Het Sassanidische Rijk (/sə.ˈsɑː.ni.ən/), officieel Eranshahr (Middelperzisch: 𐭠𐭩𐭥𐭠𐭭𐭱𐭲𐭥𐭩, geromaniseerd: Ērānšahr, letterlijk "Rijk van de Iraniërs"), was een Iraans rijk dat werd gesticht en geregeerd door de dynastie van de Sassaniden van 224 tot 651 n.Chr. De heerschappij van de Sassaniden over het oude Iran duurde meer dan vier eeuwen en was daarmee de langste, na die van de Arsacidische dynastie van Parthië, die er direct aan voorafging.

Geschiedenis Opkomst thumb|Ardashir I (links) ontvangt de Ring der Macht van de god Ahura Mazda (rechts); bas-reliëf in Naqsh e-Rustam. Op 24 april 224 versloegen de Sassaniden onder leiding van Ardashir I de laatste Parthische koning in de Slag bij Hormizdegan. (2017): De zijderoutes, Spectrum, Houten, blz. 54. Deze veldslag wordt algemeen gezien als de bevestiging van de macht van de Sassaniden. De overwinning van de Sassaniden brak de macht van de toen heersende Parthische dynastie van de Arsaciden.

Ardashir liet zich in 226 tot 'Koning der Koningen' (sjahansjah in het Perzisch) kronen. Onder Ardashir I en Shapur I werd begonnen met een reeks expansieoorlogen. Belangrijke steden als Merv en Bactra werden hierbij veroverd. Ook een aanzienlijk deel van het rijk van de Kushana werden opgedeeld in Sassanidische vazalstaten. De uitbreidingen van Shapur I reikten uiteindelijk tot aan de steden van Kashgar en Tasjkent., blz. 55.

Rond de tijd van de opkomst van de Sassaniden was het Romeinse Rijk de dominante macht in het Midden-Oosten; Iran lag aan de oostelijke periferie van de Romeinse macht. De Sassaniden zetten de Romeins-Parthische oorlogen voort. Rond 241 begon Shapur I Romeinse gebieden binnen te vallen. Hij veroverde Syrië, Armenië, en steden in Mesopotamië. De Romeinse keizer Gordianus III ondernam in 243 een mislukte poging Syrië terug te winnen. Zijn opvolger Valerianus I verdreef Shapur in 260 ten slotte uit Syrië, maar bij Edessa viel de keizer, die met een kleine delegatie voor onderhandelingen was overgekomen, levend in handen van Shapur. De 65-jarige Valerianus onderging gedurende weken of maanden de verschrikkelijkste vernederingen voor hij uiteindelijk werd terechtgesteld en als opgezette trofee in het koninklijk paleis werd tentoongesteld.

Na zijn overwinning viel Shapur Syrië opnieuw binnen, maar ditmaal werd hij verslagen door Callistus "Balista", die als prefect was aangesteld door Gallienus, zoon en opvolger van Valerianus. Het zich terugtrekkende Perzische leger werd opnieuw en in de rug aangevallen door Odaenathus, koning van Palmyra, die de Perzen verdreef en Mesopotamië heroverde.

Tussenperiode Onder koning Shapur II werden in de vierde eeuw de steden Nisibis en Singara veroverd en ook grote delen van Armenië geannexeerd., blz. 68. Na diens regering kwam het rijk onder druk te staan door invallen van het oosten van de Hunnen. Hierdoor raakte steden in het oosten ontvolkt en werden er grote sommen aan buit meegenomen door de invallers. In 395 bedreigden de aanvallen zelfs de hoofdstad Ctesiphon. In een poging hun noordgrens te beschermen sloten de Sassaniden hierop een verbond met het Romeinse Rijk. Met Romeinse hulp werden de muren van de stad Derbent verstevigd en een verdedigingsmuur aangelegd in de Darjalkloof om nieuwe aanvallen tegen te houden., blz. 70.

Gouden periode thumb|Khusro I in een jachtscène afgebeeld op een zilveren schaal In de vijfde en zesde eeuw kende het Sassanidische Rijk een periode van toenemende welvaart. De religieuze verdraagzaamheid ging hand in hand met de economische groei. Door de verhoogde belastinginkomsten kon de overheid meer geld besteden aan de infrastructuur wat leidde tot de stichting van vele nieuwe steden. Grootschalige irrigatieprojecten, met name in Khuzestan en Irak, vergrootten de landbouwproductie. Ook vonden er op grote schaal centralisatieprocessen plaats in het rijk., blz. 80-81.

