De inquisitie in de Nederlanden was in de middeleeuwen – net zoals in andere delen van Europa – het terrein van bisschoppen en pauselijke inquisiteurs. De door de Rooms-Katholieke Kerk ingestelde inquisitie had als doel de religieuze en sociale orde in de samenleving te handhaven en werkte samen met de wereldlijke autoriteiten om de gelovigen te beschermen tegen de afvalligen. Tot het begin van de reformatie werd de inquisitie in de Nederlanden, evenals in de rest van Europa geaccepteerd als een noodzakelijke instelling die de samenleving beschermde tegen religieuze wanorde en chaos.
De oorsprong van de bisschoppelijke en pauselijke inquisitie
Tot 1184 werden de acties om ketterij te onderdrukken vooral geïnitieerd door de gezagsdragers van de kerk in de gebieden waar deze afvalligheid voorkwam. Het waren de bisschoppen die in hun gebied verantwoordelijk waren om actie te ondernemen. In dat jaar vaardigde paus Lucius III de bul Ad Abolendam (met het doel af te schaffen) uit. Hierin werden een aantal richtlijnen vermeld als uitbreiding en verduidelijking van al bestaande maatregelen. Verdachte parochies dienden enkele malen per jaar gevisiteerd te worden om ketterij op te sporen. Personen die schuldig werden bevonden dienden te worden overgeleverd aan de burgerlijke autoriteiten om een gepaste straf te krijgen. Dit decreet kan gezien worden als de oorsprong van de bisschoppelijke inquisitie.
Vaak ondernamen bisschoppen echter nauwelijks enige actie waardoor ketterij in sommige gebieden zich kon uitbreiden. Met name paus Gregorius IX (1227-1241) was van opvatting dat de bisschoppen hun verantwoordelijkheid in de bestrijding van ketterij onvoldoende uitvoerden. De paus stelde van tijd tot tijd dan ook persoonlijke legaten, zoals Konrad von Marburg aan om die te bestrijden. Dit was de eerste aanzet tot wat de pauselijke inquisitie zou worden.
In 1231 werd de functie van gespecialiseerd ondervrager gecreëerd en de hele inquisitoriale procedure vastgelegd. In 1232 legde hij vast dat de dominicanen de verantwoordelijkheid zouden krijgen het katharisme te bestrijden. Meer in het algemeen kregen bedelordes als vooral de dominicanen maar ook wel de franciscanen van de paus de opdracht de ketterij uit te roeien. In 1233 werd deze pauselijke inquisitie volledig onafhankelijk van lokale overheden. Tegen hun vonnis was geen beroep mogelijk ook niet bij een bisschop of een vorst. In de late middeleeuwen werd voor de rechtbanken van deze inquisitie de processen gevoerd tegen onder meer de tempeliers, Johannes Hus, Jeanne d'Arc en Savonarola.
Er waren perioden en gebieden waar sprake was van goede samenwerking tussen bisschoppelijke en pauselijke inquisitie, maar er was ook geregeld sprake van rivaliteit en tegenwerking. Geen enkele paus slaagde erin om complete controle over de vervolging van ketterij te verkrijgen. Vorsten, prinsen, bisschoppen, seculiere autoriteiten hadden allemaal een rol in het vervolgen van ketterij. Eind dertiende eeuw was die controle van de pausen op een dieptepunt. De inquisitierechtbanken handelden toen vrijwel geheel onafhankelijk. Het was vaak onmogelijk om misbruik te voorkomen of te bestraffen. Het excessief wrede handelen van de pauselijk inquisiteur Robert le Bougre is een voorbeeld daarvan.
Pauselijke inquisiteurs waren gedurende de gehele dertiende eeuw in de Nederlanden aanwezig en konden over het algemeen redelijk samenwerken met de bisschoppen. In de eerste helft van de veertiende eeuw zijn die er niet meer. Dat gebeurt pas weer in de tweede helft van die eeuw. In de vijftiende eeuw opereert dan weer het samenwerkingsverband met de bisschoppen. In hoeverre in deze periode nu echt effectief tegen ketters is opgetreden is moeilijk te beoordelen. Ondanks een pauselijke opdracht tot grondig onderzoek worden de in de Nederlanden talrijke begijnen en begarden vrijwel ongestoord gelaten. Waar in Frankrijk de begijn Margareta Porete na een proces veroordeeld wordt tot de brandstapel, wordt hier tegen Hadewijch en haar volgelingen geen actie ondernomen.
