Édouard (Edy) Léon Théodore (E.L.T.) Mesens (Brussels stedelijk gebied, 27 november 1903 - Brussel, 13 mei 1971) was een Belgische pianist, componist, schrijver, dichter, uitgever, fotograaf en collagemaker. Hij was tevens galeriehouder, organisator van tentoonstellingen, columnist en kunsthandelaar.

Boven alles was hij een enorm netwerker in de Belgische en internationale kunstwereld en een begaafd commentator. Deze twee eigenschappen zijn de verbindende lijn tussen alle functies die hij door elkaar heeft uitgeoefend. Hij was de motor achter het succes van de surrealistische beweging in België en in het bijzonder van René Magritte. Hij introduceerde het surrealisme in het Verenigd Koninkrijk.

Biografische gegevens Édouard-Léon-Théodore Mesens werd geboren in de Sint-Gorikswijk in het centrum van de stad Brussel. Zijn vader was een succesvolle Vlaamse groothandelaar, zijn moeder was afkomstig uit Rijsel. Hij was enig kind. Reeds van jeugdige leeftijd wou hij een belangrijke rol spelen in het artistieke leven en dit manifesteerde zich reeds vanaf de leeftijd van 17 jaar.

Mesens was extravert en perfect tweetalig, met voorkeur voor Frans. De dichter Wies Moens omschreef hem als een flamboyante persoonlijkheid, met veel humor, eerder roekeloos, agressief en rechtlijnig, zonder veel aandacht voor detailkwesties. Hij was tegelijk uitbundig, stoer, gewiekst, charmant, vervelend en vrij onconventioneel. Hij hield van subversie en hij was niet bang van het schandaal en dit reeds van zeer jeugdige leeftijd. Hij was een liefhebber van vrouwelijk schoon en levensgenieter. Hij ontwikkelde de kunst om met mensen om te gaan. Hij beschikte over een enorm doorzettingsvermogen.

Zijn eerste roeping was muziek, gestimuleerd door zijn moeder. Hij leerde op zeer jonge leeftijd eerst viool en later piano spelen en ging vanaf 1919 lessen volgen aan het Conservatorium van Brussel. Hij was geen ijverige student en zou in feite slechts iets meer dan een jaar aan de academie studeren, maar dat was voldoende om een aantal essentiële contacten in de kunstwereld te leggen. Netwerken stond voor hem altijd centraal.

In 1920 raakte hij bevriend met René Magritte.

Van 1923 tot 1938 had hij een buitenechtelijke relatie met Honorine De Schrijver, de echtgenote van zijn vriend en mecenas Paul-Gustave Van Hecke, die dit blijkbaar tolereerde.

Tijdens zijn Londense periode ontmoette hij in 1939 Sybil Mason Stephenson, ex-echtgenote van de Britse abstracte kunstenaar Cecil Stephenson, en trouwde met haar. Het huwelijk bleef kinderloos. Sybil Stephenson stond haar echtgenoot bij in zijn activiteiten, zij had het wel moeilijk met zijn overmatig drankgebruik. Zij overleed op 7 januari 1966 aan leukemie. Zij is Sybil in het boek "Don't tell Sybil".

In 1967 overleden Gustave Van Hecke en René Magritte kort na elkaar. Na het overlijden van zijn echtgenote en zijn hechte vrienden raakte Mesens zwaar aan de drank en raakte op de dool. Mesens overleed in 1971 officieel na een "lange, slepende, pijnlijke ziekte". Volgens dichter en historicus Franklin Rosemont kwam dit omdat hij opzettelijk de bevelen van artsen om zich van alcohol te onthouden negeerde.

Netwerker Met een aaneenschakeling van ontmoetingen verwierf E.L.T. Mesens van jongs af aan reeds een enorm netwerk in de kunstwereld.Sjoerd Meihousen and J. Gibbs, Finding aid for the E. L. T. Mesens papers, 1917-1976, bulk 1920-1971, OAC (Online Archive California) http://pdf.oac.cdlib.org/pdf/getty/spcoll/920094.pdf Gearchiveerd op 19 april 2022. In de loop van zijn verdere leven zou netwerken in alle functies die hij uitoefent cruciaal blijven en bleef zijn netwerk in België en Europa groeien.