In 531 volgde Khusro I zijn vader Kavad I op en een jaar na zijn troonsbestijging sloot hij de Eeuwige Vrede met keizer Justinianus I die een einde maakte aan de Iberische Oorlog van 526-532. Vervolgens wist Khusro I in 537 en 538 de Hephtalieten aan zijn oostgrens te verslaan en nadat zijn oostgrens veilig was startte hij in 540 een nieuwe oorlog tegen de Byzantijnen. Ook deze oorlog zou een lange tijd voortslepen en zou aanhouden tot 557. (2014): Sasanian Persia: The Rise and Fall of an Empire, I.B. Tauris, blz. 30-31.

In 541 brak er een pestepidemie uit die ook in het Sassanidische Rijk om zich heen greep., blz. 88.

Verval van het rijk De Byzantijnse keizer Justinus II ging in 572 een verbond met de Gokturken aan tegen de Perzen waarop de oorlog uitbrak. In 574 werd de stad Dara veroverd door de Sassaniden. De oorlog zou uiteindelijk nog veertig jaar doorgaan, maar de kansen keerden zich tegen het Sassanidische Rijk toen Bahram Chobim de macht greep. Khusro II vluchtte hierop naar Constantinopel en deed grote concessies aan keizer Mauricius. De Britse historicus Peter Sarris noemde dit het "Versailles-moment van de zesde eeuw". Met de hulp van de Byzantijnen wist Khusro II betrekkelijk makkelijk zijn troon terug te krijgen, maar de prijs ervoor was hoog geweest., blz. 92.

Door de vele interne opstanden in het Byzantijnse Rijk zagen de Sassaniden hun kans schoon om het gebied dat Khusro II had opgegeven terug te veroveren. Met succes wisten ze de Levant en Egypte aan het rijk toe te voegen en voerden ze oorlog in Anatolië. Hun legers onder Khusro II bereikten zelfs Constantinopel, de Byzantijnse hoofdstad (zie het Beleg van Constantinopel (626)), maar konden de Byzantijnen niet definitief verslaan. Nadat het beleg was opgeheven ging de Byzantijnse keizer direct in de tegenaanval en wist in 627 in de slag bij Ninive de Perzen te verslaan. Na de moord op Khusro in 628 sloot keizer Herakleios met diens zoon Kavad II de vrede., blz. 96.

De Sassaniden moesten volgens de bepalingen van het vredesverdrag met keizer Heraclius al hun veroverd land opgeven en zich terugtrekken. De hoge belastingen die nodig waren voor de langdurige oorlog veroorzaakten opstanden in het imperium. Na de Slag bij Ninive vluchtte Khusro II, maar hij werd gevat en geëxecuteerd (628) door zijn zoon en opvolger Kavad II. De volgende Sassanidische sjahs hadden geen controle meer over het land.

Val van het Sassanidische Rijk Na enkele jaren van paleisrevoluties kwam de laatste Sassanidische koning als kind op de troon, Yazdagird III (632-651). Het rijk was totaal uitgeput door de jaren van interne en externe oorlogen. Niet het eveneens verzwakte Byzantijnse Rijk profiteerde daarvan, maar een nieuwe opkomende macht in het Midden-Oosten: het islamitische Arabische Rijk, dat onder leiding van de tweede kalief Ummar Ibn al-Khattab het nog steeds formidabele Perzische leger wist te overwinnen.

Organisatie Vier standen Sassanidisch Perzië, in tegenstelling tot Parthië, was een hoogst gecentraliseerde staat. De samenleving was aristocratisch en sociale mobiliteit was niet mogelijk. De mensen werden strikt georganiseerd in een kastesysteem, pesag: asronan (priesters), artestaran (militairen), wastaryosan (boeren) en hutuxsan (handwerkers en kooplui). Aan het hoofd van de vier klassen stond de pesag salar. De laagste kasten stonden bloot aan een grote belastingdruk, en zo konden zij gemakkelijk vervallen in horigheid.

De priesters waren verdeeld in mowbedan (hoofdpriesters), herbedan (de priesters die de vuren in de vuurtempels onderhielden), dasturan (theologische experts), dadwaran (rechters) en radan (geleerde priesters). De leider van de mowbeds was de mowbedan mowbed en de herbedan herbed het hoofd van de herbeds. De belangrijkste vuurtempel stond op het priesterlijke landgoed Adur Farrobay. Het zoroastrisme was staatsgodsdienst en bevestigde de sociale deling.

