Prad (Progressive Advertising) was een reclamebureau uit Amsterdam. Van 1963 tot 1977 was Prad het grootste reclamebureau van Nederland. Prad maakte campagnes voor bedrijven als Albert Heijn, Philips, De Bijenkorf en het Nederlands Zuivelbureau. Ze waren de bedenkers van onder andere de Premie van de Maand Club, Joris Driepinter, de term 'vlaflip' en de M-Brigade. In de jaren '70 speelde Prad een grote rol in de overgang van reclame naar marketing-communicatie. Op 30 april 1991 werd het bureau opgekocht door Publicis.FCB Europe.

Oprichting miniatuur|Reclame voor Opekta door Arc's (1936). Het logo van Arc's is rechts zichtbaar. Prad werd opgericht door reclamemaker Maurits Aronson en Jozef Horsman. Aronson kreeg als directeur de leiding over het bureau. Aronson en Horsman hadden reeds vele jaren ervaring in het reclamevak en waren voor de Tweede Wereldoorlog werkzaam geweest bij reclamebureaus als Remaco, DelaMar, Palm en Arc's. De financiering van het bedrijf werd gedeeltelijk gedaan door Aronsons neef Walter Aronson, een succesvol bonthandelaar.

Voor Aronson was Prad niet het eerste bureau dat hij oprichtte. In 1931 richtte hij samen met Damas Hoogendijk ‘Advertentie- en Uitgeversbedrijf Arc's’ (Aronson en Compagnons) op, waar reclameman Carl Palm zich op een later moment bijvoegde. Arc's bedacht campagnes voor onder meer Opekta.

De samenwerking viel door het uitbreken van de oorlog uiteen. Palm ging in 1941 zijn eigen weg en de joodse Aronson besloot om samen met zijn vrouw onder te duiken. Tijdens de oorlog werkte Aronson nog maar sporadisch.

Jozef Horsman had zich na het uiteenvallen van Arc's bij het reclamebureau van Carl Palm gevoegd. Aronson wist hem na de bevrijding bij Palm weg te lokken en in december 1945 begonnen zij reclamebureau Prad.

Beginjaren Ondanks de schaarste en het gebruik van voedselbonnen net na de Tweede Wereldoorlog werd er voor merken als Blue Band, Philips, Douwe Egberts en Erdal reclame gemaakt. Vergeleken bij reclamebureaus DelaMar (onder leiding van Cor Bandt en Eddy de Smet), Palm (Carl Palm) en Smit's (Joost Smit) die tijdens de oorlog hun werkzaamheden hadden kunnen voortzetten, had het net opgerichte Prad nog een achterstand. Desondanks had Prad tegen 1947 grote klanten, waaronder Albert Heijn, Duyvis, Bruynzeel en de Regeringsvoorlichtingsdienst. Het reclamebureau was in de beginjaren gevestigd aan de Keizersgracht 534.

Volgens oud-medewerker Co Alberts leek het aan de ene zijde gemakkelijk om reclame te maken in deze periode, gezien de hoge vraag naar producten. Tegelijkertijd waren budgetten van bedrijven beperkt. Alberts, die vanaf 1949 werkzaam was bij Prad, stelde dat grote bedrijven reclamebureaus meer dan eens als bank gebruikten.

De Regelen voor het Advertentiewezen, de schakel tussen klant, reclamebureau en de media, stelden dat de media binnen een maand door het reclamebureau betaald moesten worden. Sommige media boden een krediet van 25.000 gulden of meer aan, echter lieten klanten het wel eens afweten met de betaling aan het bureau waardoor het bureau met een schuld bleef zitten. Dankzij het economisch herstel eind jaren '40, werden deze financiële problemen geleidelijk aan overwonnen.

Interad In 1949 volgde een overname van bureau Keman & Co. Het bureau stond onder leiding van reclamemaker Jan Keman. Keman was voor de oorlog reclamechef geweest bij De Bijenkorf. Het bureau was vanwege financieel wanbeheer bijna ten onder gegaan. Bij de overname van het bureau werd het personeelsbestand flink ingekrompen. Met minder personeel, maar met tegelijkertijd hogere inkomsten, was het bedrijf ongeveer een jaar later schuldenvrij. Begin jaren '50 werd Keman toegevoegd aan het team bij Prad en werd het bureau omgedoopt tot Interad met daarbij Hendrik Eduard Janssen aan het hoofd.