De wereldlijke overheid in de Nederlanden heeft gedurende de gehele middeleeuwen een ondergeschikte positie ten aanzien van het bestrijden van ketterij. Zij komt pas in actie als de openbare orde bedreigd wordt, zoals bij sektes van de flagellanten en bij dansmanies (springprocessies, Sint-Vitusdans)
Maatregelen in de zestiende eeuw
thumb|Jan de Bakker was de eerste die in 1525 in de noordelijke Nederlanden op basis van een vonnis door Ruard Tapper en Nicolas Coppin op de brandstapel kwam. Een 19e-eeuwse impressie van deze gebeurtenis op het Binnenhof in Den Haag
Keizer Karel V zag de christelijke eenheid in zijn rijk bedreigd en wilde alles in het werk stellen die te handhaven. De keizer zag de toenemende weerklank van de ideeën van Maarten Luther in de Nederlanden niet alleen als ketterij, maar ook als een fundamentele bedreiging van de door God ingestelde maatschappelijke orde. In januari 1521 werd Luther in de kerkelijke ban gedaan. In mei van dat jaar werd Luther direct na afloop van de rijksdag van Worms door de keizer in de rijksban gedaan. Hij werd vogelvrij verklaard en de verbranding van zijn geschriften werd bevolen. Het edict van Worms werd in juli 1521 afgekondigd in een aantal steden in de Nederlanden. Het verbood het bezit en de verspreiding van Lutherse literatuur. Ieder nieuw boek dat de Bijbel behandelde of interpreteerde moest voorafgaand aan het drukken en verspreiden goedgekeurd worden middels een procedure waarin met name een rol voor de theologische faculteit van de Universiteit van Leuven was.
De conventikels, geheime bijeenkomsten waarin afwijkende religieuze denkbeelden (zoals die van Luther) werden besproken, waren voortaan verboden. In juli van dat jaar organiseerde de pauselijke nuntius Hieronymus Aleander boekverbrandingen in Antwerpen en Gent.
De keizer achtte het het toenmalig bestaande instrumentarium om ketterij te bestrijden, de bisschoppelijke en pauselijke inquisiteurs, onvoldoende. De grote omvang van de toenmalige bisdommen en het feit dat van een aantal de zetel buiten de Nederlanden lag, maakte controle op hun handelen ten aanzien van het bestrijden van ketterij moeilijk. Karel V liet die bestaande structuren ongemoeid maar vulde die aan met twee andere elementen.
De eerste is de instelling van een ambt van inquisiteur-generaal. In 1522 benoemt de keizer de eerste inquisiteur-generaal die vergaande bevoegdheden verkrijgt in het kader van de bestrijding van ketterij. Daarmee zou hij het inquisitoriale systeem zonder kerkelijke benoeming onder de bevoegdheden van het centrale gezag in de Nederlanden willen brengen. De benoeming van deze Frans van der Hulst liep echter uit op een fiasco en deze moest dan ook reeds in 1523 ontslagen worden. Hierna gaat een systeem in de Nederlanden functioneren waarbij het centrale gezag inquisiteurs-generaal voordraagt voor benoeming door de paus. Feitelijk is de keus van het centraal gezag doorslaggevend voor de selectie van de inquisiteurs-generaal. Meestal werden er na 1523 ook meerdere tegelijk voorgedragen en benoemd die ieder een werkgebied in de Nederlanden verkregen.
In 1524 werden Nicolas Coppin, Olivier Buedens en Nicolaas Houzeau benoemd. Inquisiteurs-generaal konden hun taken delegeren aan onderinquisiteurs die dan de zelfde bevoegdheden hadden. In 1526 werden bijvoorbeeld twee onderinquisiteurs in Amsterdam gestationeerd. Dat gebeurde overigens op initiatief van het Hof van Holland. Dit systeem bleef ruim vier decennia functioneren. Michel de Bay en Franciscus Sonnius waren de laatst benoemde inquisiteurs-generaal.