Enkele cruciale contacten:

Op initiatief van Karel Maes, die hij kende van de academie bezocht hij de eerste tentoonstelling van Magritte en Flouquet in het kunstencentrum "Centre d'Art" in Brussel in 1920. Beide kunstenaars studeerden toen ook nog aan de academie. Deze ontmoeting betekende de levenslange "vriendschap" tussen Magritte en Mesens. Op deze tentoonstelling leerde hij ook de invloedrijke dichter Pierre Bourgeois kennen, die in 1922 de uitgever van 7Art zou worden, waar Mesens, Magritte en Maes ook bij betrokken werden. Op die manier kwam hij ook in contact met de uitgebreide kunstenaarsgroep die bij dit tijdschrift betrokken was, maar ook met bv. Van Doesburg die een grote invloed op hem heeft gehad. In april 1921 sprak hij spontaan Erik Satie aan, na afloop van een concert van Satie in Brussel dat hij bijgewoond had. Satie was zijn grote idool met wie hij al wat correspondentie had gevoerd. De Franse musicus stelde deze jonge bewonderaar op prijs en deed hem niet veel later Parijs en haar dadaïstische scene ontdekken. Satie introduceerde hem in de dadaïstische kringen, met ontmoetingen met Philippe Soupault, Louis Aragon, André Breton en Paul Éluard. Hij nam hem mee naar de eerste Parijse tentoonstelling van Man Ray, met wie Mesens op zijn beurt hecht bevriend raakte, en naar het atelier van Constantin Brancusi. Hij ontmoet ook Kiki de Montparnasse en Marcel Duchamp. Andere belangrijke netwerken werden opgebouwd via Gustave Van Hecke in het galeriecircuit en later als verkoopsecretaris van het museum van Schone Kunsten waar hij grote exposities organiseerde. Hij bracht Gustave Van Hecke in contact met René Magritte. In Londen waren Edward James en Roland Penrose cruciaal voor zijn Engels en internationale netwerk. Na zijn terugkeer in België in 1951 had hij zeer goede contacten met Gustave Nellens, eigenaar van het casino van Knokke, voor wie hij als raadgever en curator optrad en die hij met Magritte in contact bracht.

Relatie met René Magritte In 1920 ontmoette Mesens René Magritte ter gelegenheid van diens eerste tentoonstelling in Brussel. Zij werden bevriend en hun beide carrières zouden voor het ganse leven vermengd zijn.

Zij deelden een enthousiasme voor ontdekkingen.

In maart 1921 raakte Mesens volledig onder de indruk van Theo van Doesburgs dadaïstische visie op de moderne kunst en bracht dat enthousiasme over op Magritte. Ook het tijdschrift 7Art van Pierre Bourgeois, gericht op het modernisme in alle aspecten van de maatschappij, leunde aanvankelijk sterk op het dadaïsme.

Na enkele jaren keerden Mesens en Magritte zich af van 7Art en het dadaïsme omdat het volledig ging neigen naar het constructivisme, terwijl voor hen het poëtische aspect essentieel was in de kunst.

In 1924 toonde Mesens de reproductie Liefdeslied (Chant d'amour) van Giorgio De Chirico aan René Magritte in Les Cahiers Libres. Beiden waren overdonderd. Dit zou Mesens' verdere oriëntatie en vooral ook van Magritte naar het surrealisme bepalen.Louis Scutenaire « Mon ami Mesens », [Luc Canon], Bruxelles, 1972, p. 31

Zijn ganse leven lang heeft Mesens de werken van Magritte gepromoot, tijdens zijn activiteiten als galerijhouder in Brussel en Londen, als verkoopsecretaris van het Museum voor Moderne Kunsten, als kunsthandelaar en als organisator van tentoonstellingen. Op die manier heeft hij in belangrijke mate bijgedragen aan de nationale en internationale erkenning van René Magritte.

Beiden hadden tegengestelde karakters, Mesens zeer extravert en flamboyant, Magritte introvert, eerder intellectueel, een moeilijk karakter en (schijnbaar) eerder teruggetrokken. Ze hadden echter hetzelfde soort humor en een oneerbiedige neiging naar non-conformisme.

Het was een getroebleerde vriendschap, er waren dikwijls zware meningsverschillen omdat Magritte Mesens ervan beschuldigde van hem te profiteren. Dit was zeker niet ten onrechte, Mesens was boven alles ook een gewiekst zakenman, anderzijds heeft Magritte zijn grote succes voor een groot deel te danken aan Mesens.