Janssen was de opvolger geweest van Keman bij de Bijenkorf en was werkzaam geweest voor het Centraal Brouwerij Kantoor waar hij verantwoordelijk was geweest voor de campagne ‘Het bier is weer best’. Janssen had een grote reputatie, maar was tegelijkertijd ook een controversieel figuur binnen Prad. Hij stond bekend om zijn grote mond en grove taalgebruik. Dit leidde ertoe dat de voltallige bezetting van de typekamer na een opmerking van Janssen gelijktijdig hun ontslag indiende. Over een reclamecampagne voor de Bijenkorf zei hij dat de teksten “zo geil” moesten zijn dat “die wijven met hun handen aan hun trut naar de Bijenkorf rennen”. Ondanks de controversiële uitspraken speelde Janssen een zeer belangrijke rol binnen Prad. Onder invloed van Janssen werd het Centraal Brouwerij Kantoor, voorheen klant van Smit’s, binnengehaald bij Prad. Ook werden onder meer de PTT Draadomroep, Menko en kledingproducent Sturka binnengehaald als klanten bij Interad. Het voormalige kantoor van Interad aan de Beursstraat werd binnen een jaar na de overname te klein, waardoor het verhuisde naar een ander pand aan het Rokin.

Het personeelsbestand bij Interad werd uitgebreid met onder anderen Gregor Frenkel Frank. Frenkel Frank startte als assistent-directeur en klom al snel op tot creatieve account-executive. In deze hoedanigheid focuste hij zich hoofdzakelijk op klanten uit de mode-industrie zoals AKU en Sturka. Naast Gregor Frenkel Frank sloten midden jaren '50 ook Dimitri Frenkel Frank, Herman Pieter de Boer, Cees Nooteboom en Pieter Goemans zich aan bij Interad.

Doordat Janssen zijn erkenningsexamen voor de reclame niet wist te behalen, werd er een wisseltruc uitgevoerd. Een deel van het personeel van Interad verhuisde naar het kantoor van Prad aan de Sarphatistraat, maar bleef onder de eigen naam bestaan. Interad kreeg een nieuwe directeur. Onder directeur Willem Veldhuysen werd de focus van Interad verschoven naar marketing met klanten als Van Nelle, Gillette, Seven-Up en verzorgingsproductenproducent Beecham. Janssen bleef een belangrijk figuur binnen het bedrijf. Hij gaf tal van lezingen, was regelmatig jurylid en verscheen op televisie.

De Bijenkorf als klant miniatuur|Affiche ‘Ons Huis, Ons Thuis’, omstreeks 1950 In 1951 werd mede onder invloed van Janssen en door reclame-adviseur van de Bijenkorf Martin Lederman het warenhuis toegevoegd aan het klantenbestand van Prad. Lederman was sinds de jaren '30 betrokken bij vernieuwingen binnen de Bijenkorf en was zowel in binnen- als buitenland, waaronder Zweden, de Verenigde Staten en Canada, werkzaam voor grote warenhuizen. Lederman was op zoek naar een creatief reclamebureau dat kon voorzien in de thematische reclame die hij voor ogen had voor het warenhuis en kwam op die manier bij Prad uit.

Jaren later bleek dat J. Hakker, reclamechef bij de Bijenkorf, wat terughoudend was geweest wat betreft de keuze voor Prad omdat het bureau ook concurrent Modemagazijnen Gebroeders Gerzon als klant hadden. Lederman vond het echter geen probleem en ook het bestuur van Gerzon “was niet kinderachtig”, aldus Aronson. Als voorwaarde werd wel gesteld dat de ontwerpen in twee huizen werden gemaakt.

Het werk voor de Bijenkorf zorgde voor veel inkomsten. Zo werden er voor de campagne voor 'de Bijenkorf 80 jaar jong' uit 1950 paginagrote advertenties geproduceerd. Voor het werk van de Bijenkorf werden tekstschrijver Dimitri Frenkel Frank en artdirector Joop Smit ingeschakeld. De ontwerpen van de lay-outs en illustraties waren aan de hand van ontwerper Martin Meijer. Na het overlijden van Meijer werd de Amerikaanse artdirector Morton Kirschner ingeschakeld. Kirschner hanteerde een Amerikaanse aanpak die niet altijd leek te werken. Na acht maanden werd zijn rol overgenomen door Joop Smit, Nico van Rossum en vanaf 1966 voegde Herman Gerritzen zich bij het team.