Het tweede element was het creëren van een wetgevend kader door middel van plakkaten. Hierin werden de maatregelen te bestrijding van de ketterij, verboden op bezit, drukken en verspreiding van reformatorische literatuur, verboden op bepaalde bijeenkomsten, etc. vastgelegd. Van 1520 tot 1550 zou Karel V tientallen ketterijplakkaten uitvaardigen. Wereldlijke rechtbanken op zowel stedelijk als provinciaal niveau verkregen de bevoegdheid tot vervolgen van ketterij op basis van die plakkaten. Feitelijk werden zij daartoe verplicht. In de praktijk waren er nog andere instanties zoals de Geheime Raad en de universiteit van Leuven die ook actief waren op het gebied van bestrijding van ketterij. Theologen van de universiteit stelden de index van Leuven op.
Organisatie
Inquisiteurs-generaal hadden een relatief passieve opvatting over de aard van hun ambt. Zij gingen niet of nooit zelf op zoek naar aanwezigheid van ketterij. Processen werden vrijwel altijd door wereldlijke overheden gestart. De inquisiteurs-generaal namen zelden zelf het initiatief tot vervolging. Zij hadden in de eerste plaats een rol als het handelde om de inhoudelijke kanten van een proces, zoals geloofsonderzoek, vaststellen of er wel of niet sprake was van oprecht berouw en het vonnis. Zij konden ook getuigen verhoren. Zij stelden zich op als experts die op afroep beschikbaar waren.
De wereldlijke autoriteiten zorgden voor zaken als arrestatie, detentie, uitvoering van het vonnis. Er waren uitzonderingen op deze verdeling van verantwoordelijkheden. Ook wereldlijke rechters voerden wel eens het geloofsonderzoek uit.
Bij belangrijke processen werd ad hoc een inquisitierechtbank opgericht. Daarin waren dan vertegenwoordigers van zowel de wereldlijke als de geestelijke macht aanwezig met de inquisiteur-generaal als voorzitter. De procureur-generaal had de rol van openbaar aanklager. De aanwezigheid van vertegenwoordigers van de wereldlijke macht maakte het mogelijk de doodstraf als vonnis uit te spreken. Alleen de wereldlijke macht kon uitvoering geven aan de doodstraf voor ketters.
In het algemeen werd de doodstraf door inquisiteurs opgevat als een nederlaag. Het was in de eerste plaats de bedoeling van de inquisiteur een verdachte met de moederkerk te verzoenen. Er werd door middel van bijvoorbeeld catechese alles in het werk gesteld een verdachte van zijn dwalingen af te brengen en die te laten herroepen. Als dat lukte werd een herroepingsakte opgesteld. Daarin was altijd sprake van een openbare herroeping. Er was daarnaast meestal ook sprake van aanvullende straffen als bijvoorbeeld geldboetes, verplichte bedevaart en verbanningen. Vanaf ongeveer 1530 kwam er echter nieuwe wetgeving die deze matiging van de strafmaat sterk gaat beperken.
Verdere positionering van inquisiteurs en verharding van de wetgeving
Het effect van al deze maatregelen was gering. Het reformatorisch gedachtegoed bleef zich verspreiden en uitbreiden. De keizer reageerde met een andere positiebepaling van de inquisiteurs. In 1545 werd het aantal inquisiteurs sterk uitgebreid. Ruard Tapper en Michel Drieux werden benoemd als inquisiteur-generaal. De laatste was ook officiaal voor het bisdom Luik. In alle gewesten van de Nederlanden worden twee permanente onderinquisiteurs aangesteld. De verantwoordelijkheden van verschillende autoriteiten werden scherper beschreven en van elkaar onderscheiden. De essentie is dat de wereldlijke rechtbanken nog meer dan voorheen het zwaartepunt moesten worden van de vervolging van ketters. De inquisiteurs kregen veel meer een rol om ketterij op te sporen. Dat vereiste dat zij veel meer dan voorheen proactief zouden gaan handelen. De enige inquisiteur die volledig handelde volgens deze instructie was Pieter Titelmans. De latere zeer negatieve beeldvorming over de inquisitie in de Nederlanden is voor een deel door zijn – vaak excessief – optreden beïnvloed.