten, waaronder de vrouw van Oncken, op 22 april 1834 om middernacht in de Elbe.
Oprichting van de Duitse Baptisten kerk De volgende dag stichtte Sears de eerste baptistenkerk in Hamburg. Sears wijdde Oncken in als hun oudste en predikant. De kerk groeide snel tot 68 leden in 1836. Hoewel de baptisten aanvankelijk 's nachts dopen, begon Oncken in 1837 openlijk te dopen. Dat jaar doopte hij op Pinksterzondag zijn mede-Duitse baptistenpionier Gottfried Wilhelm Lehmann. De Duitse autoriteiten deelden de traditionele christelijke oppositie tegen de herdoop. Ze waren ook van mening dat het onderdompelen van mensen in de rivier een overtreding was van de openbare zeden. De burgerlijke autoriteiten gaven hun na de brand in Hamburg van 1842 een tijdje rust, dankzij de hulp die de baptisten aan de inwoners van de stad gaven. De jonge gemeente kreeg enige bescherming van de toenmalige politiechef van Hamburg, Martin Hieronymus Hudtwalcker. Over de ontvangen klachten tegen "Oncken en Co." merkte hij onder meer op: "Als sekten opstaan en worden toegejuicht, is dat altijd een zeker teken dat de heersende kerk in verval is."
Julius Köbner, een Joodse christen van Deense afkomst, werd in 1836 door Onckens werk ook lid van Hamburgse baptistengemeenten. Later zou Köbner zelf het evangelie gaan verkondigen.
Contacten met Mennonieten In zijn periode in Hamburg maakte Oncken kennis met Jacob Gysbert van der Smissen, een diaken uit de doopsgezinde kerk. Oncken bezocht in 1833 de doopsgezinde kerken in Polen en predikte ongeveer zes weken in het gebied. In 1869 bezocht Oncken de Mennonieten Broeder Gemeente en hielp daar bij de wijding van verschillende als ouderling, predikant en diaken. Na zijn vertrek bleef Oncken contact houden met deze groep. Er ontstond een probleem tussen Oncken en de Mennonieten toen de kerk tabaksgebruik verbood en verschillende leden die het gebruikten, excommuniceerde. Oncken gebruikte zelf tabak en was het niet eens met deze maatregel.
Ontwikkelingen in Duitsland De Hamburgse kerk groeide en ontwikkelde zich door Onckens onvermoeibare reizen en werd zo een springplank voor verdere kerkplantingen. Zo werd in 1837 een Berlijnse baptistengemeente opgericht. In hetzelfde jaar werd een gemeente in Oldenburg gesticht In 1838 volgde een gemeente in Stuttgart en eind augustus 1840 werd in Jever een kerk gesticht. Hier had Oncken in 1837 al een doopdienst gehouden. Hieruit kwamen onder anderen Anton Friedrich Remmers en Johann Ludwig Hinrichs voort, die belangrijke bijdragen leverden aan de verspreiding van de baptistenbeweging. Ook Johann Heinrich Ludwig Pielstick, die later de opvolger van Oncken zou worden in de leiding van de Hamburgse gemeente, kwam uit deze gemeente. De baptistengemeente in Jever, ontwikkelde zich tot een bijzonder zendingscentrum. Ze werd de moeder van alle Oost-Friese gemeenten en was tegelijkertijd het begin van de Nederlandse baptistengemeenten. De Berlijnse oudste Gottfried Wilhelm Lehmann was namens Oncken verantwoordelijk voor de verspreiding van de kerk in het toenmalige Pruissen.
In 1848 waren er vanuit Hamburg 25 baptistengemeentes in Duitsland gepland. Door het werk van Julius Köbner werden er in Denemarken vijf gemeentes opgericht. Ook in Nederland en Zweden waren er in die tijd de eerste beginselen van de baptistenkerk. Colporteurs speelden een bijzondere rol in de verbreiding van de baptistenleer. De geschriften die ze verspreidden, kwamen in de verste uithoeken van Duitsland. Hun activiteit bleek bijzonder effectief te zijn wanneer zeker wanneer er geen kerk was. Oncken richtte zijn aandacht ook op reizende ambachtslieden die na verloop van tijd hun weg naar de Hamburgse gemeenschap vonden. Hij gaf hen een korte theologische opleiding aan en zond hen uit als missionarissen. Drie van de vele voorbeelden hiervan zijn de timmerman Johann Carl Cramer, de smid Johann Pieter de Neui en de boekbinder Anton Friedrich Remmers. In de eerste tien jaar van de Duitse baptistenbeweging kwam 80% van de gedoopte leden uit de ambachtelijke klasse.
De verspreiding van de baptistenbeweging in Duitsland en Denemarken ging niet zonder slag of stoot, maar had te maken met massale vervolging door staats- en kerkelijke autoriteiten. Zo was er een verbod op bijeenkomsten en waren boetes en gevangenisstraffen voor het houden van "erediensten, doopdiensten en het vieren van het Avondmaal".
Rond 1837 werd senator Binder gekozen door het stadsbestuur van Hamburg. Hoewel hij Oncken niet persoonlijk kende, wilde hij een einde maken aan zijn bediening. Na zes jaar van vrede en vrijheid te hebben genoten werd Oncken voor Binder geroepen. Die kwam met de boodschap dat zolang de senator zijn pink kon bewegen, hij het werk van Oncken onmogelijk zou maken. Oncken antwoordde: "Ik denk, meneer, dat u niet ziet wat ik zie, het is geen pink, maar de machtige arm van God die mij helpt." Nu was Binder vastbesloten zijn stad te verlossen van al die 'Amerikaanse' onbeschaamdheid en beloofde Oncken dat de senaat de volledige kosten van het transport van hem en zijn gezin naar de Verenigde Staten op zich zou nemen. Oncken weigerde het aanbod en beweerde dat God hem naar Hamburg had geroepen en dat hij daar moest blijven. Het stadsbestuur, was meer dan ooit vastbesloten om Oncken tegen te houden. Ze lieten hem vier weken opsluiten in de Winserbaum-gevangenis, een plek gebouwd op palen boven de riolering van de stad. Door het verblijf in de gevangenschap kreeg Oncken blijvende pijn op de borst door het constant inademen van het gas. Zijn kerk bleef echter bijeenkomen hoewel er zware boetes aan hen werden opgelegd. Vaak verzamelde de hele gemeente zich buiten de gevangenis om naar hun predikant te zwaaien en bemoedigende woorden te roepen. Al snel werden dominee Köbner en diaken Lange ook gevangengezet. De drie mannen ontdekten elkaar al snel waar ze waren toen Lange een hymne aanhief en hem hoorde begonnen de anderen mee te zingen met de lofliederen.
De kerk communiceerde met de gevangenen door middel van een koffiepot met dubbele bodem. Ze brachten koffie en gebak mee voor hun vrienden die berichten uit de pot konden halen en terugschrijven. De bewaarder meldde dit aan een senator die de pot in beslag nam. Hij haalde een stuk papier tevoorschijn, in de verwachting dat het bewijs zou zijn van Onckens 'buitenlandse intriges', maar las de al even alarmerende woorden "Beste broeder: Het werk van de Heer gaat goed, moge dat uw geest troosten en verfrissen. Gisteren hebben we elkaar op twaalf plaatsen ontmoet; de politie jaagt op ons, maar heeft ons niet gevonden.”
In maart 1841 kregen de "wederdoper Johann G. Oncken zu Hamburg" een verbod om het koninkrijk Hannover binnen te komen en er doorheen te reizen.