Het warenhuis was gericht op vernieuwing en wilde zich onderscheiden van warenhuizen als de V&D die het middensegment domineerde. De cultuur van het warenhuis liet ruimte voor opmerkelijke reclame-uitingen. Prad produceerde reclames voor onder meer “Ons huis ons thuis”, grote zomeracties, campagnes voor seizoensmode, de Witte Week en allerhande advertenties en catalogi. De Bijenkorf bleef meer dan twintig jaar, tot 1971, klant bij Prad.

Economische groei in de jaren '50 en '60 miniatuur|Stofzuiger van Hoover gefotografeerd door atelier Merkelbach voor reclamebureau Prad De economische groei in de jaren '50 en '60 van de twintigste eeuw zorgde voor veel vernieuwingen. De introductie van balpennen, nylonkousen, bromfietsen, oploskoffie, snelkookrijst, allerhande elektrische apparaten en huishoudelijke producten zorgden voor een grote verandering binnen het huishouden. Ook bedrijven als Albert Heijn en warenhuizen zoals De Bijenkorf en Vroom & Dreesmann maakten een grote groei door. Nadat reclamebureau Arc's, waar Prad-directeur Aronson bij betrokken was, in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog uiteenviel, gingen deze bedrijven op zoek naar nieuwe reclamebureaus.

Het Voorlichtingsbureau voor Thee, een grote klant van Arc's in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog, werd klant bij Prad. Dit gold eveneens voor sigarettenmerk Laurens (Caballero sigaretten), elektronicabedrijf Philips en supermarktketen Albert Heijn. Door de groei verhuisde het bureau naar een kantoor met twee verdiepingen aan de Herengracht en enkele jaren later naar een pand aan de Kerkstraat. Tegen de jaren 1950 had Prad vijftig illustratoren in dienst.

Reputatie en vernieuwingsslag Directeur Aronson werd omschreven als een charmante directeur die zijn connecties en joodse achtergrond goed wist te gebruiken. Hierdoor haalde hij het warenhuis Modemagazijnen Gebroeders Gerzon en Jacques Mot binnen als klanten. Jacques Mot was agent voor onder meer de persoonlijke verzorgingsproducten van Macleans, Brylcreem, Playtex en Max Factor. Voor deze bedrijven maakte Prad meerdere campagnes. links|miniatuur|Reclamefoto van lippenstift door atelier Merkelbach voor reclamebureau Prad Prad had in de beginjaren geen account-executives die contact hadden met klanten. In tegenstelling tot andere ontwerpbureaus hadden de ontwerpers zelf contact met klanten, waardoor klanten nauwer in contact stonden met de maker of makers van de campagne. Aronson bleef daarnaast zelf ook steeds betrokken als ontwerper. Hij bezocht de klanten persoonlijk en maakte de schetsen voor ontwerpen ter plekke. Bij Albert Heijn kreeg Aronson om deze reden de bijnaam “Instant-Aronson”.

De klanten van Prad waren alleen opdrachtgevers met zeer grote mediabudgetten. Bureaus ontvingen per opdracht vijftien procent mediacommissie. Aronson schroomde er niet voor om af en toe op de stoel van de ondernemer te gaan zitten. Hierdoor kwam hij met vernieuwende ideeën voor onder meer sigarettenmerk Caballero. Een pakje sigaretten van Caballero was in de jaren 1950 gemiddeld twintig cent goedkoper dan andere merken, waardoor de klant moest wachten op zijn wisselgeld. Volgens Aronson gaf dit de klant het idee een tweederangs consument te zijn. Het aantal sigaretten in een pakje werd verhoogd van 20 stuks naar 25 stuks waardoor de prijs gelijk was aan andere merken. Het marktaandeel van Caballero groeide op deze manier van een paar procent naar 35% in 1968.

Ophef miniatuur|Pakje Caballero sigaretten met 25 stuks Het reclamebureau had een goede reputatie ontwikkeld. Volgens oud-medewerker Jan van der Molen was Prad “het eerste bureau met een uitstekende smaak, met hoge esthetische normen”. Reclame in de jaren '50 van de twintigste eeuw werd veelal gedomineerd door tekst en weinig door vormgeving. Prad trachtte daarin verandering te brengen. Van “drammerige” teksten waarmee de consument als het ware opgevoed moest worden, werd er gekozen voor een meer creatieve benadering. Desondanks waren zij nog wel gebonden aan een bepaald “zedelijk gehalte”.