Het leger werd geleid door een Iran-spahbed (generaal van het Iraanse rijk). Onder Khusro I kwamen er vier generaals, een voor elk kwart (kust) van het rijk. De hoogste generaal was toen de artestaran salar. Lokale koningen, sahrdaran en hoge edelen als de wipuhran (prinsen), wuzurgan en azadan (ridders) maakten deel uit van het leger en gaven haar steun. Het leger, spah, was onderverdeeld in aswaran (cavalerie, het belangrijkste deel van het leger) en paygan (infanterie). De paarden waren ook met een wapenuitrusting bedekt. Er was ook een lichte cavalerie en een olifantencorps, pil-banan. De olifanten werden uit India aangevoerd. De oorlogsvloot telde schepen, kastigs, met 100 man per schip. Het leger had een eigen vuurtempel, Adur Gushnasp in Shiz.

Het hoofd van de landbewerkers was de wastaryosan salar. Hun vuurtempel was de Adur Burzenmihr.

De vierde 'kaste' was het grootst. De zoroastrische priesters hielden wat de handwerkers en kooplui betrof er een negatieve kijk op na. De Sogdische kooplui in het noordoosten stonden open voor verschillende religieuze tradities. Christelijke, (nestoriaanse) Perzen waren prominent onder de zijdehandelaren en kolonisten in het Verre Oosten. Het christendom stond positiever tegenover handel en ambacht dan het zoroastrisme. Ook de manicheïsche 'luisteraars', in tegenstelling tot hun 'uitverkozenen', waren ambachts- en kooplieden. De komst en het succes van de islam is mede te verklaren om haar positieve houding ten opzichte van handel, de Profeet was immers zelf een koopman. Onder de handwerkers en kooplui waren Romeinse, Gotische en Mesopotamische vaklieden. Er waren gilden en de Karragbed was de gildemeester. De vierde klasse had geen eigen vuurtempel.

Religie Zoroastrisme Na de machtsgreep van de Sassaniden werd de leer van het Zoroastrisme voortgezet ten koste van andere religieuze overtuigingen. Ardashir zette de zoroastrische traditie voort, die vanaf de Achaemenidische tijd in de provincie Persis bestond. De leer van Zarathoestra gaf de heersers tevens een sterk ethisch kader voor het voeren van expansieoorlogen. Ardashir stelde de priester Tosar (Tansar) aan om verspreide leringen, waaronder gesproken tradities, te verzamelen en tot een canon te vormen. Dit gebeurde omstreeks dezelfde tijd dat de heilige teksten van de christenen werden gecanoniseerd. Vernieuwingen werden in de staatsreligie doorgevoerd om eenheid te krijgen zowel in de religie als de natie.

Ardeshirs zoon, Shabur I, verzamelde (ook niet-religieus) materiaal om de Avesta te vormen. Ideeën uit de Griekse en Indiase wetenschappen werden er onder meer in opgenomen. In de Dênkard zijn Aristotelische en neoplatoonse invloeden terug te vinden. En het waren Shabur I en zijn zoon Hormazd I, die Mani alle vrijheid gaven om zijn ideeën uit te dragen. Mani droeg zijn Sabuhragan, geschreven in het Middel-Perzisch, op aan Shabur.

De inspanningen van Kerdir, de hoofdpriester onder Hormazd I en Bahram I, ter bevordering van het zoroastrisme gingen gepaard met onderdrukking van plaatselijke culten en rivaliserende religies. Joden, boeddhisten, hindoes, christenen, Nazareners, Mandaeërs en manicheïsten werden vervolgd en hun tempels aan de eredienst onttrokken. Tijdens deze religieuze vervolgingen vond ook de profeet Mani de dood., blz. 56. Door de veelvuldige onderdrukking van andere religies groeide het zoroastrisme uit tot een staatsgodsdienst en ging het dienen als een extra pijler onder het Sassanidische koningschap., blz. 62.

De heiligdommen die in de zoroastrische staatsreligie een belangrijke plaats innamen waren de chahartaq (vier bogen), een vierkante structuur met een koepel ondersteund door vier hoekpijlers, vaak met een galerij rondom. Onder de koepel van deze zoroastrische vuurtempels werd het gewijde vuur brandend gehouden. Ze zijn overal in Iran te vinden, maar vooral in de provincies Fars, Kerman en Kermanshah. Naast Ahura Mazda werd ook Anahita, als godin van liefde, vruchtbaarheid en overwinning, aanbeden.

Manicheïsme