Een belangrijke beproeving van de vriendschap was de aan- en verkoop van een belangrijk aantal werken van Magritte door Mesens. Tijdens de periode dat Magritte in Parijs actief was kocht Mesens 11 werken om hem uit de geldnood te helpen, weliswaar voor een voordelige prijs, namelijk de prijs die Magritte met Gustave Van Hecke had bedongen voor 250 van zijn werken voor de Gallery Le Centaure in ruil voor een maandelijks inkomen. Toen de Gallery Le Centaure later failliet ging kocht Mesens ongeveer 150 à 200 van die werken van Magritte om te verhinderen dat de prijzen zouden kelderen door het plotse overaanbod op een veiling. Dit was in die periode niet zonder risico, want Magritte genoot nog niet de faam die hij in de toekomst zou krijgen.

Later verkocht Mesens deze werken geleidelijk aan met zeer hoge prijzen en dit irriteerde Magritte heel erg.

E.L.T. Mesens is afgebeeld op verschillende werken van Magritte, waaronder het bekende schilderij De Helderziendheid (La Clairvoyance) waarop men de "vooruitziende" E.L.T. Mesens een vogel ziet schilderen met een ei als model.De figuur op "De bedreigde moordenaar" uit 1926 lijkt verrassend goed op E.L.T. Mesens van "Clairvoyance", maar dit is niet aangetoond. Revolver is een ander werk waarop hij prominent aanwezig is.

Componist Hij schreef in het begin van de jaren 1920 reeds een twintigtal kleine partituren met pianobegeleiding. Hij zette vooral gedichten van dichters als Philippe Soupault, Benjamin Péret, Tristan Tzara en Paul Eluard op muziek. Hij gaf zijn eerste pianoconcert in Brussel in 1922, maar kreeg geen goede commentaren. In 1923 nam E.L.T. afstand van zijn muzikale carrière. De muziek zou wel blijvend een rol in zijn leven spelen. E.L.T. Mesens speelde een belangrijke rol in de opkomst van de moderne muziek in Brussel en Antwerpen en zijn composities zouden nog regelmatig vertolkt worden.

Dichter Gedurende zijn hele leven schreef Mesens gedichten die hij meestal opdroeg aan zijn bevriende kunstenaars. Hij werkte ook mee aan de Engelse en Franse vertaling van de werken van zijn collega-surrealisten, zoals Paul Eluard.

De teksten van Mesens werden gepubliceerd in vele literaire en artistieke tijdschriften zoals Mécano, 391, Variétés, London Bulletin, VVV, Distances, Horizon, Free Unions, Surrealist Transformation en Phantomas.

Humor en spot waren even belangrijk als ernst en kritische zin. Tot aan het einde van zijn leven bleef Mesens vormelijk trouw aan het dadaïsme. Zo gebruikte hij verschillende lettertypes in de uitgave van eenzelfde tekst en haalde hij de klassieke horizontale structuur van het westerse gedicht uit elkaar.

Redacteur Tijdens de vroege jaren 1920 droeg Mesens bij aan een aantal avant-garde recensies (Sélection, Ça Ira, Créer, 391, Variété, 7 Arts), waaronder het dadaïstische Mécano onder redactie van Theo van Doesburg, die de verbinding maakte tussen dadaïsme en constructivisme.

Hij was een graag geziene gastspreker op allerlei bijeenkomsten.

In Brussel verzorgde hij de redactie van "Marie", een tweewekelijkse krant voor jongeren (drie nummers van maart tot juli 1926) en Adieu à Marie (één nummer in 1927) in samenwerking met Magritte, de schrijvers Paul Nougé en Camille Goemans, Lecomte en de muzikanten André Souris en Paul Hooreman.

In 1934 is hij hoofdredacteur van het tijdschrift Documents 34. Mesens schreef ook veel recensies en vertalingen van Paul Eluard (met Roland Penrose). HIj schreef ook verschillende teksten en voorwoorden, onder meer voor een tentoonstelling van Max Ernst in Knokke in 1953.

De briefwisseling in zijn archief bevat een indrukwekkend aantal voorstellen voor medewerking aan publicaties en toont aan dat hij een wereldwijd erkend kunstcommentator en/of polemist was.

Uitgever In oktober 1924 maakte hij samen met Magritte plannen om het tijdschrift Periode uit te brengen. Door een ironische publicatie van Paul Nougé werden die plannen niet uitgevoerd, maar leidden wel tot een samenwerking tussen Paul Nougé, Magritte, Goemans, Mesens en Lecomte, die later de kern van de Brusselse surrealisten zouden vormen.