Vulnetari (Albanees: vulnetarë; Nederlands: vrijwiliggers) is de benaming van een etnisch Albanese militie actief in Kosovo gedurende de Tweede Wereldoorlog. De eenheid was een vrijwilligerskorps dat collaboreerde met het Koninkrijk Italië en later met Nazi-Duitsland. De militie diende aanvankelijk als grenswacht maar vocht ook mee in veldslagen tegen de rivaliserende legers, zoals tegen de Joegoslavische partizanen en de Servische Četniks. De Vulnetari richtte zich echter ook op de Servische burgerbevolking waarna gruwelijke aanvallen op Serviërs, zoals afbranden van hun dorpen, verdrijvingen en moordpartijen volgden.

De eenheid De Vulnetari ("vrijwilligers" in het Albanees) worden beschouwd als collaborerende strijdkrachten van de Asmogendheden. De opkomst van de eenheid was mede het gevolg van etnische spanningen tussen Albanezen en Serviërs. Een groot deel van de Albanese bevolking verzette zich tegen het Joegoslavische bestuur, mede als gevolg dat Servische (en Montenegrijnse) kolonisten zich door het politieke beleid in Kosovo vestigden. Toen Joegoslavië in april 1941 door Duitsland en Italië werd verslagen, ontstond de mogelijkheid om grote delen van Kosovo onder het door Italië gecontroleerde Albanese bestuur te brengen. Het vooruitzicht van een politiek gebied waarin meer Albanezen verenigd zouden worden - aangeduid als Groot-Albanië - droeg eraan bij dat Kosovaarse-Albanezen met de nieuwe machthebbers samenwerkten. De Vulnetari diende vooral als grensbewaking. Ook werden eenheden ingezet in veldslagen om aan Italiaanse/Duitse zijde mee te vechten.

De geschatte omvang bedroeg enkele duizenden soldaten; vaak wordt een totaal van ongeveer 5.000 tot 6.000 genoemd. Een kenmerkend identificatiemiddel was een rood-zwarte band om de arm, verwijzend naar de Albanese kleuren. Naast militaire activiteiten was de eenheid verantwoordelijk voor gewelddadigheden tegen etnische minderheden, vooral tegen Serviërs, dorpen werden afgebrand en er vonden vedrijvingen en executies plaats. Schattingen van omgebrachtte Serviërs in Kosovo tijdens de Tweede Wereldoorlog lopen op tot 10.000. Wreedheden Tijdens een missie onder leiding van commandant Bislim Bajgora brandden de Albanese troepen 22 dorpen af en vermoordden hierbij 150 Serviërs.

Op 30 september 1941 werden Servische dorpen in de streek Drenice aangevallen. Meedogenloze aanvallen op het dorpen Ibarski Kolašin volgden en duurden tot 10 oktober 1941. Deze aanvallen waren zo gewelddadig dat de Duitsers het de "bloedige golf" noemden.

Op 17 oktober 1941 werd het dorp Dobruša, dichtbij Pejë, aangevallen door de Vulnetari. De aanval werd geleid door Xhevat Begoli. Huizen in Dobruša werden vervolgens geplunderd en platgebrand.

In de periode november - december 1941 waren de eenheden van de Vulnetari onder bevel van Shaban Polluzha betrokken bij de verdediging van Novi Pazar tegen de Cetnik-Joegoslavische partizanen. Op 16 november vielen Albanese troepen Raška aan.

Op 30 januari 1943 veroverden de Vulnetari het Servische dorpje Grbole en terroriseerden de inwoners. Huizen en boerderijen van de Servische bevolking werden geplunderd door de Vulnetari.

Categorie:Paramilitaire organisatie Categorie:Tweede Wereldoorlog in Joegoslavië