Het vals judasoor (Schizophyllum amplum) is een schimmel behorend tot de familie Schizophyllaceae. Hij komt voor in bossen, struikgewas en bermen. Hij leeft saprotroof, met name op dode maar dunne takken van wilg en vooral populier. Vruchtlichamen vormen zich van voorjaar tot herfst meestal in groepjes, vooral tijdens langer durende periodes van nat weer.

Taxonomie De soort werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Joseph-Henri Léveillé in 1848 onder de naam Cyphella ampla. De huidige naam, erkend door Index Fungorum, werd in 1996 gegeven door Karen K. Nakasone.

Kenmerken Uiterlijke kenmerken Vruchtlichamen zijn aanvankelijk rond schelpvormig, later bijna vlak. De rand is meestal naar binnen gekeerd. De aanhechting aan de dode tak is zijdelings of ruggelings, een steel ontbreekt. De bovenzijde is viltig wit, soms groenig door algen. Het hymenium aan de onderzijde is lichtbruin, leemachtig, roodbruin of chocoladebruin van kleur, glad, licht stoffig en golvend. Het vruchtvlees is dun, elastisch leerachtig en enigszins geaderd. Door droogte verschrompelde exemplaren herstellen na bevochtiging. De zwam heeft geen duidelijke geur of smaak.

Microscopische kenmerken De sporenprint is wit of iets crème. De sporen zijn cillindrisch, licht gebogen, glad, kleurloos en meten 7–9 × 2–3 µm.

Verspreiding Het vals judasoor komt voor in Europa, Noord-Amerika, Azië, Australië en Nieuw-Zeeland. In Nederland en België komt hij op kleigronden algemeen voor, daarbuiten vrij algemeen. Hij staat op de rode lijst en is niet bedreigd.

Categorie:Schizophyllaceae Categorie:Schimmelsoort